Morele wezens en wetsontduikende monniken

Een longread in kerstsfeer over de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid

Wetsontduikende witheren

2 mei 1845. In Averbode wisselt de Norbertijn Jan-Zacharie Carleer, provisor van de Abdij, het tijdelijke voor het eeuwige. Zoals dat hoort bij een overleden geestelijke zijn er geen kinderen of  langstlevende echtgenoot noch andere reservataire erfgenamen. Bij testament had Carleer een andere Norbertijn van dezelfde abdij als algemeen erfgenaam aangesteld.

Er duikt echter een minder piëteitsvolle neef op, Jean-François Mertens, die de geldigheid van het legaat aanvecht en de erfenis opeist. De argumentatie van de verongelijkte – of zo men wil: inhalige –  neef kan als volgt worden samengevat in drie stappen.

Eén: de Norbertijn aangesteld als testamatair erfgenaam is volgens de neef slechts een stroman (“personne interposée”) van een vereniging tussen Norbertijnen. Tussen Carleer en een 13tal anderen was er immers een vennootschapovereenkomst (“eene associatie van saemenleving en ingemeenschap”), een maatschap zouden we nu zeggen, waarbij elk van de vennoten het grootste stuk van zijn vermogen inbracht.

Twee: deze vennootschap tussen Norbertijnen is, aldus de neef, verboden. De hoofdaaanklacht daarbij is dat het niet werkelijk gaat om een vennootschap maar om een vereniging: de samenwerking zou heeft een spiritueel doel hebben en is niet gericht op het verdelen van winst. Verzwarende omstandigheid daarbij is dat de vennootschaps­overeenkomst bepaalt dat ze niet wordt ontbonden bij overlijden van een vennoot. De vennootschap wordt verdergezet, en het deel van de overleden vennoot verblijft aan de overlevende maten. Een tontine-beding zouden we nu zeggen. Hierdoor, aldus de neef, hebben de Norbertijnen hun eigen rechtspersoon geknutseld : een entiteit die het overlijden van de leden overleeft en waardoor de verenigingsgoederen aan de regels van het erfrecht worden onttrokken.

Derde logische stap in de argumentatie van de neef: deze verboden vereniging kan niet de begunstigde zijn van een legaat; dus het testament is ongeldig en de erfenis komt toe aan de familie (waaronder dus de neef).

De inzet van dit erfenisgeschil is groot: de overleden Norbertijn had immers in 1802, na de opheffing van de religieuze congregaties in de nasleep van de Franse revolutie, de gronden, landerijen en gebouwen van de oude abdij gekocht.

Nadat de neef eerst bot vangt bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, volgt het hof van beroep van Brussel hem.[i] Het hof laat het bewijs toe dat de vereniging tussen de monniken nietig is, dat het legaat in werkelijkheid deze vereniging begunstigt en dus zelf ook nietig is. Een cruciale overweging hierbij is dat de overeenkomst via voortzettingsclausules en de uitsluiting van scheidingsaandelen erop gericht was om buiten de wetgever een “être moral” te creëren, een moreel (in de zin van: onstoffelijk) wezen, onderscheiden van de individuen die het samenstellen.

Er wordt cassatieberoep ingesteld bij het hoogste Hof waar we vandaag te gast zijn. In een arrest van 1862  – van dit paleis moest de eerste steen nog gelegd worden –  volgt het Hof van Cassatie de neef.[ii] Het Hof stelt dat de schenking gebeurde aan een “être moral qui n’étant pas réconnu comme personne civile, est incapable de recevoir.”

Ik hertaal: de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid wordt aangewreven dat ze op verregaande wijze de kenmerken van een rechtspersoon had (“être moral”) zonder te voldoen aan de voorwaarden die de wetgever voor die rechtspersoonlijkheid had ingesteld (“pas reconnu comme personne civile”). Concreet betekenden die voorwaarden in die tijd vooral: een individuele goedkeuring en erkenning van de betrokken vereniging door de overheid.

Deze stelling wordt ook onderbouwd in door vooraanstaande rechtsgeleerden, niet zelden uit anticlericale hoek.  Bekend is de uitspraak van François Laurent dat telkens een monnik een boterham eet – met de in gemeenschap gebrachte middelen – hij een wetsontduiking begaat. Eén van de advocaten in het geschil rond Averbode schrijft er een nog altijd indrukkend boek over: Auguste Orts, stafhouder bij de balie van het Hof van Cassatie, parlementsvoorzitter en hoogleraar aan de Universiteit van Brussel.[iii] U kent hem misschien beter van zijn borstbeeld met uitgedroogd fonteintje tegenover de Beurs hier in Brussel op de hoek van de naar hem genoemde Ortsstraat.  Is het de wraak van de wetsontduikende monniken dat, letterlijk achter zijn rug, vandaag hamburgers worden verkocht?

Relevantie voor hedendaags verenigingsrecht

Waarom deze historische uitstap naar de stille kempen en een onschuldige tijd toen geestelijken enkel werd aangewreven onrechtmatig boterhammen te eten?

Laat ik beginnen met wat niet meer relevant is.

Vandaag kunnen we ons nauwelijks nog de 19de-eeuwse weerstand voorstellen tegen een vereniging, dit is een samenwerking niet gericht op winstverdeling. De mogelijkheid om zich te verenigen in een juridische vorm die makkelijk aan het rechtsverkeer kan deelnemen, was de inzet van een verhitte ideologische strijd. Politieke, economische en religieuze passies voedden deze polemiek.

Politiek, vanwege een Jacobijns wantrouwen tegenover intermediaire organisaties tussen de staat en de burgers. Angst voor verzuiling zouden we vandaag zeggen.

Economisch, vanuit een maatschappelijk theorie die het eigenbelang als motor van de vooruitgang zag: private vices, public benefits. De samenwerking voor een gemeenschappelijk niet-winstgevend doel werd als een tegennatuurlijk ideaal afgekeurd.

Religieus, ten slotte, omdat antiklerikalen de toekenning van rechtspersoonlijkheid aan kloosterordes verafschuwden als een terugval in de mainmorte. De verfoeide “dode hand” waarbij omvangrijk fortuinen aan het economisch verkeer en de erfovergang worden onttrokken.

In de tijd van het Averbode-geschil was het dan ook in de regel onmogelijk voor een vereniging om rechtspersoonlijkheid te verwerven zonder een individuele goedkeuring door de wetgever. Zelfs het oprichten van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, zoals een NV, vereiste in die overheidstoestemming.

Die hoge drempel verklaart waarom het “onderhands” oprichten van een vereniging met verregaande rechtspersoonkenmerken werd beschouwd als een ongeoorloofde toestand die geen rechtsbescherming genoot.

Het is hier niet het ogenblik om een overzicht te geven van hoe de maatschappelijke en juridische opvattingen hierover wijzigden bij het naderen van de 20ste eeuw. Op enkele decennia evolueerde de vereniging van hete aardappel tot rustig bezig. Illustratief en hoogtepunt van deze evolutie is de VZW-Wet van 1921 – nota bene onder de eerste socialistische minister van justitie Emile Vandervelde – waarbij elke vereniging de rechtspersoonlijkheid en de niet-aansprakelijkheid van de leden van verwerven, zonder dat daar stringente voorwaarden worden aan verbonden.

Daarmee is uiterlijk vanaf 1921 ook de hete lucht uit de ballon van de wetsontduikingsaanklacht. De vereniging zonder rechts­persoonlijkheid wordt vandaag zonder dissidentie als een legitiem onbenoemd contract beschouwd, waarbij de gewone civielrechtelijke gevolgen uitwerking dienen te krijgen. Discussie is er enkel over wat die gevolgen dan precies zijn.

De Page en Dekkers merken daarom terecht op dat de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid beter niet de ‘feitelijke vereniging’ wordt genoemd. Dit etiket suggereert immers ten onrechte dat het hier gaat om een onregelmatige toestand, terwijl de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid een juridisch geldige en door het gemeen recht geregelde figuur is.

Er bestaat geen enkele wettelijke verplichting voor een vereniging om de vorm aan te nemen van een vzw of een andere rechtspersoon.

De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is geen gebrekkig opgerichte vzw.

De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kan vandaag evenmin worden beschouwd als een vorm van wetsontduiking van de dwingendrechtelijke regels voor vzw’s; deze regels zijn immers weinig talrijk en worden verklaard door de niet-aansprakelijkheid van de leden van een vzw, een regel die bij de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid niet geldt.

Wat zijn dan nog wel de actuele lessen uit het Averbode-verhaal? Ik zie er twee : een juridisch en een meer maatschappelijk.

Eerst de juridische. De voornoemde Averbode-uitspraken zien de “feitelijke vereniging” als een nietige quasi-rechtspersoon.

Vandaag kunnen we, net als een Auguste Orts of het Averbode-arrest van 1862, erkennen dat de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid heel dicht tegen de rechtspersoon aanschurkt. Omwille van de actuele ontspannen juridische houding tegenover verenigingen, vertaald in een faciliterend vzw-recht, moeten we daar niet langer de 19de eeuwse punitieve conclusies uit trekken. De gewone civielrechtelijke gevolgen van de verenigingsovereenkomst dienen hun uitwerking te krijgen,– ook als die zouden lijken op de ‘prerogatieven’ van een rechtspersoon.

Voor die analyse van die rechtsgevolgen kunnen we echter nog wel de oude opvatting volgen: de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid vertoont door de werking van de regels van het verbintenissen-, zaken- en procesrecht bepaalde kenmerken die we meestal associëren met het begrip rechtspersoonlijkheid. De rechtswaardering van deze gevolgen is vandaag, anders dan in de 19de eeuw, niet langer negatief.

Echo van de 19de eeuw: “vereniging als dusdanig bestaat niet”

Een tweede actuele les van de geschiedenis is dat het juridisch denken omtrent de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid vertroebeld wordt door hun ideologische en maatschappelijk belang.

Daarbij denk ik niet in de eerste plaats aan het aantal verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, ook al lijkt het waarschijnlijk dat het aantal verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid niet moet onderdoen voor het aantal vzw’s. Precieze cijfers hierover zijn er niet, omdat één van de belangrijkste kenmerken net is dat deze vorm geen vormspecifieke publiciteitsverplichtingen kent.

Die discretie is wellicht de reden waarom vele maatschappelijk bijzonder belangrijke organisaties bewust voor de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kiezen: pour vivre heureux, vivons cachés.  Dit geldt voor de meeste politieke partijen, vele drukkings- en belangengroepen, boerenbonden, levenbeschouwelijke organisaties en niet in het minst bijna alle vakverenigingen.

De passies rond de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid spelen zich niet meer af op de purpuren hei. Wel: rond de spoorweg die onrechtmatig wordt bezet door een vakbond; in het bestuur van een politieke partij beschuldigd van een misdrijf; in de directiekamer van de beroepsorganisatie die een referentieaandeelhouder is in een financiële instelling; rond de bankenvereniging die een geschil heeft met één van haar leden. Allemaal hypothetische voorbeelden, uiteraard.

Meestal in de sociaalrechtelijke context, maar ook daarbuiten, wordt nog vaak gelezen dat verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid “geen enkel juridisch bestaan” kennen.

Meestal krijgt dit argument als volgt vorm. Enerzijds wordt erkend dat leden zich kunnen groeperen in een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid. Anderzijds daar wordt aan toegevoegd dat de “vereniging als dusdanig” geen drager van rechten en verplichtingen kan zijn.

Daar worden dan zeer concrete gevolgen uit afgeleid: rechtshandelingen namens of tegen een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid – een contract, een ontslag, een dagvaarding  – zouden dienen te worden gesteld door of tegen elk van de individuele leden. Praktisch zou deze opvatting het optreden namens of tegen verenigingen met een groot en een wisselend aantal leden onmogelijk maken.

Via een andere weg dan de 19de-eeuwse opvatting leidt deze eigentijdse verenigingsonvriendelijke opvatting tot hetzelfde resultaat: de onmogelijkheid voor de vereniging om aan het rechtsverkeer deel te nemen.

Of laat ik het correcter stellen: de onmogelijkheid om verantwoordelijk gesteld te worden voor haar optreden.

Want dit is een ander verschil met de 19de-eeuwse opvatting: niet zelden wordt dit verenigingsonvriendelijk discours namens verenigingen (denk bv. aan een vakbond) zelf aangehaald, wanneer ze in rechte worden gedaagd om zo te verhinderen dat de vereniging aansprakelijk wordt gesteld.

Deze hedendaagse vijandige stelling kan echter bezwaarlijk eenduidig als in het voordeel van de vakverenigingen worden beschouwd: deze opvatting impliceert immers ook dat de vakvereniging niet haar rechten kan afdwingen.

De echo van de 19de-eeuwse vijandige opvatting klinkt vandaag dus nog door.  Toch is er een verschil: de 19de-eeuwe opvatting was gesofisticeerder en was eerlijker.

Vooreerst, gesofisticeerder. Zelfs de vrome student van het verenigingsrecht zal een boekenplank eigentijdse werken over de vakvereniging graag willen inruilen voor één exemplaar van het veel diepzinniger werk van Orts over de religieuze congregaties.

De 19de-eeuwse opvatting vertrekt van een grondige analyse van de rechtsgevolgen van de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid om te besluiten dat die zeer dicht aanleunen bij de rechtspersoonstechniek.

De hedendaagse vijandige opvatting vertrekt van een luie a contrario-redenering: de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid heeft geen rechtspersoonlijkheid en zal dus ook de gebruikelijke attributen van de rechtspersoonstechniek ontberen, zoals rechtsbekwaamheid, vermogensafscheiding of de mogelijkheid om in rechte te treden.

Achter de oppervlakkig gelijkenend negatieve rechtswaardering schuilt dan ook een belangrijk verschil. In de 19de-eeuwse opvatting bestond de feitelijke vereniging juridisch meer dan toegelaten. In de hedendaagse vijandige opvatting bestaat ze juridisch niet of te weinig.

De 19de-eeuwse opvatting was ook veel eerlijker: zij expliciteerde de ideologische, bv. antiklerikale, motieven van de negatieve rechtswaardering. De hedendaagse opvatting – “de feitelijke vereniging als dusdanig bestaat juridisch niet” –  wordt daarentegen voorgesteld als een waardenvrije toepassing van een logische a contrario-redenering.

*          *

*

De “vereniging als dusdanig” bestaat juridisch wel

Hierna willen we met enkele voorbeelden onderzoeken of deze hedendaagse vijandige benadering  spoort met het positieve recht.

Gezien onze hoge gastheer vandaag lijkt het passend dit te toetsen aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Laat ik beginnen met een spoiler alert: de grote meerderheid van de rechtspraak van het Hof van Cassatie neemt een verenigingsvriendelijke houding aan. Als we ons beperken tot de allerrecentste rechtspraak – en allerrecentst betekent in deze context de laatste dertig jaar – is dit nagenoeg unaniem. Niet zelden betreft het hier dan nog eens arresten waarmee elke jurist vertrouwd is, omdat ze principe-arresten  op andere terreinen betreffen.

Het is dan ook verbluffend dat de opvatting als zou de “feitelijke vereniging als dusdanig juridisch niet bestaan” nog altijd in bepaalde lagere rechtspraak en de doctrine wordt voorgesteld als zijnde een regel van positief recht.

In zekere zin kan men hier een continuïteit in zien met het Averbode-arrest uit 1862: toen en nu erkent het Hof dat de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid in sterke mate attributen heeft die met een rechtspersoon worden geassocieerd. Wat gewijzigd is, samen met de maatschappelijke opvattingen en de wetgevende context, is de rechtswaardering hiervan: negatief in de 19de eeuw, positief in de actuele rechtspraak.

Mijnheer de voorzitter, ik besef dat de gastvrijheid die het Vlaams Pleitgenootschap hier geniet precair is, al was het maar omdat we ons in een Paleis bevinden waar zelfs de stellingen intussen restauratie behoeven. Ik wil dan ook toekomstige uitwijkmogelijkheden niet hypotheceren en zal het daarom nu niet hebben over vereniging zonder rechtspersoonlijkheid buiten de gewone hoven en rechtbanken. Laat ik het er op houden dat het Grondwettelijk Hof en de Raad van State er in de regel een veel negatievere rechtswaardering op nahouden. Naar de mening van een simpele commercialist kan dit niet worden verantwoord vanuit de aard van het constitutioneel of administratief contentieux.

*          *

*

Maar terug naar het Poelaertplein voor een drietal voorbeelden.

De “vereniging als dusdanig” verbintenisrechtelijk

Een eerste voorbeeld is een cassatie-arrest uit 1961, bijna honderd jaar het Averbode-arrest.[iv] Dit arrest is interessant omdat het een vakbond betreft en nogwel een vakbond in een eigenaardige rol: die van werkgever. De preciese omstandigheden zijn niet duidelijk maar een voormalig werknemer voelt zich onrechtmatig behandeld door zijn werkgever, het ABVV, en daagt de vakbond voor de rechter.

Het verweer van het ABVV is als volgt: wij bestaan niet, we kunnen dus ons ook niet geldig verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst. Vanuit een filosofisch standpunt is het intrigerend dat een entiteit haar eigen niet-bestaan als argument inroept. Het lijkt bijna als een kretenzische paradox. Sympathiek en werknemersvriendelijk klinkt het verweer alvast niet. Ook juridisch is het niet correct. Het Hof van Cassatie nam terecht aan dat een werknemer geldig verbonden kon zijn door een arbeidsovereenkomst met het ABVV. De afwezigheid van rechtspersoonlijkheid is geen bezwaar: de vereniging dient begrepen te worden als het geheel van de leden. De afwezigheid van rechtspersoonlijkheid betekent enkel dat de rechten en verplichtingen worden toegerekend aan de leden zelf.

Deze leden kunnen aan het rechtsverkeer deelnemen onder de loutere vermelding van de verenigingsnaam. Deze naam kan beschouwd worden als een afkortende benaming voor de gezamenlijke leden.

De “vereniging als dusdanig” procesrechtelijk

Dit blijkt ook uit een tweede voorbeeld, het zgn. “Cuivre et Zinc”-arrest uit 1988.[v] Dit is beter bekend als hét principearrest waarbij het Hof van Cassatie foutloze schijnvertegenwoordiging voor het eerst aanvaardt.

Dit arrest bevat ook belangrijke dicta omtrent het optreden in rechte van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid. Het is een bekend gegeven dat het “Cuivre et Zinc”-arrest niet in extenso werd gepubliceerd in de publicaties verzord door het Parket-Generaal. Verrassend en minder bekend is dat deze, nochtans belangrijke dicta omtrent het optreden in rechte van een vereniging ook in de meeste andere vindplaatsen werden geschrapt. (Voorzover ik kon nagaan werden ze enkel gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechtspersoon en Vennootschap.)

De vordering was ingesteld tegen de gewestelijk secretaris van het FGTB in hoedanigheid. Het Hof van Cassatie oordeelt dat Het hof van beroep terecht kon besluiten dat de vordering tegen de secretaris voor rekening van het FGTB, wegens het gebrek aan rechtspersoonlijkheid van deze vereniging, gericht was tegen de leden van het FGTB. Het Hof van Cassatie verwerpt ook het bezwaar van het FGTB dat dan de naam van alle vertegenwoordigde leden moest worden vermeld.

Daarmee illustreert de ““Cuivre et Zinc”-casus een belangrijk rechtspersoonskenmerk van ons onderwerp: de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kan in rechte optreden – actief en passief – onder de loutere vermelding van de vereningingsnaam.

Bij de rechtspersoon volgt dit rechtstreeks uit de eigen rechtssubjectiviteit. Bij de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is een sprongetje nodig via de procesrechtelijke nietigheidsleer. In principe is immers een vermelding van de identiteit van alle leden vereist op straffe van nietigheid; deze nietigheid zal echter enkel worden uitgesproken bij belangenschade (pas de nullité sans grief). Die belangenschade is er in de regel niet als de leden worden geïdentificeerd onder de verenigingsnaam. Hierdoor is de andere partij immers in staat om alle middelen en excepties in te roepen die eigen zijn aan haar tegenpartij.

Ook sprekend in dit verband is het cassatiearrest van 2 mei 2002.[vi] Ook dit arrest is een beroemd principearrest, ditmaal inzake de zgn. buitengerechtelijke ontbinding van overeenkomsten. Wat door de meeste commentatoren opnieuw onder het ooit hoogpollig en berucht tapijt van het Hof wordt gestopt is dat de overeenkomst die het voorwerp van het ontbindingsgeschil was, ook de tegenpartij was. Het ging nl. om de ontbinding van de Belgische spaarbankenvereniging, een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid. Eiser in cassatie is de “Belgische spaarbankenvereniging, feitelijke vereniging op vervolging en benaarstiging van haar voorzitter []” vermeld, ook wordt er terecht geen probleem van onontvankelijkheid ingeroepen.

Nog even terug naar het tweede voorbeeld, het Cuivre et Zinc-arrest. Het is niet toevallig dat het principe-arrest inzake schijn­vertegenwoordiging een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid betreft.

Net als bij een rechtspersoon is het bij een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid onmogelijk om een legitimatie te krijgen van de “opdrachtgever”.

Bij rechtspersonen volgt deze onmogelijkheid uit de onstoffelijke aard van die opdrachtgever: hierdoor kan de opdrachtgever enkel worden gelegitimeerd door een andere vertegenwoordiger. Hierdoor rijst een nieuwe legitimatievraag, zonder ooit te stoppen. Dit wordt voor rechtspersonen opgelost door organieke vertegenwoordiging: derden mogen vertrouwen op de vertegenwoordigingsmacht zoals die blijkt uit het toepasselijke publiciteitssysteem.

Bij de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is de onmogelijkheid om een legitimatie te krijgen eerder een feitelijk gegeven, door de veelheid en veranderlijkheid van het aantal leden. Wegens de afwezigheid van een publiciteitssysteem biedt organieke vertegenwoordiging hier geen oplossing. Daarom biedt schijnvertegenwoordiging een uitweg. Dit beschermt derden, maar is ook in het belang van de vereniging zelf: foutloze schijnvertegenwoordiging faciliteert immers aanzienlijk het optreden in het rechtsverkeer, aangezien derden hierdoor makkelijker zullen handelen met een verenigings­vertegenwoordiger.

De “vereniging als dusdanig” goederenrechtelijk

Waar wellicht vandaag nog het minst discussie over bestaat, is dat de vereniging zakenrechtelijk “als dusdanig” wel degelijk bestaat. De verenigingsgoederen vallen niet zomaar in het vermogen van de leden, maar vormen een onverdeelde boedel met de leden als “medeeigenaars”. Ik kan me hier verschuilen achter de rug van twee Stafhouders en dus kort zijn.[vii] De verenigingsboedels zijn in de woorden van Stafhouder Vandenberghe in zijn Traité over mede-eigendom “gewild, duurzaam en georganiseerd”.[viii] De precariteit van de onverdeelde nalatenschapsboedel, waar elke erfgenaam de verdeling kan vorderen, speelt daarom niet bij de vereniging. Pro-Stafhouder Van Gerven spreekt terecht over een doelgebonden vermogen.[ix]

Wegens de afwezigheid van rechtspersoonlijkheid gelden de leden als mede-eigenaar van elk van de verenigingsgoederen. In veel opzichten is dit mede-eigendomsrecht het omgekeerde van het eigendomsrecht zoals gedefinieerd in artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek: nl. “het ontbreken van elk recht om van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, zelfs op de meest beperkte wijze”.

Dit blijkt sprekend bij de uittreding van een lid uit de vereniging. Het uittreden lid heeft geen recht op vermogen van de vereniging, ook niet voor zijn aandeel, ook niet voor dat gedeelte waarvoor hij zelf heeft bijgedragen. De verzwarende omstandigheid in het Averbode-geschil is vandaag de regel die zelfs geldt indien partijen niets hebben voorzien.

De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is daarmee de trustachtige figuur par excellence. We houden niet van deze onnauwkeurige term. Met professor Swennen kunnen we stellen dat “trustachtig” vaak iets is zoals “dinonaurusachtig”: een goedkope truuk van natuurkundige musea om een simpel reptielbot wat chiquer voor te stellen om zo het bezoekersaantal op te krikken. [x]

Bij de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is de vergelijking met de trust echter treffend. De zakenrechtelijke “titel” van de leden is immers slechts een louter formeel zakenrechtelijk aanknopingspunt, dat slechts beheersrechten geeft.

Het is frappant dat in de Engelse unincorporated association de bestuurders van de vennootschap gelden als trustee van de verenigsgoederen. De leden in een Belgische vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kunnen hiermee worden gelijkgesteld. In beide gevallen hebben de personen op wiens naam de eigendom staat, niet de normale bevoegdheden van een eigenaar. Het eerder formele verschil is dat de goederen bij de Belgische vereniging ten name staan van alle leden en bij de Engelse association ten name van de bestuurders.

Het lid van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is daarmee even ver verwijderd van de verenigingsgoederen als het lid van een VZW.

De rechtspersoonskenmerken van de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid

Als we het voorgaande samenvatten, biedt het inzicht voor heel wat rechtsvragen in het verbintenissen-, goederen- en procesrecht, de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid te denken als ware het een rechtssubject. Dit maakt dat de boedeltechniek in veel opzichten het functionele equivalent is van de rechtspersoonstechniek. Het inzicht van Averbode-arrest uit 1862 is vandaag nog altijd waardevol.

Dit inzicht is ook te vinden in meer moderne wetgeving. Twee voorbeelden maar.

Vooreerst de wetgeving op de Kruispuntbank voor Ondernemingen. Doe thuis de test en zoek een willekeurige vak- of boerenbond op die RSZ- of BTW-plichtige is. U zal vinden dat ze een … rechtspersonennummer hebben.

Hetzelfde inzich in de witwasreglementering. Het relevant reglement van het FSMA (toen nog CBFA) van 23 februari 2010 stelt de “feitelijke vereniging” gelijk met een rechtspersoon en niet met een onverdeeldheid.  Dit betekent concreet bijvoorbeeld dat een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid zich onder de witwasreglementering kan identificeren zonder dat het altijd noodzakelijk is om elk van de leden te identificeren.

*          *

*

De onbevredigende situatie van de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid op strafrechtelijk vlak

Dit brengt me tot mijn laatste vaststelling. Er is één belangrijk terrein waarop de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid ten onrechte niet met een rechtspersoon wordt gelijkgesteld. Dat is de strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Bij de strafbaarstelling van rechtspersonen in 1999 heeft de wetgever nochtans terecht de functionele equivalentie ingezien tussen rechtspersonen en organisatievormen zonder rechtspersoonlijkheid.

Vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (een maatschap bijvoorbeeld) worden in artikel 5 derde lid van het Strafwetboek immers gelijkgesteld met vennootschappen met rechtspersoonlijkheid.

Die gelijkschakeling wordt echter niet doorgetrokken naar de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid.

Dit kan niet worden verantwoord door de afwezigheid van winstoogmerk. Verenigingen met rechtspersoonlijkheid (een vzw bijvoorbeeld) zijn immers weer wél strafrechtelijk aansprakelijk.

Door de keuze voor de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kan een organisatie met andere woorden ontsnappen aan het strafrecht. Strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt voor een vereniging zo een optioneel regime.

Voor deze verschillende behandeling op strafrechtelijk vlak bestaat er geen rationele verantwoording. Het Strafwetboek zelf ontkent immers dat de afwezigheid van rechtspersoonlijkheid of de afwezigheid van winstoogmerk relevant zouden zijn.

De enige verklaring is de eerdere vaststelling, nl. dat verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid vaak maatschappelijk belangrijke organisaties zijn, met blijkbaar ook een grote invloed op het wetgevend proces.

Indien er één wijziging in het recht van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid dringend is, is het deze: de gelijkstelling van deze verenigingen met rechtspersonen voor de doeleinden van artikel 5 Sw. Enkel dan zal de rechtsorde afdoende gewapend zijn indien deze morele wezens, onverhoopt, toch immoreel zouden handelen.

[i]               Brussel 13 mei 1861, Pas. 1861, II (191) 216.

[ii]              Cass. 17 mei 1862, Pas. 1862, I, 288.

[iii]              A. Orts, De l’incapacité civile des congregations religieuses non autorisées, Office de publicité, 1867, 441 p.

[iv]              Cass. 6 november 1961, Pas. 1961, I, 278.

[v]              Cass. 20 juni 1988, TRV 1989, 540, noot S. Stijns en P. Callens.

[vi]              Cass. 2 mei 2002, AC 2002, 1167, Pas. 2002, 1046, NjW 2002, p. 24, noot, RCJB 2004, 291, RW 2002-03, p. 501, noot A. Van Oevelen en TBBR 2003, 337, noot S. Stijns.

[vii]             Zie voor de lange versie: J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon als technieken van vermogensafscheiding en vermogensovergang, proefschrift KU Leuven, 2011, 365 p.

[viii]            H. Vandenberghe en S. Snaet, Mede-eigendom, Kluwer, 1997, 10, nr. 6.

[ix]              D. Van Gerven, “De golfclub als doelgebonden vermogen”, in Liber amicorum Walter van Gerven, Kluwer, 2000, 449-467.

[x]              H. Swennen, “Trustachtige rechtsfiguren in België”, TPR 1992, 1098.

Dit was de openingsrede ter gelegenheid van de plechtige openingszitting van het 122ste werkingsjaar van het Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel,
uitgesproken op donderdag 22 november 2012. Een uitgebreide versie van deze rede verscheen bij Intersentia.

Joeri Vananroye

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s