Het winstoogmerk als onvermoed instrument van schuldeisersbescherming

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (5)

In het Belgische vennootschapsrecht staat het winstoogmerk centraal, ook na de invoering van het WVV (zie art. 1:1). De vennootschap heeft een plicht om gericht te zijn op uitkeringen, hetzij bij leven door middel van dividenden of andere uitkeringen hetzij door middel van een liquidatie-overschot.

In de 19de eeuw werd aan dit uitkeringsgebod zeer streng de hand gehouden. Het was een wapen tegen gebruik – in de toenmalige perceptie van de liberale juridische elite: ‘misbruik’ – van de vennootschapsvorm voor non profit doeleinden, in het bijzonder kerkelijke gestichten zoals kloosters of colleges (zie hier mijn rede hierover in het Hof van Cassatie bij de opening van het gerechtelijk jaar in 2012). Dit werd beschouwd als een terugkeer naar de mainmorte, de dode hand, van voor de Franse revolutie.

De Universiteit van Leuven, bijvoorbeeld, verloor haar rechtspersoonlijkheid in 1797 bij de inlijving van de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk en kreeg die pas terug in 1911. De huidige KU Leuven – met als officiële naam “Katholieke Universiteit te Leuven” –  is overigens nog een andere rechtspersoon dan die uit 1911 en werd door de oude Universiteit opgericht bij de splitsing in een Nederlandstalige en een Franstalige universiteit. De juridische splitsing bestond nog niet. De oude Universiteit uit 1911,  “Université Catholique de Louvain – Katholieke Universiteit te Leuven”, bestaat nog als rechtspersoon. De fonds de commerce van deze oude Universiteit werd overgedragen aan de twee opvolgers. (Er zijn me geen berichten bekend van verhaalsbenadeling bij deze nochtans delicate operatie.) 

Tot voor kort heb ik er voor gepleit dat het uitkeringsgebod zou worden opgeheven (zie de “parabel van het afgesneden worstje“). Het historisch wantrouwen tegen non profits is immers niet meer een actuele bekommernis. Een tiental jaar na het terug toekennen van de rechtspersoonlijkheid aan de Universiteit van Leuven werd het in het algemeen mogelijk om verenigingen met rechtspersoonlijkheid op te richten (Wet van 27 juni 1921).

Ik ben tot inzicht gekomen.

Het uitkeringsgebod is immers een essentieel onderdeel in het verzachten van de nadelen van vermogenssplitsing.  Enkel de uitkeringsgerichtheid van de vennootschap zorgt er immers voor dat de aandeelhouder een interessante bundel rechten krijgt. Hierdoor krijgen de aandeelhouders – en vooral : hun persoonlijke schuldeisers – liquiditeit zonder dat het afgescheiden vermogen moet worden geliquideerd. Door de uitkeringsgerichtheid wordt beslag interessant. Vermogenssplitsing creëert in het ondernemingsrecht – ten minste in the good story – een nieuw verhandelbaar goed.

Vergelijk met het goederenrecht waar een zakelijk recht bezwaard met een ander zakelijk recht of een bevoorrecht passief (bv. hypotheek), doorgaans voor alle praktische doeleinden onbeschikbaar wordt. Winstoogmerk maakt van aandelen interessante goederen voor overdragen en beslag; beslag op aandelen is een essentiële technologie ter verzachting van de nadelen van vermogenssplitsing.

Joeri Vananroye

Deze post is deel van een reeks gebaseerd op de oratie uitgesproken aan de Universiteit Leiden op 1 april 2019 in het kader van de TPR Wisselleerstoel.

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

One thought on “Het winstoogmerk als onvermoed instrument van schuldeisersbescherming”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s