Wordt de ongerechtigheid der vaderen gestraft in de kinderen en de kindskinderen? (Exodus 34:7)

‘Successor liability’ naar Belgisch recht

1.
Art. 2:2 WVV (voorheen art. 60 W.Venn.) voorziet voor alle rechtspersonen van het WVV een regel voor het optreden namens een rechtspersoon in oprichting, waarbij de promotoren persoonlijk aansprakelijk zijn, behoudens bij een overname door de rechtspersoon na oprichting. Deze regeling werd in 1973 ingevoerd vanuit de Eerste Richtlijn. Zie nu art. 7.2 van Richtlijn 2017/1132 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht.

Art. 2:2 spreek enkel over verbintenissen en aansprakelijkheden. De Richtlijn spreekt over “rechtshandelingen”. Dit betekent echter niet dat de overnemende rechtspersoon geen buitencontractuele aansprakelijkheid kan oplopen voor fouten van vóór haar oprichting.

Een makkelijk voorbeeld is een promotor die bedrog pleegt bij het aangaan van een overeenkomst namens een rechtspersoon in oprichting. De overnemende rechtspersoon zal ook buitencontractueel aansprakelijk zijn voor dat bedrog na overname van die overeenkomst. Het is een verbintenis “voorvloeiende uit” die overgenomen handeling. Een overname van een rechtshandeling moet slaan op alle verbintenissen voortvloeiend uit die overeenkomst. Continue reading “Wordt de ongerechtigheid der vaderen gestraft in de kinderen en de kindskinderen? (Exodus 34:7)”

‘Enterprise liability’ for entities of a group?

Allowing creditors of one member of a corporate group to pierce horizontally to reach the assets of other members

Belgian private law is traditionally very distrustful of asset partitioning in the shape of both owner shielding and entity shielding. It has inherited from the 19th century French doctrine (Aubry & Rau) the idea that: (i) only persons have an estate; and (ii) every person has only one estate. An ‘estate’ (‘vermogen’ / ‘patrimoine’) is a pool of assets which serves as collateral for a pool of liabilities. Accordingly, the traditional théorie du patrimoine entails that a person cannot have separate pools of assets which serve as collateral for separate pools of liabilities. This theory betrays a strong distrust of asset partitioning, both internal and external.

In the beginning of the 19th century the rule ‘one person, one and only one estate’ was generally understood as referring to natural persons. The incorporation of legal persons, particularly of legal persons with owner shielding (limited liability), was exceptional and restricted. It was limited to certain types of activities and subject to governmental authorization. As a result, the 19th century doctrine of ‘one person, one and only one estate’, while at face value barely modified, presently has completely different practical consequences. Presently a natural person can easily incorporate, control and benefit from, one or more legal persons.

This raises the important question: Why is the traditional animus against asset partitioning not an issue, or less so,  in case the technique of the corporate form with legal personality is used to bring about such asset partitioning? Continue reading “‘Enterprise liability’ for entities of a group?”

%d bloggers like this: