Wat is de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid?

M. Wyckaert m.m.v. D. Alper “Faillissementsaansprakelijkheid van bestuurders en feitelijke bestuurders”

Onlangs verscheen bij Intersentia Leerstukken Ondernemingsrecht (eds. J. Vananroye en D. Van Gerven), een overzicht van enkele belangrijke thema’s uit het ondernemingsrecht na de hervormingen van het WER, het WVV en het nieuw BW.  In de bijdrage “Faillissementsaansprakelijkheid van bestuurders en feitelijke bestuurders” bespreken Professor Marieke Wyckaert (KU Leuven) en meester Dogan Alper (Braeckmans Advocaten) de interactie tussen de nieuwe bepalingen inzake bestuursaansprakelijkheid in het WER en in het WVV. Onder de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid komt aan bod:

“De aanknopingsfactor om het toepasselijke insolventierecht af te bakenen wordt bepaald door het centrum van de voornaamste belangen (meestal aangeduid als het COMI of “centre of main interest”), waarbij voor rechtspersonen het COMI tot bewijs van het tegendeel wordt geacht zich te bevinden op de plaats van de statutaire zetel: dat bewijs moet worden geleverd aan de hand van een werkelijke zetelleer-benadering.[1] Daarnaast kan in elk land met een vestiging een secundaire, lokale procedure worden geopend.[2] Boek XX WER verandert niets aan deze rechtstreeks toepasselijke Europese regel. Continue reading “Wat is de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid?”

Zal het insolventierecht de wereld redden?

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (8)

Eerdere posts schonken aandacht aan enkele technologieën om de scherpe kantjes van afgescheiden vermogen en beperkte aansprakelijkheid af te vijlen: publiciteit, en uitkeringsverplichtingen, uitkeringsbeperkingentoerekeningsregels voor vennootschapsschuldenbestuursaansprakelijkheid.

Deze technologieën staan onder druk. Het internationaalrechtelijk aanknopingspunt voor deze regels wordt immers in belangrijke mate bepaald door het het toepasselijke vennootschapsrecht: de lex societatis. In België gold dat je het toepasselijk vennootschapsrecht niet vrij kan kiezen: je moet het recht kiezen van het economische zwaartepunt van de vennootschap, de werkelijke zetel. Vanuit het idee dat de rechtspersoon in belangrijke mate een figuur met derdenwerking is, vind ik het geen gek idee dat de insiders niet totaal vrij kunnen kiezen. Bij een contract ligt vrije keuze voor de hand; bij figuren met derdenwerking dringt een objectieve aanknopingsfacor zich op. In het goederenrecht is dit de lex rei sitae, de plaats waar een zaak zich werkelijk bevindt, in het vennootschapsrecht is dat de werkelijke zetel. De keuze om vrij het toepasselijk recht te kiezen voor figuren die tegenwerpelijk zijn aan derden wordt in The Code of Capital van Pistor terecht als zeer problematisch beschreven. Continue reading “Zal het insolventierecht de wereld redden?”

The Walls Have Fallen, Run for the Keep

In one of our previous posts, we observed that the EU Court of Justice seems to be more lenient towards creditor protection measures in insolvency law than towards comparable measures in company law (see C‑594/14, Kornhaas). Moreover, the connecting factor for insolvency law (the so-called Centre of Main Interests, COMI) is not (entirely) freely selectable. Therefore, we concluded, Member States wishing to impose national requirements on non-domestic EU companies should make sure that these requirements are designed as rules of insolvency law.

A more detailed analysis of the Kornhaas judgment and its consequences for creditor protection mechanisms in both company and insolvency law can be found in G. Lindemans, “The Walls Have Fallen, Run for the Keep: Insolvency Law as the New Company Law for Third Parties”, ERPL 2016, vol. 5, 877-891, which was published earlier today.