Experiments

Looking ahead for likely changes to the EU legislation on Alternative Investment Fund Management

A post by guest bloggers Ivan Peeters and Charles-Henri Bernard

1. Investment funds play a key role in modern financial markets to give investors access to investments with the benefit of different layers of structural and regulatory protections. A large and efficient market for investment funds also serves to help sponsors of projects to get access to the large amounts of value that today’s investors seek to invest. This will in particular also apply for the exponentially growing need to invest in sustainable, forward looking projects.

2.  Against this background, the European legislation has created a financial regulation framework for (a) the authorisation and supervision of alternative investment fund managers (AIFMs), (b) the oversight of AIFMs’ activities and services, in their home country as well as in other EU jurisdictions, and (c) the marketing of alternative investment funds (AIFs) (i.e. the distribution of securities issued by AIFs). AIFs are investment funds that are not regulated at EU level by the long established UCITS Directive[1], meaning they are not regulated at “product level” (structure, securities …). Only their management is regulated. AIFs include hedge funds, private equity funds, real estate funds, investment trusts, infrastructure funds and a wide range of other types of investment funds.

3. The key piece of legislation is the Directive 2011/61/EU of the European Parliament and of the Council of 8 June 2011 on Alternative Investment Fund Managers (the AIFMD). It entered into application on 22 July 2013. Continue reading “Looking ahead for likely changes to the EU legislation on Alternative Investment Fund Management”

Launch of the European Insolvency and Restructuring Journal

Recently, the European Insolvency and Restructuring Journal has been launched. In the words of its founders the “European Insolvency and Restructuring Journal is a fully open access and double-blind peer reviewed journal focused on the development of insolvency and restructuring laws and practice in Europe.”

The journal will feature academic articles, practitioners articles and case notes, all fully accessible. The launch of the journal coincides with important developments in European and national insolvency law(s). One to bookmark. From one blog to another: best of luck and ad multos annos.

Over de inbreng in genot

Voor een goed begrip van de tegenwerpelijkheid van de (maatschaps)overeenkomst

De maatschap heeft een eigen vermogen, afgescheiden van de vermogens van de maten. Waar dit onder het W.Venn. door de meeste hedendaagse auteurs werd bepleit, blijkt dit sinds de invoering van het WVV duidelijk uit art. 1:1 en 4:13-4:15 WVV.

Het WVV zegt niet wat het voorwerp is van deze vermogensafscheiding. Mij lijkt het duidelijk dat de maatschapsschuldeisers enkel een bevoorrechte positie hebben t.a.v. de goederen die in onverdeeldheid tussen de maten zijn (K. Geens, “De fundamenten van het vennootschapsrecht dooreengeschud voor de eeuwwende”, in De nieuwe vennootschapswetten van 7 en 13 april 1995, 29, nr. 23; J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, 262, nr. 354.). Anders gezegd: een goed dat een maat enkel in genot inbrengt, zonder overdracht van eigendom of een ander zakelijk recht, kan nog wel door de persoonlijke schuldeiser van die maat worden uitgewonnen. Het gebruiksrecht van de maatschap komt dan wel in onverdeeldheid toe aan de maten, maar dit heeft geen goederenrechtelijke gevolgen voor het goed waarop dit gebruiksrecht betrekking heeft.

Ten onrechte houdt een deel van de moderne (vooral Franstalige) rechtsleer voor dat de vermogensafscheiding ook geldt voor de goederen waarop een louter verbintenisrechtelijk gebruiksrecht is ingebracht. Continue reading “Over de inbreng in genot”

Het belang van IPR bij schuldeisersbescherming bij vennootschappen

Video van presentatie door dhr. Michiel Poesen

Het internationaal privaatrecht is het onderschatte sluitstuk van schuldeisersbescherming. Het zijn immers de IPR-regels die bepalen of schuldenaars dwingende regels kunnen “wegbedingen”, ten nadele van hun schuldeisers, door keuze voor een rechtstelsel dat die regel niet kent. Zo laat ons land sinds kort de insiders van de vennootschap volledig vrije keuze van het toepasselijke vennootschapsrecht. In welke mate beperken andere rechtsdomeinen, zoals het insolventierecht, de rechtskeuze ter bescherming van de schuldeisers?

Dhr. Michiel Poesen (KU Leuven) besprak deze thema’s op 15 oktober 2020. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u ook  in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon.

Delinquent mortgage loans: the EU is working hard to promote solutions for dealing effectively and responsibly with NPLs – Our Belgian supervisory approach needs a change of direction.

A post by guest bloggers Ivan Peeters and Charles-Henri Bernard

1. Under the Belgian regulation on residential mortgage credit (the “ML Regulation”)[1], any individual or legal entity willing to own and hold receivables arising from residential mortgage loans, either by originating such loans or by purchasing mortgage loan receivables, must be authorised as a mortgage lender (“kredietgever inzake hypothecair krediet” / “prêteurs en crédit hypothécaire”). This authorisation shall be requested to, and granted by, the Belgian Financial Services and Markets Authority (the “FSMA”).

2. However, certain derogations from the normal authorisation conditions are available for two special categories of entities:

a) entities that only manage and recover mortgage loans; and

b) certain special types of purchasers of mortgage credit receivables, in particular securitisation vehicles and mobilisation institutions more generally.

These derogations were introduced in the ML Regulation in 2017, when existing mortgage credit lenders and existing mobilisation institutions were required to seek an updated licence (the “2017 Update”).

3. But what about sales of delinquent or defaulted residential mortgage loans. How does this fit within the ML Regulation and, more broadly, within the Belgian regulatory framework? Continue reading “Delinquent mortgage loans: the EU is working hard to promote solutions for dealing effectively and responsibly with NPLs – Our Belgian supervisory approach needs a change of direction.”

Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting

Cass. 11 januari 2021

Vroeger, toen art. 7 Hyp.W. nog onverdund van toepassing was, konden in principe alle tegenwoordige en toekomstige schulden worden verhaald op alle goederen van de debiteur, ongeacht het ogenblik waarop deze werden geacht te zijn ontstaan in zijn vermogen. (Zie wel M.E Storme, Zekerheden- en Insolventierecht, II, p. 561 e.v. voor een overzicht van hypotheses waarin het ogenblik van ‘ontstaan’ van een schuldvordering belangrijk is – bv. derdenbeslag, dat enkel bestaande vordering kan treffen).

Die simpele tijd is niet meer. De laatste 25 jaar trekt het insolventierecht steeds meer cesuren in de tijd, maakt het een onderscheid tussen oud en nieuw.

De kwijtschelding van de restschulden na faillissement, maakt een onderscheid tussen schulden van vóór of tijdens de faillissementsprocedure en nieuwe schulden.

Het nieuwe art. XX.110 § 3 WER trekt deze fresh start naar voren: “Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement.” Nieuwe goederen vallen buiten de boedel, oude erin (zie eerder hier).

Schuldvorderingen in de opschorting zijn “de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissing genomen in het kader van de procedure volgen” (art I.22, 11° WER). Vóór of na het vonnis betekent het verschil tussen in of buiten de opschorting.

Al deze regels nopen tot criteria die bepalen wanneer een goed of een schuld ontstaat.

In een arrest van 11-januari-2021 (C.20.0195.N) moest het Hof van Cassatie oordelen of de schuld tot betaling van de gerechtskosten in of buiten de opschorting was. Het betrof de gerechtskosten voor een procedure opgestart vóór het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie opende, maar waarbij de veroordeling tot het eindvonnis plaats vond dat vonnis. Continue reading “Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting”

Grenzen aan uitkeringen in het vennootschaps- en insolventierecht

Video van presentatie door Prof. Dr. Robbie Tas

Uitkeringen zijn in zekere zin intrinsiek controversieel: ze laten toe dat aandeelhouders, die nochtans achtergesteld heten te zijn, toch al een vermogensvoordeel ontvangen zonder dat alle schulden van de vennootschap moeten zijn betaald.

Prof. Dr. Robbie Tas (KU Leuven, Intui) besprak op 15 oktober 2020 de grenzen aan uitkeringen in het WVV en hun verhouding met de remedies uit het insolventierecht, zoals de pauliana. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u ook  in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon.

Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit

Cass. 11 december 2020 (C.19.0318.N)

In een arrest van 11 december 2020 kwamen enkele principiële vragen in het vizier van het Hof van Cassatie:

1. Geldt de regel dat een aandeelhouder geen afgeleide schade kan vorderen ook na ontbinding van de vennootschap?

2. Kan een aandeelhouder net zoals een schuldeiser de zijdelingse vordering instellen indien de vennootschap (in casu in de persoon van de vereffenaar) weigert een vordering in te stellen?

3. Kan de minderheidsvordering worden ingesteld door een meerderheidsaandeelhouder?; en

4. Kan de minderheidsvordering nog worden ingesteld tijdens de vereffening van de vennootschap?

Continue reading “Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit”

Over examens (en veel meer)

Veel lezers van deze blog bereiden thans de examens voor. Andere lezers houden zich in stilte bezig om eerstgenoemde categorie niet te storen. Nog andere lezers bereiden zich voor op het afnemen van die examens.

Aan al deze lezers wordt, bij wijze van kerstessay (maar dan niet de flauwe variant die deze tijd van het jaar in allerlei kranten terug te vinden is), volgende bijdrage “aangeboden” (de aanhalingstekens zien op het feit dat de bijdrage sowieso door iedereen gratis consulteerbaar is): L. François, “Faut-il supprimer les examens universitaires, les perfectionner ou seulement les ritualiser?“, Revue Universitaire de Liège 1974, 1-35.

Bijna 50 jaar na datum heeft de analyse van professor François nauwelijks aan actualiteit en precisie ingeboet. Een analyse die het onderwerp examens moeiteloos overstijgt en in andere domeinen van de “juristerij” evenzeer toepassing vindt.

Wat er ook van zij: succes aan alle studenten én professoren.

Bestuursaansprakelijkheid bij nakende insolventie – video van presentatie door Professor M. Wyckaert

Video 15 oktober 2020

Het aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders wordt des te nijpender in de schemerzone voor insolventie. De kans neemt dan immers aanzienlijk toe dat schuldeisers (of een faillissementscurator namens hen) de bestuurders persoonlijk verantwoordelijk zullen stellen voor het ontstane tekort. In hoeverre moeten bestuurders werkelijk aansprakelijkheid vrezen voor bv. wrongful trading, onrechtmatige selectieve betaling of kennelijk grove fout?

Deze actuele kwesties werden besproken door Prof. Dr. Marieke Wyckaert op de studiedag aan de KU Leuven op 15 oktober over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan haar presentatie hier bekijken (30 min.).

Meer info over de band tussen het vennootschapsbelang, het schuldeisersbelang en andere normen vindt u in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon

Pand op levende bankrekeningen: Swedbank arrest “revisited”

Een post door gastbloggers Ivan Peeters en Sean Jonckheere

Collateral Richtlijn

1.         De invoering van de Richtlijn 2002/47/EG (de “Collateral Richtlijn”)[1] beoogde een communautaire, geharmoniseerde regeling te bewerkstelligen ter versterking van de positie van de gewaarborgde schuldeiser van een financiële zekerheidsovereenkomst en om systeemrisico’s in de financiële markten beter te kunnen beheersen. De omzetting van de Collateral Richtlijn naar Belgisch recht vond plaats in 2004 middels de befaamde Wet financiële zekerheden[2] (“WFZ”).

2.         De Collateral Richtlijn voorziet in een gunstregime voor de financiële zekerheidsovereenkomsten die onder haar toepassingsgebied vallen. EU-lidstaten zijn onder meer verplicht om bepaalde formaliteiten inzake de totstandkoming, derdenwerking en uitvoering van financiële zekerheidsovereenkomsten te versoepelen en bepalingen inzake insolventierecht van hun nationaal recht niet toepasselijk te verklaren om de afdwinging van financiële zekerheidsovereenkomsten te bevorderen.

Verschaffingscriterium

3.         Een essentiële voorwaarde om als financiële zekerheidsovereenkomsten onder het toepassingsgebied van de Collateral Richtlijn te vallen, is dat de financiële activa (contanten, of financiële instrumenten) die als zekerheid moeten dienst doen worden “verschaft”. Recital (10) bepaalt dat de Collateral Richtlijn enkel handelt over “financiëlezekerheidsovereenkomsten die voorzien in een vorm van het doen van afstand van de controle, d.w.z. de verschaffing als zekerheid van financiële activa, en waarbij de verschaffing als zekerheid van financiële activa schriftelijk of door middel van een duurzaam medium kan worden aangetoond, waardoor de traceerbaarheid van die activa wordt gewaarborgd”. Bijkomend stelt artikel 2 van de Collateral Richtlijn: “Verwijzingen in deze richtlijn naar het „verschaffen” of de „verschaffing” als zekerheid van financiële activa hebben betrekking op een situatie waarin de als zekerheid verschafte financiële activa daadwerkelijk worden geleverd, overgedragen, gehouden, ingeschreven in een register of anderzijds gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of onder de controle komen van de zekerheidsnemer of een persoon die namens de zekerheidsnemer optreedt”. Voor alle duidelijkheid, naar nationaal recht kan een zekerheid geldig zijn zonder deze verschaffing, maar deze zal dan niet kunnen genieten van het gunstregime van de Collateral Richtlijn.

Arrest Swedbank

4.         Net de preciese draagwijdte van deze vereiste van “verschaffing” stond centraal in het Swedbank-arrest.[3] Continue reading “Pand op levende bankrekeningen: Swedbank arrest “revisited””

Freezing out the minority shareholders of Altice Europe: how protective is Dutch law?

On 11 September 2020, Altice Europe announced that it had entered into an agreement with its 78% controlling shareholder, Patrick Drahi, on an all-cash offer of EUR 4.11 per share for all shares in Altice Europe. Mr Drahi has also announced his intention to freeze out any non-tendering shareholders, either through a statutory squeeze-out procedure or through a post-offer merger or asset sale.

In two letters (available here and here), Lucerne Capital Management, a hedge fund, voiced its opposition against the deal, stating that “the vast majority of Altice Europe’s minority shareholders believe that the public offer is nothing more than an illicit attempt by Mr Drahi to exploit the Covid-19 pandemic to yet again transfer massive value to himself, to the detriment of the minority shareholders”. Lucerne also initiated proceedings with the Amsterdam Enterprise Chamber, requesting the court to appoint three independent directors and to block the post-offer merger and asset sale. Three other investment funds, Sessa, Sheffield and Winterbrook filed similar proceedings. Their main criticism was aimed at the post-offer freeze-out techniques. Continue reading “Freezing out the minority shareholders of Altice Europe: how protective is Dutch law?”

Eén plus één is niet altijd twee : Hof van Cassatie over schadebegroting bij post-acquisitie geschillen

In een arrest van 4 december 2020 (C.19.0342.N) oordeelde het Hof van Cassatie over de schadebegroting van de persoonlijke schade in hoofde van de koper bij een post-acquisitie geschil. Het Hof bevestigt hierin dat het verschil tussen de werkelijke financiële situatie van de vennootschap enerzijds en een overschatting van deze financiële situatie in de referentiebalans anderzijds niet zomaar gelijk te stellen valt met de schade van de koper van de doelvennootschap. Continue reading “Eén plus één is niet altijd twee : Hof van Cassatie over schadebegroting bij post-acquisitie geschillen”

Do corporate acts always count as some person’s actions?

A post by guest blogger Prof. Lisa Siraganian (Johns Hopkins University)

Scholars of corporate legal finance tend not to spend a lot of time worrying about how the corporation relates to novels, poems, literary movements. Or to political cartoons, like Udo Keppler’s fascinating 1910 magazine illustration of the shadowy corporation (more on that one below). But maybe they should. That’s what I argue in my new book, Modernism and the Meaning of Corporate Persons, out just now as part of the Law and Literature series from Oxford University Press, edited by Professors Robert Spoo and Simon Stern.  

Udo J. Keppler, “Get after the substance, not the shadow,” Puck 68, no. 1757 (November 2, 1910). Library of Congress Prints and Photographs division, Washington, D.C.

The story begins with the fateful US Supreme Court decision, Santa Clara v. Southern Pacific Railroad, which legitimatized the American legal fiction of corporate personhood in 1886. After that decision, the development of the idea that law could endow a nonhuman entity with certain rights expanded into American culture. And, not surprisingly, the notion that an eerie, insubstantial corporation could be considered similar to persons bothered many actual people throughout the first decades of the twentieth century.

In the book, I explore how and why the possibility that large collective organizations might mean to do what they do—and might mean like us, like persons—both excited and worried American creative writers, artists like Keppler, and theorists of the corporation. In roughly the first half of the twentieth century, these ideas stimulated new thoughts about what it means to act as a person or as a group. It also sparked new thoughts on what it means to intend to act at all. Of course, versions of that conversation continue today, most often as debates on blogs, scholarship, and in heated media discussions, whether on legal personhood, corporate social responsibility, veil-piercing, or corporate criminal liability. But the earlier deliberations on similar issues have remained, until now, an untapped resource to understand corporate action, worked out in entirely different forms. 

For example, consider the law reviews and treatises on contracts and agency law by US Supreme Court Justice Oliver Wendell Holmes, Jr. and law professor Ernst Freund. Or, alternatively, take the inventive modernist poems of Gertrude Stein and the novels of F. Scott Fitzgerald, author of The Great Gatsby and The Love of the Last Tycoon. Whichever you choose, you can find each writer trying to work out the following problem. Namely, if you can’t be sure how to represent or describe a corporate entity, or who exactly intended what a corporation said or acted, then how can you really know what that corporation meant when it “said” something or acted in a certain way? But knowing, or not knowing, mattered. It would determine what you might fairly expect from the various human persons when they work for a corporation. And it would impact how society should treat (or regulate) these corporate entities and what they did in the world. Continue reading “Do corporate acts always count as some person’s actions?”

Gerechtelijke reorganisatie en bestuurdersaansprakelijkheid: een gewaarschuwd bestuurder is er twee waard

Voor ondernemingen in moeilijkheden is een gerechtelijke reorganisatie vaak de laatste optie om een oplossing voor de financiële problemen te vinden. Het gebruik van deze procedure kan dan ook in vele omstandigheden als een daad van zorgvuldig bestuur beschouwd worden. Evenwel biedt deze procedure geen absolute bescherming tegen latere bestuurdersaansprakelijkheid. Deze regel werd op 16 november 2020 in herinnering gebracht door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Dendermonde.

De (boedel van de) failliete bestuurder van een failliete vennootschap wordt door de curatoren van de vennootschap aansprakelijk gesteld op basis van art. XX.227 WER (wrongful trading). Aan deze vordering ligt de vaststelling ten grondslag dat de bestuurder al geruime tijd diende te weten dat de vennootschap manifest verlieslatend en niet rendabel was.

Onmiddellijk voorafgaand aan het faillissement maakte de vennootschap het voorwerp uit van een gerechtelijke reorganisatie (die werd afgesloten met de homologatie van een reorganisatieplan). Put de bestuurder bescherming uit het feit dat de vennootschap een gerechtelijke reorgansatie heeft doorlopen voorafgaand aan het faillissement? De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief, in zeer didactische bewoordingen

Het aanvragen van een bescherming tegen zijn schuldeisers, door middel van een procedure gerechtelijke reorganisatie kan geen middel zijn om een onderneming die geen enkele overlevingskans heeft toch in het economisch verkeer te houden.

De rechtbank heeft bij het openen van de procedure gerechtelijke reorganisatie geen beoordelingsmogelijkheid in verband met de levensvatbaarheid van de onderneming en de kans op slagen van de reorganisatie. Het volstaat voor de rechtbank vast te stellen bij de opening van de procedure dat er nog een economische activiteit is.

Het vragen van bescherming tegen haar schuldeisers, door middel van een procedure gerechtelijke reorganisatie, mag geen middel zijn voor een onderneming, die geen enkele overlevingskans heeft, toch kunstmatig in het economisch verkeer te blijven.

De onderneming die de opening van een procedure gerechtelijke reorganisatie van de rechtbank bekwam dient zelf haar overlevingskansen en de kans op herstel in te schatten. Eens zij tot de conclusie komt of redelijkerwijze tot de conclusie dient te k0men dat geen herstel mogelijk is, zal zij indien de voorwaarden voor faillissement vervuld zijn de boeken dienen neer te leggen. Uit een beslissing van de rechtbank tot opening van de procedure gerechtelijke reorganisatie mag dus niet worden afgeleid dat er een kans op herstel is. Dit is ook het geval met betrekking tot een vonnis waarbij de rechtbank de toegestane opschorting verlengd. Niet altijd heeft de rechtbank voldoende inzicht in de herstelmogelijkheden van de onderneming, oak niet bij een verlenging.

Een onderneming die een gerechtelijke reorganisatie vraagt en rendabel is, zou normaal geen liquiditeitsproblemen mogen kennen. lmmers de schulden uit het verleden dienen niet betaald terwijl zij nag wel inkomsten kan verkrijgen uit activiteiten voor de opening van de procedure. Wanneer na de opening van de procedure schulden worden opgebouwd zoals hierboven onder de randnummers XX tot XX weergegeven, dan moet het voor ieder redelijk ondernemer duidelijk zijn dat de onderneming niet kan worden gered door middel van een collectief akkoord.

Het feit dat verweerder tot deze conclusie niet kwam, terwijl het normaal duidelijk moet zijn geweest voor elk redelijk bestuur, laat toe aan te nemen dat de procedure gerechtelijke reorganisatie middels collectief akkoord enkel werd aangewend om tijd te winnen en een onvermijdelijk faillissement af te wenden.

Het staat vast dat, reeds ruime tijd voor de opening van de procedure gerechtelijke reorganisatie, verweerder wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden. [XX] heeft nagelaten om te handelen als een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder geplaatst in dezelfde omstandigheden.

De sanctie is zwaar (gelet op het reeds tussengekomen faillissement van de bestuurder komt deze sanctie echter ten laste van de persoonlijke schuldeisers van de bestuurder): een veroordeling tot het volledige netto-passief van de vennootschap.

Uit dit vonnis kunnen belangrijke lessen worden getrokken. Veel bestuurders van vennootschappen (en hun adviseurs) beraden zich vandaag over de opportuniteit van een gerechtelijke reorganisatie. Wanneer echter bij voorbaat vaststaat dat een onderneming technisch failliet is en dat een periode van opschorting de put alleen maar zal vergroten, dan is het risico op bestuurdersaansprakelijkheid reëel. Hetzelfde geldt wanneer deze vaststelling gemaakt wordt tijdens de opschorting. Wie moedwillig blind is, riskeert later de rekening gepresenteerd te krijgen.

De onderneming was niet rendabel en de liquiditeitsproblemen waren reeds zowel voor als na de procedure gerechtelijke reorganisatie dermate groot dat iedereen diende te beseffen dat de onderneming afstevende op een faillissement. Alleen de zaakvoerder en zijn vaste vertegenwoordiger wilden dit niet zien.

Dit vonnis kan ook op een positieve manier bekeken worden, namelijk als aansporing om tijdig naar de gerechtelijke reorganisatie te grijpen, op een ogenblik dat een faillissement nog echt en aantoonbaar te vermijden valt. Tevens onderstreept dit vonnis het belang van een goede begroting (art. XX.41, 6° WER) bij aanvang van de gerechtelijke reorganisatie. Hoewel de wetgever hierbij niet uitdrukkelijk bepaalt dat inkomsten en uitgaven minstens gelijk moeten zijn, is dit vanuit aansprakelijkheidsoogpunt zeker aan te bevelen.

Besluit. De gerechtelijke reorganisatie staat ter beschikking van ondernemingen in moeilijkheden. Misbruik of onzorgvuldig gebruik van deze procedure kan bestuurders echter duur te staan komen.