De vereffening van de maatschap in W.Venn en ontwerp-WVV: over de gevaren van recyclage

Lees maar, er staat niet wat er staat (Nijhoff)

De vereffening van de maatschap wordt door het W.Venn. laconiek geregeld in art. 55:

“De regels betreffende de verdeling van de nalatenschappen, de vorm van die verdeling en de verplichtingen die daaruit tussen de mede-erfgenamen ontstaan, zijn toepasselijk op de vereffening tussen vennoten van vennootschappen bedoeld in dit boek.”

Dit een herneming van oud art. 1871 van het Burgelijk Wetboek van 1804.

Dit is een verwijzing die problematischer is dan het lijkt. Bij de onverdeelde nalatenschap is er geen vereffening zoals de vennootschapsjurist die kent, waarbij eerst de gemeenschappelijke schuldeisers worden voldaan alvorens het actief “netto” wordt overgedragen. De vereffening van de nalatenschap gebeurt in het belang van de erfgenamen en de positie van de nalatenschapsschuldeiser is soms erg onbeschermd. Je hebt in de nalatenschap drie verschillende soorten nalatenschapsschuldeisers:

  • Boedelschuldeisers met een uitvoerbare titel kunnen de boedelgoederen uitwinnen en genieten daarbij een preferentie.
  • Boedelschuldeisers zonder uitvoerbare titel kunnen de nalatenschapsgoederen niet uitwinnen en dienen een bruto-verdeling te ondergaan. Ze verliezen daarbij hun voorrang.
  • Boedelschuldeisers die toevoelig ook erfgenaam zijn, genieten door de figuur van de “inbreng van schulden” altijd van een vereffening in hun voordeel, ongeacht of ze een uitvoerbare titel hebben.

Voor een vennootschapsjurist zou dit verschil in behandeling, met een voortrekken van de insiders, choquerend moeten zijn. Dit is net de reden waarom in de loop van de 19de eeuw het concept van concursus werd uitgevonden voor vereffeningen.

In mijn proefschrift (p. 280-294, zie ook Slingerende toerekening: de zakelijke rechten van een maatschap) heb ik verdedigd dat deze wetsbepalingen met een zeer grote korrrel zout moeten worden geïnterpreteerd en dat er een volwaardige vereffening moet gebeuren. De vereffening van een maatschapsboedel verschilt hierin met een onverdeelde nalatenschap:

  • één maat kan de andere maten dwingen tot een volwaardige vereffening (terwijl er in een nalatenschap de regel is dat de goederen en de schulden “bruto” overgaan);
  • er is samenloop, d.w.z. dat ook de maatschapsschuldeisers recht hebben op een volwaardige vereffening (terwijl in de onverdeelde nalatenschap de schuldeiser van de erflater of de nalatenschap in principe niet kan beletten dat het onderpand waarop hij een preferente aanspraek heeft versplintert).

Deze vraag houdt uiteraard verband met de vraag naar vermogensafscheiding bij de maatschap. Een volwaardige vereffening houdt in dat de bevoorrechte positie van de maatschapsschuldeiser niet verdwijnt bij ontbinding. Indien er daarentegen geen vermogensafscheiding zou zijn heeft de maatschapsschuldeiser weinig belang van een vereffening: hij is dan immers slechts een persoonlijke schuldeiser van alle maten en wordt voldoende beschermd door de onbeperkte aansprakelijkheid.

Men mag daarbij niet enkel denken aan de typische estate planning maatschap. Die is stil en zal geen of nauwelijks maatschapsschuldeisers hebben. Een goede vereffeningsprocedure is dan niet cruciaal. De maatschap wordt echter ook gebruikt om onbenoemde samenwerkingsovereenkomsten te vereffenen (zie Vananroye en Foriers, “Een juridische zombie : de maatschap als kwalificatie voor een onbenoemde of feitelijke samenwerking”, TRV 2015, 767 e.v.). Een goede vereffeningsprocedure is hierbij essentieel. 

Waarom een maatschapsonverdeeldheid anders is dan een erfonverdeeldheid

De belangrijkste overwegingen om de verdeling van de nalatenschap niet te calqueren over de vereffening van de maatschapssboedel zijn deze:

  • Belangen van boedelschuldeisers wegen zwaarder door in de maatschap. Voor de nalatenschap stelt de wetgever de belangen van de erfgenamen hoger dan die van de gemeenschappelijke schuldeisers. Indien de insolventie van een erfgenaam een verbreking van de gelijkheid tussen de deelgenoten tot gevolg heeft, kunnen de deelgenoten een beroep doen op het mechanisme van de “inbreng van schulden”, waardoor ze voór de gemeenschappelijke (en uiteraard ook voor de persoonlijke) schuldeisers worden voldaan. De gelijkheid tussen de schuldeisers (gewaarborgd door een volwaardige vereffening) moet hier wijken voor de gelijkheid tussen de erfgenamen. In de maatschap is deze preferente behandeling van deelgenoten ten nadele van maatschapsschuldeisers minder te verantwoorden dan in de onverdeelde nalatenschap. De maten zijn uit vrije wil toegetreden tot de maatschapsgemeenschap. Het gaat hier om een actieve boedel, waarbij de preferente positie van de maatschapsschuldeiser de maten net toelaat om hun doelstellingen te verwezenlijken. Indien de maten de preferente positie van de maatschapsschuldeisers zouden kunnen ondermijnen d.m.v. de inbreng door minderneming alvorens de maatschapsschuldeisers zijn voldaan, brengt dit het krediet van de maatschap in gevaar. De maatschapsboedel is daarom een boedel waar het belang van de gemeenschappelijke schuldeisers voorop staat.
  • Contractuele verhouding tussen maten kleurt ook vereffening. Met de ontbinding van de maatschap zijn de maten nog niet van elkaar verlost van hun contractuele plicten jegens mekaar. Met name hun verplichting om te goeder trouw samen te werken, in casu voor de vereffening van de vennootschap, blijft bestaan. De maten hebben een onderlinge contractuele verplichting om ervoor te zorgen dat het te verdelen netto-actief zo hoog mogelijk is (of het overblijvend netto-passief zo laag mogelijk). De goede trouw tussen de maten vereist daarom dat desgevallend de vereffening (discontinuïteit van de vennootschap) gebeurt op een wijze die de continuïteit van de onderneming zo veel mogelijk respecteert, bv. doordat een vereffenaar wordt aangesteld die de onderneming aan een zo hoog mogelijke prijs overdraagt aan een ex-maat of een derde. Deze contractuele verhouding verzet zicht tegen een “bruto” verdeling die de onderneming opdeelt in kavels en zo vaak waarde zal vernietigen.
  • Geen “boedelafscheiding” of beneficiaire aanvaarding. Een belangrijk verschilpunt met de onverdeelde nalatenschap is dat de maatschapsonverdeeldheid niet de zgn. “boedelafscheiding” kent waarbij de boedelschuldeisers in belangrijke mate de negatieve effecten van een bruto-overgang kunnen remediëren. Een netto-verdeling op initiatief van een boedelschuldeiser dringt zich daarom meer op dan bij een onverdeelde nalatenschap.
Hoe een volwaardige vereffening zich manifesteert

De ontbinding betekent goederenrechtelijk dan ook niet meer dan dit: de voormalige maten kunnen de verdeling (begrijp: de vereffening) vorderen op grond van art. 815 BW. Hun persoonlijke schuldeisers verkrijgen een recht hiertoe op grond van art. 1561 BW. Verder blijft naar het model van de ontbonden rechtspersoon, in de klassieke uitdrukking van Maeijer in Nederland, de vennootschapsrechtelijke goederen­gemeenschap bestaan voor de doeleinden van de vereffening (Asser/Maeijer, 5-V, 372, nr. 324.). Of zoals Tilquin en Simonart het terecht uitdrukken: la nature complexe du fonds social se poursuit donc durant la liquidation (T. Tilquin en V. Simonart, Traité des sociétés, II, 316-317, nr. 1672.). Concreet betekent dit het volgende:

  • Vereffenaar i.p.v. vereffening-verdeling door boedelnotaris. De procedurevoorschriften van het Ger.W. voor de verdeling zijn geschreven voor verdelingen in natura tussen deelgenoten die zich zonder vrije keuze in gemeenschap bevinden. De regels voor de verdeling in het Ger.W. hebben daarom slechts een zeer beperkte waarde voor de maatschap. In de maatschap zal een vereffening gebeuren door een vereffenaar, die benoemd wordt overeenkomstig de statuten, of bij gebreke daarvan op vraag van een maat of (maatschaps- of persoonlijke) schuldeisers. Zulke vereffenaar heeft veel meer bevoegdheden dan een boedelnotaris in het kader van een vereffening-verdeling.
  • Samenloop. De afwezigheid van een volwaardige vereffening maakt in de onverdeelde nalatenschap dat de positie van boedelschuldeisers verschillend is naargelang de “kwaliteit” van hun vordering. In de maatschap is het moeilijk aanvaardbaar dat op deze manier de gelijkheid tussen de maatschapsschuldeisers wordt doorbroken. De ontbinding van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid wordt niet teruggevonden bij de klassieke opsomming van gevallen van samenloop. Toch dient samenloop te worden aanvaard bij de invereffeningstelling van elk afgescheiden vermogen. Zie M. Grégoire, Théorie générale du concours des créanciers en droit belge, Brussel, Bruylant, 1992, 340, nr. 484 (zonder dat deze auteur dit toepast op groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid).
Ontwerp-WVV herneemt de onnuttige verwijzing naar de nalatenschap

Over naar het ontwerp-WVV.

Men zou kunnen denken dat een antieke verwijzing naar het erfrecht die in de praktijk niet wordt toegepast (zie de vele gevallen in TRV 2015 nr. 8), niet wordt herhaald.

Men zou kunnen denken dat als de vermogensafscheiding uitdrukkelijk wettelijk wordt erkend, ook een propere vereffeningsprocedure wordt uitgewerkt.

Men zou kunnen denken dat de wetgever de vruchten plukt van het leerstuk van de samenloop zoals die bij de vereffening van rechtspersonen jurisprudentieel werd ontwikkeld.

Wel, dan denkt men verkeerd. Ontwerp-art. 4:421 WVV bepaalt:

“Tenzij anders overeengekomen, volgt de vereffening van de ontbonden vennootschap de regels voor de verdeling van de nalatenschappen.

De vorm van die verdeling en de verplichtingen die daaruit tussen de mede-erfgenamen ontstaan, zijn toepasselijk op de vereffenaars tussen de vennoten. “

Ik weet niet wat er ergste is: dat het obsolete principe uit 1804 werd gekopieerd, dan wel dat het een beetje werd gewijzigd. “Tenzij anders overeengekomen” lijkt  niet te slaan op de vorm van die verdelingen en de onderlinge interne verhoudingen. Zijn dit niet net de aspecten waar je wel wilsautonomie zou willen? Of willen we echt dat een boedelnotaris kavels in natura maakt? En wat met de verwijzing naar de “vereffenaars tussen de vennoten” in de dezelfde zin die verwijst naar de nalatenschap waar er geen vereffenaars zijn. Bedoelt de steller dat de vereffenaar uit de vennoten moeten worden gekozen? Dat is dan wel een erg zijdelingse manier om dat uit te drukken? En waarom zou er geen externe vereffenaar gekozen moeten worden. Of misschien heeft de steller bij het kopiëren van de bestaande tekst per ongeluk “vereffening” vervangen door “vereffenaars”? Dat de MvT schrijft dat er in substantie niets gewijzigd is aan art. 55 W.Venn. lijkt dat laatste te bevestigen.

Doordat de hedendaagse wetgever deze oude regel herneemt en aanpast, krijgt de tekst  weer gewicht. Bij de de tekst van het W.Venn. kan je nog zeggen dat het een carbon copy uit 1804 is en dus met de nodige vrijzinnigheid kan blijven worden geïnterpreteerd. Maar als de hedendaagse wetgever de bepaling wijzigt, kan het toch moeilijk anders dan dat die tekst terug meer zwaartekracht krijgt.

De paradox is dan dat een modernisering ons dichter brengt bij de 18de eeuw. Vaak zou dat een verbetering zijn; hier niet.

Een alternatief voorstel

We durven daarom volgend alternatief voor te stellen:

“Het vennootschapsvermogen wordt na ontbinding geacht voort te bestaan voor de vereffening tot aan de sluiting daarvan. Elke belanghebbende kan de aanstelling van één of meerdere vereffenaars vorderen. Artikel 2:91 § 1 en § 3 al. 1 van dit wetboek zijn van toepassing op de vereffenaars.”

De eerste zin kopiëert de tekst van de vereffening van rechtspersonen, aangepast aan het onverdeeld karakter en vindt inspiratie bij voornoemde citaten uit Maeijer en Tilquin en Simonart. De tweede zin geeft ook schuldeisers de mogelijkheid om een vereffening uit te lokken, zonder een vereffening op te leggen als niemand er om vraagt. De verwijzing naar boek 2 capteert de essentie van een vereffening zoals de vennootschapsjurist die begrijpt : eerst schuldeisers betalen dan een netto-actief verdelen.

Dit alles sluit ook beter aan bij Boek XX waar er net wel wordt uitgegaan van de mogelijkheid van een vereffening van de maatschap.

Joeri Vananroye

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s