Experiments

Beginselen van Organisatierecht

We maakten voor het vak ‘Bepalingen gemeen aan alle rechtspersonen’ in de Master vennootschapsrecht (KU Leuven) een syllabus met enkele beginselen van het recht voor rechtspersonen, vennootschappen en andere ondernemingsvormen.

Het gaat hier zeker niet om een overzicht van alle of zelfs maar de belangrijkste regels. Het werk dat voorligt heeft de ambitie als een medische scan te zijn. Het wil niet de oppervlakte beschrijven, maar de interne samenhang van regels reveleren en inzoomen op essentiële details, die het systeem dragen dan wel zorgen voor pathologieën.

Dit werk (310 blz), dat nog in aanbouw is, kan hier (Beginselen van Organisatierecht) in pdf-vorm worden geconsulteerd. Continue reading “Beginselen van Organisatierecht”

Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie

Cass. 18 september 2020 (C.18.0353.N)

In een arrest van vandaag 18 september 2020 (C.18.0353.N) vernietigt het Hof van Cassatie het Reglement betreffende de advocaat en insolventie van de Orde van Vlaamse Balies. Het Hof acht de ambtshalve weglating  als gevolg van het loutere faillissement kennelijk onredelijk.

De motivering van het arrest spreekt voor zich: Continue reading “Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie”

Wanneer de beslagrechter bodemrechter is

De beslagrechter is een executierechter, geen bodemrechter. Vroeg of laat wordt elke pleiter in het vuur van zijn/haar betoog aan deze evidentie herinnerd. Betwistingen over de materieelrechtelijke positie van de partijen zijn in principe het voorbehouden domein van de bodemrechter. In een belangrijk arrest (C.20.0017.N/3) van 4 september 2020, brengt het Hof van Cassatie echter in herinnering dat de beslagrechter een volwaardig executierechter is, die, precies om zijn rol als executierechter te kunnen vervullen, soms wel als bodemrechter uitspraak doet. Continue reading “Wanneer de beslagrechter bodemrechter is”

Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective

A guestpost by Prof. Dr. Reinhard Bork (Universität Hamburg)

 

The financial shipwreck of a company is a customary event in nearly all states of the world. Most jurisdictions have special statutes addressing this topic and they are – beyond terminological issues – all dealing with the same questions: how is the term “insolvency” defined? How are insolvency proceedings commenced? What are the responsibilities of the court on the one hand and of the Insolvency Practitioner on the other hand? Are there various classes of creditors and what are their procedural and substantive rights? How is the insolvency estate determined? What are the effects of the opening of insolvency proceedings on the estate? What are the consequences for executory contracts or rights to set-off? Can transactions performed prior to the opening of insolvency proceedings be reversed to the benefit of the general body of creditors? What is the legal position of secured creditors? Is restructuring of an insolvent company a possible scenario and what are the differences between liquidation and restructuring proceedings? Which rules apply to cross-border affairs, e.g. to assets located in a foreign jurisdiction? Continue reading “Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective”

Het Hof van Cassatie over de gevolgen van de verbreking van een overeenkomst door de curator

Als de curator besluit tot niet-uitvoeren is de overeenkomst met de gefailleerde wel degelijk beëindigd

Op 4 september jl. sprak het Hof van Cassatie een belangwekkend arrest (C.20.0011.N) uit over een miskend principe: het verbod op uitvoering in natura van een contractuele verbintenis van de gefailleerde tegen de faillissementsboedel. Tegelijk kon het Hof die regel aanvullen met een regel over de omvang van de schadevergoeding die ten gevolge van  de niet-uitvoering een verbreking door de curator een schuld in de boedel zal zijn.

Eerst een stap terug naar de principes van samenloop bij faillissement.

Een gevolg van de samenloop is dat de onderlinge rang van de samenlopende schuldeisers wordt “gefixeerd” op het ogenblik van het faillissementsvonnis. Hun onderlinge rang wordt bepaald op basis van de toestand op het ogenblik van faillietverklaring.

Dit “fixatiebeginsel” (vaak – maar verwarrend – ook “gelijkheidsbeginsel” genoemd) verzet zich ook tegen een gedwongen uitvoering in natura tegen de boedel, in ieder geval waar het een verbintenis tot overdracht (“dare”) of tot doen (“facere”) zou betreffen (E. Dirix, “Faillissement en lopende overeenkomsten”, RW 2003-04, 204, nr. 9).

Wellicht zijn er weinig regels van privaatrecht die tegelijk zo onbekend en zo fundamenteel zijn. Continue reading “Het Hof van Cassatie over de gevolgen van de verbreking van een overeenkomst door de curator”

European Financial Regulation: Levelling the Cross-sectoral Playing Field

Oxford Webinar on Sep. 25th.

The KU Leuven Jan Ronse Institute, the Oxford Commercial Law Centre and the Nijmegen Radboud Business Law Institute are co-organising a webinar on the book “European Financial Regulation: Levelling the Cross-sectoral Playing Field”, edited by Veerle Colaert, Danny Busch and Thomas Incalza.

The event takes place on the 25th of September, from 3.45-6pm CET (2.45-5pm London time).

Participation in the webinar is free of charge, but prior registration is required, via the following link.

At the webinar, internationally renowned scholars in financial regulation, including John Armour, Danny Busch and Georg Ringe, will discuss key topics such as FinTech, corporate governance, conflicts of interest and the suitability test, all from a cross-sectoral perspective. They will show that very similar rules apply in banking, securities and insurance regulation and will discuss whether and why differences are necessary, or whether, on the contrary, a more cross-sectoral approach would be beneficial.

This innovative approach is aimed at informing law and policymakers on potential improvements to EU financial regulation whilst also supporting legal and compliance professionals applying the current framework or looking to streamline compliance processes.

Programme

2:45 Welcome and introduction
Professor Kristin van Zwieten (Chair of Sessions)
Clifford Chance Associate Professor of Law and Finance, University of Oxford; Fellow and Tutor in Law, Harris Manchester College, University of Oxford

3:00  Levelling the cross-sectoral playing field
Professor Veerle Colaert
Financial Law Chair, Jan Ronse Institute for Company and Financial Law, KU Leuven University 

3:20 Towards European harmonisation of know-your-customer obligations for investment products
Professor Danny Busch
Financial Law Chair, Director, Financial Law Centre, Radboud University Nijmegen; Research Fellow, Harris Manchester College, and a Fellow of the Commercial Law Centre at Harris Manchester College, University of Oxford

3:40 Reflections on Governance in the Financial Sector
Professor John Armour
Professor of Law and Finance, University of Oxford

4:00 How to regulate Fintech in the EU?
Professor Wolf- Georg Ringe
Chair for Law & Finance, University of Hamburg
Visiting Professor, University of Oxford

4:20 Conflicts of interest and inducements: a cross-sectoral analysis of a fragmented reality  
Professor Thomas Incalza
Research Fellow, KU Leuven University; University of Hasselt

4:40 Discussion

5:00 Closing remarks by Professor Kristin van Zwieten

Kan een “taxatiebureau” überhaupt het ereloon van een curator wettelijk gezien taxeren ?

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Iedereen die optreedt als curator, komt – meer dan hem lief is – in aanraking met zogenaamde “pro-deo faillissementen”.  De “lege dozen” waarbij er onvoldoende actief is om zelfs bv. het minimumereloon van de curator te voldoen. In een zeer nabij verleden beschikte elke afdeling van een Ondernemingsrechtbank over een “potje werkingsmiddelen” waaruit pro-deo staten van curatoren en voorlopige bewindvoerders werden betaald. De staat van ereloon en kosten werd bij vonnis begroot door de rechtbank waarbij de kosten ten laste van de Belgische Staat werden gelegd en op basis van dit vonnis, betaalde de griffie – afhankelijk van rechtbank – redelijk vlot uit.

Echter, sinds 1 januari 2020 zijn de zogenaamde arrondissementele taxatie – en vereffeningsbureau ’s in werking getreden. Dit klinkt gewichtig, doch in wezen betreft het “taxatiebureau” een griffier op het niveau van de hoofdzetel van de rechtbank van eerste aanleg die voortaan de prestaties van de curator in een pro-deo faillissement zal taxeren. Na deze taxatie, moet de curator zich vervolgens wenden tot het “vereffeningbureau”, zijnde een ambtenaar van de Stafdienst Begroting en Beheerscontrole van de FOD Justitie die de pro deo kostenstaten opnieuw verifieert en daadwerkelijk “vereffent”  (betaalt).

U leest het goed. Een griffier (geen rechter) van een rechtbank van eerste aanleg (geen Ondernemingsrechtbank) zal de staat van ereloon en kosten van een curator voortaan “taxeren”. Onder “taxeren” wordt m.i. toch nog steeds begrepen “het appreciëren  van prestaties en verifiëren van uitgaven en hieraan een gepast ereloon en kostenstaat koppelen”. Deze gehele herstructurering zou moeten leiden tot een snellere betaling (sic).[1]

Continue reading “Kan een “taxatiebureau” überhaupt het ereloon van een curator wettelijk gezien taxeren ?”

De maatschap in fiscalibus: (on)verdeelde meningen over het afgescheiden vermogen

Een post door Desmyttere en Landuyt over VLABEL-beslissing over registratierechten bij inbreng in een maatschap

De maatschap is sedert haar receptie in België in de jaren ’90 uitgegroeid tot waarschijnlijk het belangrijkste instrument in het kader van de (familiale) vermogensplanning. Een maatschapsstructuur laat namelijk toe de controle over activa te splitsen van de economische rechten op deze activa, en dit op een fiscaal interessante wijze.

Het archetype is de situatie waarbij de ouders (een deel van) hun vermogen inbrengen in een maatschap en hun deelbewijzen – al dan niet in blote eigendom – schenken aan de kinderen. Daarbij betonneren ze zichzelf als zaakvoerder van de maatschap waardoor de kinderen niet kunnen beschikken over het ingebrachte vermogen. Na het overlijden van de ouders en de ontbinding en vereffening van de maatschap vloeit het vermogen dan in volle beschikking naar de kinderen, zonder dat er nog bijkomende erfrechten moeten worden betaald.

De maatschap heeft voor een controlesplitsing enkele voordelen ten aanzien van andere vennootschapsvormen. Vooreerst is er door het sterk suppletieve karakter van de maatschap meer vrijheid om de statuten naar eigen inzicht vorm te geven. Waarschijnlijk belangrijker is het fiscaal transparante karakter van de maatschap als niet-rechtspersoon in de inkomstenbelasting (i.t.t. de vennootschap-rechtspersoon die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen).

Ook na het WVV zal de maatschap als instrument van familiale vermogensplanning niet snel verdreven worden door andere vennootschapsvormen.[1] Dit is des te meer het geval nu de wetgever met de erkenning van het afgescheiden vermogen van de maatschap in het WVV een belangrijke juridische onzekerheid heeft weggenomen.

Waar het bij een zakenrechtelijk afgescheiden vermogen juridisch zeer duidelijk is dat de persoonlijke schuldeisers van de maten de maatschapsgoederen niet rechtstreeks kunnen uitwinnen, is dit minder het geval indien het afgescheiden vermogen niet wordt erkend en het vermogen louter een verbintenisrechtelijke constructie blijft.

Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid in hoofde van de maatschap vormde traditioneel het argument om de maten in een maatschap te kwalificeren als mede-eigenaar van de goederen behorende tot het “maatschapsvermogen”. De klassieke visie was dan ook dat de maatschap geen zakenrechtelijk afgescheiden vermogen had. Langzamerhand werd evenwel aan die premisse – voornamelijk in de rechtsleer – geknabbeld.

Artikel 1:1 WVV lijkt de discussie definitief te beslechten: ‘een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen [ ]’ Iedere vennootschap, ongeacht of zij rechtspersoonlijkheid heeft, beschikt aldus over een eigen, op basis van de wet erkend, vermogen. De oprichting van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de maatschap, voert dan ook een scheiding in tussen het vermogen van de deelgenoten en het vennootschapsvermogen. Voor de twijfelaars worden de principes van het afgescheiden vermogen in de artikelen 4:13 tot 4:15 WVV voor de maatschap nog even in detail bevestigd.

Dit is ook belangrijk in fiscalibus. De vraag of de maatschap nu wel of niet een afgescheiden vermogen heeft is al vele jaren een heikel punt bij de berekening van de registratierechten verschuldigd bij een inbreng van onroerende goederen in een maatschap.[2] Ook na de invoering van het WVV zijn alle onduidelijkheden daarover de wereld nog niet uit. Dit bleek andermaal uit een voorafgaande beslissing van de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL), waarvan wij de feiten en conclusie ontleden in een recent nummer van het Notarieel en Fiscaal Maandblad.

Continue reading “De maatschap in fiscalibus: (on)verdeelde meningen over het afgescheiden vermogen”

De nieuwe regels voor bestuurdersaansprakelijkheid

live webinar op vrijdag 4 sep. (13u-17u) door KMO Campus

Met welke nieuwe risico’s moet een bestuurder rekening houden en wat zijn precies de nieuwe regels inzake bestuur en aansprakelijkheid?

Prof. Joeri Vananroye (KU Leuven) en Prof. Stijn De Dier (U Antwerpen), beiden advocaat bij Quinz, overlopen in een live webinar de nieuwe regels en een aantal gewijzigde specifieke aansprakelijkheidsgronden (self dealing, belangenconflicten, misbruik vennootschapsgoederen, wrongful trading, uitkeringen in de BV, enz.), en bespreken welke voorzorgen kunnen worden genomen om persoonlijke aansprakelijkheid in te perken.

Continue reading “De nieuwe regels voor bestuurdersaansprakelijkheid”

Investeringskrediet en wederbeleggingsvergoeding. Licht aan het einde van de tunnel na recente cassatiearresten?

Een post door gastblogger Mr. Cedric Haspeslagh

Ondernemingen die een krediet vervroegd willen terugbetalen worden vaak geconfronteerd met de verschuldigdheid van een wederbeleggingsvergoeding, die hoog kan oplopen.

De rechtmatigheid van het bedrag van de wederbeleggingsvergoeding is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de kredietovereenkomst een lening of een kredietopening is[1].

Over de kwalificatie van investeringskredieten bestaat veel discussie. Het Hof van Cassatie heeft zich hierover uitgesproken in zijn arresten van 27.04.2020 (C.19.0602.N) en 18.06.2020 (C.19.0140.N). Continue reading “Investeringskrediet en wederbeleggingsvergoeding. Licht aan het einde van de tunnel na recente cassatiearresten?”

Oei kijk nu… foutjes in de (insolventie)wet

Een post door gastblogger meester V. Verlaeckt

Dat de “nieuwe” insolventiewet niet de prijs zal winnen voor het best wetgevend werk van het laatste decennia, is voor de meeste beoefenaars van de insolventiesport ondertussen duidelijk. De wetgever heeft kansen laten liggen om bepaalde onzekerheden weg te nemen en heeft er extra gecreëerd. Ook de noodzakelijke “handleiding” (i.e. parlementaire voorbereiding) is weinig dienstig en soms gewoonweg tegenstrijdig met de uiteindelijk wettekst. De “wil van de wetgever” moet niet enkel duidelijk zijn voor de auteurs van de wettekst, maar ook voor diegene die de wet alle dagen moeten gebruiken. De gezaghebbende (lezenswaardige) handboeken over insolventierecht zouden misschien niet de omvang hebben die zij nu hebben, mocht de insolventiewet (en dan vooral op procedureel vlak) zorgvuldig zijn opgesteld.

Voor zij die ondertussen vinden dat ik te streng, hovaardig of een muggenzifter ben, wijs ik U even naar het ogenschijnlijk onschuldig artikel XX.106 WER.  Blijkbaar vindt niemand – nu na meer dan twee jaar na de inwerkingtreding ervan  – de tekst van dit wetsartikel wat “vreemd”. De tekst luidt:

Het vonnis van faillietverklaring wordt op verzoek van de curatoren aan de gefailleerde betekend.. Het exploot van betekening bevat op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen XX.107 en XX.108, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van de artikelen XX.145 en XX.165.

Welnu, de verwijzingen naar artikel XX.107,  XX.108,  XX.145 én XX.165 WER zijn volstrekt foutief, zoals in “verkeerd” en “onjuist”. Continue reading “Oei kijk nu… foutjes in de (insolventie)wet”

Het “Erfolgsort” als aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid bij collectieve onrechtmatige daadsvordering wegens paulianeuze verhaalsbenadeling

Vervolguitspraak Hoge Raad 3 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1223) na arrest HvJ EU in zaak C-535/17

Op 6 februari 2019 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese EU (HvJ EU) dat een Peeters/Gatzen-vordering (PGV) die een Nederlandse curator instelt tegen een derde die betrokken is bij de paulianeuze verhaalsbenadeling van de schuldeisers van een failliete vennootschap moet worden aangemerkt als vordering tot schadevergoeding die onder de verwijzingsregels van de Brussel I (bis)-Verordening valt. De Hoge Raad, die het prejudiciële verzoek had ingediend, beantwoordt in een arrest van 3 juli 2020 zelf de vraag of hij op grond van Brussel I (bis) bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.

Continue reading “Het “Erfolgsort” als aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid bij collectieve onrechtmatige daadsvordering wegens paulianeuze verhaalsbenadeling”

De bijzondere begroting van de bijzondere bestuursaansprakelijkheid voor RSZ-schulden

Aansprakelijkheid kan worden gereduceerd tot 1 EUR (Cass. 18 juni 2020, C.19.0258.N)

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de RSZ-schulden in hoofde van een bestuurder van een failliete onderneming die in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring (feitelijk) bestuurder is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen met openstaande RSZ-schulden (huidig art. XX.226 WER) zorgt al enige tijd voor controverse. Uit het recente aanbod van het Hof van Cassatie omtrent de invulling van die – in vergelijking met naburige rechtsstelsels – ongewone aansprakelijkheidsgrond konden we alvast thema’s selecteren, met een recent arrest van vorige maand als  blikvangen:

Continue reading “De bijzondere begroting van de bijzondere bestuursaansprakelijkheid voor RSZ-schulden”

Ceci n’est pas un dualisme?

Een post door gastblogger Professor J. Delvoie (VUB)

In een bijdrage voor het recentste TPR-nummer, verwonder ik mij over het feit dat het nieuwe duale bestuursmodel in de NV wat de bevoegdheidsverdeling tussen raad van toezicht en directieraad betreft, statutair net zo à la carte kan worden ingevuld als het oude regime “524bis”.

Dat is merkwaardig, omdat het oude regime op dat punt nu net met alle zonden Israëls was overladen door de pleitbezorgers van het dualisme, minister Geens op kop. Het is nog merkwaardiger dat de memorie van toelichting op dit punt de lezer volledig op het verkeerde been zet. Hij insinueert dat in het dualistische model de bevoegdheden van beide organen voortaan enkel bij wet worden vastgelegd (MvT WVV, 14, 236).

De wettekst zelf bepaalt nochtans uitdrukkelijk het tegendeel: “De statuten kunnen de bevoegdheid van de directieraad beperken” (art. 7:110, eerste lid, tweede zin WVV). Duidelijker kan niet. De bevoegdheden van de directieraad nu zijn even à la carte als die van het directiecomité vroeger. Voeg daarbij alle andere vroegere wezenskenmerken van de NV die voortaan à la carte zijn (exclusief winstoogmerk, aantal stemmen per aandeel, collegialiteit van het bestuur, soepel ontslag van het bestuur, ja zelfs beperkte aansprakelijkheid van het bestuur, en ga zo maar door), en je stelt vast dat de NV een waar Chinees eetfestijn werd. Mij niet gelaten, maar ik zou hier drie vaststellingen aan koppelen: Continue reading “Ceci n’est pas un dualisme?”

Heeft het Hof van Cassatie de drempel verlaagd voor het faillissement van een vennootschap in vereffening?

Cass. 5 juni 2020 (C.19.0550.F)

Ook na haar ontbinding blijft de vennootschap in vereffening een onderneming; ze blijft dus onderworpen aan de verplichting om desgevallend aangifte van staking van betaling te doen (zie onder het oude faillissementsrecht: Cass. 17 juni 1994, AC 1994, 637).

Wel krijgen de faillissementsvoorwaarden een andere invulling in geval van een vennootschap in vereffening. Het Hof van Cassatie oordeelde immers dat het feit dat een belangrijk deel van de schuldeisers het vertrouwen behoudt in de vereffening, een element is waarop de rechter zijn oordeel kan steunen dat de vennootschap nog haar krediet behoudt (geen “geschokt krediet”, één van de faillissementsvoorwaarden) en dus niet in staat van faillissement is (o.a. Cass. 14 januari 2005, RW 2005-06, 429). Dit geldt zelfs wanneer het waarschijnlijk is dat de vereffening deficitair zal zijn.

Vanzelfsprekend is deze rechtspraak niet, omdat een vereffening niet dezelfde waarborgen biedt als een faillissement. Een curator is anders dan een vereffenaar een neutrale bewindvoerder aangesteld door de rechtbank.

De curator heeft ook bevoegdheden die verder gaan dan die van een vereffenaar. Zo heeft de curator de mogelijkheid om de actio pauliana in te stellen, kan hij handelingen tijdens de verdachte periode aanvechten van de ‘vereenvoudigde pauliana’ en kan hij de bijzondere faillissementsaansprakelijkheden van art. XX.224 e.v. WER instellen.

Met een arrest van 5 juni 2020 (C.19.0550.F) lijkt het Hof van Cassatie de drempel voor het faillissement van een vennootschap in vereffening te verlagen. De vordering in faillissement van een ‘minderheidsschuldeiser’ kan gegrond worden verklaard, zelfs bij afwezigheid van fraude, zelfs indien de vereffenaar geen verwijt treft, indien er aanwijzingen zijn dat de beslissing van de algemene vergadering om te kiezen voor een vrijwllige vereffening nadelig is voor de schuldeisers doordat die het voordeel van de actiemogelijkheden van een curator ontneemt. Continue reading “Heeft het Hof van Cassatie de drempel verlaagd voor het faillissement van een vennootschap in vereffening?”