Is er leven na de vereffening?

Cass 14 februari 2020 (C.19.0108.F/2)

In een arrest van 14 februari 2020 (C.19.0108.F/2) heeft het Hof van Cassatie zich gebogen over de gevolgen van “l’extinction de l’être moral”.

Een partij stelt een vordering in tegen een vennootschap. Tijdens de procedure wordt de vennootschap ontbonden en vereffend. Kan de vennootschap zich post-vereffening (niet post-mortem) nog verdedigen in rechte? Het Hof van Cassatie beantwoordt deze vraag positief.

Het Hof van Cassatie brengt vooreerst in herinnering dat een vennootschap na ontbinding wordt geacht voort te bestaan voor haar vereffening tot aan de sluiting daarvan. Eerst de sluiting van de vereffening stelt een einde (maar niet volledig) aan het “leven” van de vennootschap.

Aux termes de l’article 183, § 1er, alinéa 1er, du Code des sociétés, les
sociétés sont, après leur dissolution, réputées exister pour leur liquidation.

Conformément aux articles 194 et 195 de ce code, la clôture de la liquidation met fin à l’existence de la société.

Na de sluiting van de vereffening behoudt de vennootschap, in casu vertegenwoordigd door haar vereffenaars, gedurende vijf jaar een passieve rechtspersoonlijkheid, ter bescherming van haar schuldeisers.

En vertu de l’article 198, § 1er, du même code, sont prescrites par cinq ans toutes actions contre les liquidateurs, en cette qualité ou, à défaut, contre les personnes considérées comme liquidateurs, à partir de la publication de la clôture de la liquidation.
Cette disposition, qui déroge au principe de l’extinction de l’être moral, vise à assurer la protection des créanciers.

Deze passieve rechtspersoonlijkheid heeft, zo oordeelt het Hof van Cassatie, echter ook een actieve component. De vereffende vennootschap kan zich verweren, en dit zowel tegen vorderingen ingesteld na de vereffening als vordering ingesteld vóór de vereffening (in casu was de vordering zelfs ingesteld voor de ontbinding van de vennootschap)

La société dont la liquidation est clôturée continue d’exister pour répondre tant des actions que les créanciers sociaux peuvent exercer contre elle dans le délai de cinq ans que de celles introduites contre elle avant sa clôture. Il s’ensuit qu’elle peut faire valoir ses moyens de défense contre ces actions.

 

 

Author: Arie Van Hoe

Lawyer (NautaDutilh), voluntary scientific collaborator (University of Antwerp)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s