De minderheidsvordering: het heilig doel zonder middelen

Een post door gastblogger Frederik Voet

De minderheidsvordering werd reeds ‘onterecht onbemind’ genoemd. Het instrument dat de minderheidsaandeelhouder wordt aangereikt om bestuurders aansprakelijk te stellen, wordt immers voornamelijk gekenmerkt door een gebrek aan toepassing in de praktijk. Nochtans is er wel degelijk nood aan een doeltreffend instrument, aangezien de minderheidsaandeelhouder de kans dient te worden geboden om de bestuurders aansprakelijk te stellen voor bestuursfouten wanneer de meerderheid van de algemene vergadering weigert de vennootschapsvordering in te stellen. Deze situatie is zeker niet denkbeeldig, aangezien het vaak diezelfde meerderheidsaandeelhouders zijn die de bestuurders hebben benoemd en bijgevolg eventuele fouten bedekken met de mantel der liefde.

Bovenop dit agency-conflict beschikt de minderheidsaandeelhouder ingevolge rechtspraak van het Hof van Cassatie niet over een eigen vorderingsrecht op grond van art. 1382 BW voor de afgeleide schade die hij ervaart door foutieve bestuurshandelingen.

Deze inzichten zijn op zich weinig vernieuwend. Wie op zoek is naar innovatie binnen de minderheidsvordering, dient zich te richten op het vinden van oplossingen. Deze zoektocht blijft bovendien actueel, aangezien bij de komende hervorming van het Wetboek van Vennootschappen een hervorming van de minderheidsvordering niet op de agenda lijkt te staan.

Wanneer men de minderheidsvordering aan een vluchtig onderzoek onderwerpt, ontwaart men schijnbaar onmiddellijk de oplossing: de opbrengst van de vordering dient toe te komen aan de eisende minderheidsaandeelhouders in plaats van aan de vennootschap. Een meer diepgaande analyse kan echter slechts tot één conclusie leiden: de opbrengst dient toe te komen aan de vennootschap. Men dient immers voor ogen te houden dat de vordering niet alleen de aandeelhouders ten goede komt, maar ook de schuldeisers. De schuldeisers staan als eersten in rij om uitbetaling van hun vorderingen te verkrijgen en hebben in die zin dus een prioritair recht op het vennootschapsvermogen. De aandeelhouders worden slechts onrechtstreeks bevoordeeld door een succesvolle minderheidsvordering, doordat de waarde van de aandelen stijgt nadat het vennootschapsvermogen vergoed is.

Dit inzicht wordt gedragen door de grote meerderheid van de rechtsleer, met als reactie een stortvloed aan andere voorstellen die al dan niet bijgevallen kunnen worden. Ik groepeer deze initiatieven onder de term ‘guerilla-ingrepen’: elk afzonderlijk niet voldoende, maar als collectief wel in staat om een impact te maken. Onder deze guerilla-ingrepen kunnen onder andere worden gerekend het uitbreiden van de bevoegdheid om de minderheidsvordering in te stellen naar aandeelhouders zonder stemrecht en de afschaffing van de kwijtingvereiste.

Al deze initiatieven beperken zich echter tot het niveau van de minderheidsvordering zelf. Wanneer men verder kijkt naar de wortels van deze problematiek, dient men tot de vaststelling te komen dat de voorafgaande onderzoeksfase in de vorm van het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek reeds een wankel fundament oplevert. Een gebrek aan efficiënte onderzoeksmaatregelen verhindert immers dat de informatie-asymmetrie van de minderheidsaandeelhouder ten aanzien van het bestuur wordt weggewerkt, wat hem belet met voldoende vertrouwen een minderheidsvordering te initiëren.

Twee aspecten verhinderen het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek naar behoren te functioneren als voorbode van een eventuele minderheidsvordering. Ten eerste is er de wettelijke regeling met betrekking tot de kosten, die tot gevolg heeft dat de eisende minderheidsaandeelhouders in principe de kosten dragen, tenzij de bestuurders bij een aansluitende minderheidsvordering tot de kosten worden veroordeeld. Ten tweede is het mogelijk een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek in te stellen voor fouten lopende het boekjaar, zonder dat – ingevolge de kwijtingvereiste – een minderheidsvordering voor fouten lopende het boekjaar kan worden ingesteld.

Samengevat zijn het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek en de minderheidsvordering elk afzonderlijk gekenmerkt door verscheidene gebreken, maar daarnaast blijkt ook de verhouding tussen beide procedures niet voldoende gestroomlijnd. Inspiratie voor een model waarin wel sprake is van een geïntegreerd systeem kan worden gevonden bij het Nederlands enquêteonderzoek, bestaande uit twee fasen.

De eerste fase van het enquêteonderzoek is de eigenlijke onderzoeksfase, die eindigt door de neerlegging van een verslag bij de onderzoekskamer (OK). Vervolgens kan de tweede fase worden geïnitieerd, waarin de OK kan besluiten tot wanbeleid (niet: aansprakelijkheid) om vervolgens definitieve voorzieningen te treffen, zoals het ontslag van een bestuurder. Gedurende zowel de eerste als de tweede fase van het enquêteonderzoek kunnen bovendien onmiddellijke voorzieningen worden getroffen, zoals op de schorsing van een bestuurder en tijdelijke aanstelling van een vervanger.

De vergelijking met het Nederlands enquêteonderzoek doet afwijkingen ten aanzien van het Belgische systeem  tevoorschijn komen die mogelijk een productief resultaat kunnen hebben bij het uitwerken van een nieuw model voor het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek en de minderheidsvordering.

Zo kan in de eerste plaats worden gepleit om, naar het voorbeeld van de Nederlandse OK, een bijzondere, gecentraliseerde instantie in te richten die exclusief bevoegd wordt gemaakt voor zowel het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek als de minderheidsvordering. Zo ontstaat een centrale instantie die met de nodige expertise op consistente wijze beslissingen kan nemen. Met name kan worden gedacht aan de mogelijkheid om een bijzondere kamer in te richten bij één van de rechtbanken van koophandel.

Met betrekking tot de kosten kan, opnieuw geïnspireerd door het Nederlands enquêteonderzoek, worden aanbevolen de kosten van het onderzoek te laten dragen door de vennootschap. Slechts indien blijkt dat de vordering niet op redelijke gronden werd ingesteld, kunnen de kosten worden teruggevorderd van de verzoekers. Indien na het deskundigenonderzoek een minderheidsvordering wordt ingesteld, dienen de kosten van het deskundigenonderzoek te worden toegevoegd aan de procedure omtrent de minderheidsvordering. Een succesvolle minderheidsvordering heeft dan tot gevolg dat de bestuurders kunnen worden veroordeeld tot de samengevoegde kosten. Indien de minderheidsvordering niet succesvol is, dienen m.i. de kosten nog steeds te worden gedragen door de vennootschap, tenzij opnieuw het verzoek niet op redelijke gronden werd ingesteld.

Daarnaast is het wellicht wenselijk om in navolging van het enquêteonderzoek de onderzoeksfase (met name het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek) verplicht te laten doorlopen alvorens een minderheidsvordering kan worden ingesteld. Dergelijke verplichting zou zowel voor de minderheidsaandeelhouder als voor de instantie bevoegd voor de behandeling van de minderheidsvordering voordelen opleveren. Voor de minderheidsaandeelhouders is het dan namelijk zo dat de kennisachterstand op afdoende wijze wordt weggewerkt terwijl dankzij voormelde hervorming met betrekking tot de verdeling van de kosten, de verzoekers in principe de kosten niet zullen moeten dragen. Voor de bijzondere instantie die uitspraak moet doen over het slagen van de minderheidsvordering en met name over de aansprakelijkheid van de bestuurders ligt het voordeel in het verslag dat door de onderzoekers aan het einde van het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek zal worden neergelegd. Op basis van dit verslag kan immers een weloverwogen beslissing worden genomen met betrekking tot het al dan niet slagen van de minderheidsvordering in de volgende fase.

Een laatste productief verschil met het Nederlands enquêterecht betreft ten slotte de mogelijkheid tot het treffen van onmiddellijke en definitieve voorzieningen. De meerwaarde van het treffen van onmiddellijke voorzieningen bevindt zich zowel op het niveau van het deskundigenonderzoek als van de minderheidsvordering en de mogelijke voorzieningen moeten m.i. niet limitatief worden opgesomd. Het is bovendien wenselijk dat onmiddellijke voorzieningen genomen tijdens de onderzoeksfase verder lopen tot twee maanden na het afsluiten van het onderzoek, om een vacuüm te vermijden tussen het deskundigenonderzoek en de minderheidsvordering. Het toevoegen van de mogelijkheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen tijdens de onderzoeksfase biedt de mogelijkheid op efficiënte wijze op te treden tegen bestuurshandelingen lopende het boekjaar. De definitieve voorzieningen dienen gelet op hun ingrijpend karakter enkel mogelijk te zijn op het niveau van de minderheidsvordering, met name indien wordt besloten tot de aansprakelijkheid van de bestuurders.

Gelet op het voorgaande kan worden gepleit voor een synthese van de bescherming geboden aan minderheidsaandeelhouders in België en Nederland. Er wordt gekozen voor de term ‘synthese’ aangezien niet wordt geopteerd het Nederlands enquêteonderzoek integraal over te nemen en de huidige regeling van het deskundigenonderzoek en de minderheidsvordering te schrappen. Belangrijke kenmerken van de Belgische regeling blijven immers overeind, zoals het feit dat de minderheidsvordering gericht is op aansprakelijkheid (in tegenstelling tot het enquêteonderzoek, dat hoogstens kan leiden tot het vaststellen van ‘wanbeleid’).

Deze blogpost is gebaseerd op een masterproef verdedigd aan de de KU Leuven. 

Frederik Voet

 

 

1 thought on “De minderheidsvordering: het heilig doel zonder middelen”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s