De aanvechting van ‘incongruente’ handelingen onder huidig recht en na de Insolventierichtlijn: het voorbeeld van de omzetting van het hypothecair mandaat

Themis Insolventierecht

Op grond van art. XX.111 WER kunnen o.m. de volgende transacties verricht tijdens de verdachte periode niet aan  de boedel worden tegengeworpen:
“2° alle betalingen, hetzij in geld, hetzij bij overdracht, verkoop, of anderszins, wegens niet vervallen schulden, en alle betalingen anders dan in geld of in handelspapier, wegens vervallen schulden;
3° alle bedongen hypotheken en alle rechten van gebruikspand of van pand, op de goederen van de schuldenaar gevestigd wegens voordien aangegane schulden.”

Art. XX.111, 2° en 3° WER hebben betrekking op abnormale betalingen (bv. betaling voor de vervaltermijn) en betalingswijzen (bv. betaling in natura van een geldschuld) resp. op zekerheden gevestigd voor oude schulden. Dergelijke rechtshandelingen zijn verdacht, omdat ze afwijken van de oorspronkelijke rechtspositie. Dergelijke afwijkende handelingen worden ook wel “incongruent” genoemd (Preambule Insolventierichtlijn, r.o. 11).

Wat “afwijkend” en dus “incongruent” is, is evenwel voor interpretatie vatbaar.

Continue reading “De aanvechting van ‘incongruente’ handelingen onder huidig recht en na de Insolventierichtlijn: het voorbeeld van de omzetting van het hypothecair mandaat”