Het functionele ondernemingsbegrip: spoort het WER met het Europese recht?

J. Stuyck, “Het nieuwe ondernemingsrecht . Kritische evaluatie en vooruitblik”

De functionele definitie van onderneming als: “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen” werd behouden als aanknopingspunt voor regels in afzonderlijke Boeken, zoals mededinging en marktpraktijken. Professor Jules Stuyck schrijft hierover:

“Afgezien van het merkwaardige staartje “alsmede zijn verenigingen[1], was deze definitie ontleend aan het Belgische mededingingsrecht (thans Boek IV WER). De definitie is een variante op deze die het Hof van Justitie voor de toepassing van de EU-mededingingsregels heeft ontwikkeld.

Volgens het Hof van Justitie, in een constante rechtspraak, omvat het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht elke eenheid (…) die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.[2] Het Hof preciseerde dat op het gebied van de sociale zekerheid bepaalde instellingen belast met het beheer van wettelijke stelsels van ziektekosten- en ouderdomsverzekering een zuiver sociaal doel hebben en geen economische activiteit uitoefenen.[3] In latere arresten[4] oordeelde het Hof dat een orgaan dat een aanvullende ouderdomsverzekering beheerde, volgens het kapitalisatiebeginsel, een economische activiteit uitoefende en daarbij concurreerde met de levensverzekeringsmaatschappijen, en dat de belanghebbenden de oplossing konden kiezen die de beste belegging garandeerde. Organen die een wettelijke taak vervullen in het kader van de sociale zekerheid zijn bijgevolg als zodanig geen ondernemingen. Het ondernemingsbegrip is evenwel een functioneel begrip. Het betrokken orgaan dat, los van de (in overeenstemming met het solidariteitsbeginsel uitgevoerde) taak van sociale zekerheid, een taak die geen economische activiteit uitmaakt, en uit dien hoofde geen onderneming is, ook andere (bijkomende) activiteiten ontplooit die wel economisch van aard zijn, zal voor laatstgenoemde activiteiten als onderneming in de zin van het mededingingsrecht worden gekwalificeerd. Dit blijkt uit het arrest AOK Bundesverband[5], waarin het Hof de Höfner-rechtspraak bevestigt en eraan toevoegt dat het niet uit te sluiten is dat de ziekenfondsen en de organisaties die hen vertegenwoordigen, naast hun uitsluitend sociale taken in het kader van het beheer van het Duitse socialezekerheidsstelsel, ook handelingen verrichten die geen sociaal doel hebben, maar economisch van aard zijn. In dat geval zouden de beslissingen die zij in dat kader nemen, eventueel als afspraken tussen ondernemingen of besluiten van ondernemersverenigingen kunnen worden aangemerkt. Continue reading “Het functionele ondernemingsbegrip: spoort het WER met het Europese recht?”

Ontwerp nieuw ondernemingsrecht goedgekeurd door Ministerraad

RIP handelsrecht

De Ministerraad heeft vandaag op voordracht van de minister van justitie Koen Geens het Voorontwerp van wet houdende hervorming van het ondernemingsrecht in tweede lezing goedgekeurd (zie persbericht). Dat betekent dat weldra dit ontwerp bij de Kamer zal worden neergelegd.

Het ontwerp omvat verregaande wijzigingen aan het Wetboek Economisch Recht, het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Koophandel, het Wetboek van vennootschappen en het Gerechtelijk Wetboek.

De belangrijkste krachtlijnen van dit ontwerp zijn:

Continue reading “Ontwerp nieuw ondernemingsrecht goedgekeurd door Ministerraad”