Actio pauliana en BV-uitkeringstest: DNA-analyse van een vergeten afstamming

De pauliana is een liquiditeits- en solvabiliteitstest bij uitkeringen

Zoals gesignaleerd in de vorige post over dit thema, is de ‘nieuwe’ uitkeringstest in de BV eigenlijk een toepassing van een veel oudere remedie: de actio pauliana. In deze post leggen we uit waarom.

Met de actio pauliana of paulianse vordering kan een schuldeiser een rechtshandeling van zijn schuldenaar die de verhaalsmogelijkheden van die schuldeiser benadeelt, onder bepaalde voorwaarden niet-tegenwerpelijk laten verklaren.[1] Na faillissement van de schuldenaar kan enkel de curator een actio pauliana instellen, voor rekening van de faillissementsboedel.[2]

Een succesvol beroep op de actio pauliana veronderstelt in wezen dat: (a) de aangevochten handeling de verhaalsmogelijkheden van de schuldeiser(s) benadeelt, (b) de schuldenaar handelde met “bedrog”, en (c) de wederpartij om niet verkreeg of te kwader trouw was.[3]

Hierna tonen we aan dat wanneer de pauliana wordt gericht tegen een uitkering, doorgaans slechts een van die voorwaarden ter discussie staat: het “bedrog”. Vervolgens zullen we zien dat het bedrogvereiste in deze context sterk gelijkt op de BV-uitkeringstest. Beide peilen namelijk of de insolventie van de vennootschap voorzienbaar was op het moment van de uitkering.

Rechtmatigheid van uitkeringen vooral afhankelijk van liquiditeit en solvabiliteit

Verhaalsbenadeling door uitkeringen doorgaans eenvoudig aantoonbaar. De voor een succesvolle pauliana vereiste verhaalsbenadeling ligt bij uitkeringen meestal voor de hand.

Uitkeringen zijn er immers uit hun aard erop gericht om activa – in de regel: geld – uit het vermogen van de vennootschap te laten wegvloeien. Daartegenover staat geen tegenprestatie. Toegegeven, met hun inbreng beogen de aandeelhouders per definitie een zeker vermogensvoordeel.[4] De inbreng van haar aandeelhouders verplicht de vennootschap echter niet tot uitkering.[5] Als de vennootschap niet uitdrukkelijk besluit de winst uit te keren, blijft die in haar vermogen.[6] Overigens stijgt dan in principe ook de waarde van het aandeel, die de aandeelhouder bij verkoop te gelde kan maken.

Terecht neemt de rechtsleer dan ook nagenoeg unaniem aan dat een dividend een rechtshandeling om niet is.[7] Dat gebrek aan tegenprestatie impliceert nagenoeg automatisch dat de uitkering de vennootschap heeft verarmd. Het is slechts anders als de vennootschap als gevolg van de uitkering een vermogensvoordeel heeft ontvangen dat de directe verarming als gevolg van de uitkering op zijn minst ongedaan heeft gemaakt. Dat is erg onwaarschijnlijk.

De verarming leidt echter maar tot verhaalsbenadeling als de uitkerende vennootschap insolvent is of wordt. Daaronder begrijpen we hier de situatie waarin de vennootschap: (a) een of meerdere opeisbare schulden onbetaald laat en (b) onvoldoende (relatief eenvoudig) uitwinbare activa heeft om al haar schulden te voldoen. Enkel dan gaat de uitkering immers ten koste van de recuperatiemogelijkheden van de schuldeisers.

Doorgaans bieden die voorwaarden echter eveneens weinig voer voor discussie. Dat is zeker het geval bij faillissement, het belangrijkste werkterrein van de pauliana. De eerste deelvoorwaarde is dan per definitie vervuld: door het faillissement worden de schulden van de gefailleerde opeisbaar.[8]  De tweede deelvoorwaarde (een tekort) is doorgaans eenvoudig aantoonbaar.

Noch de pauliana, noch uitkeringstest vereist kwade trouw van aandeelhouder. Zoals zonet uiteengezet, zijn uitkeringen uit hun aard rechtshandelingen om niet. Bij rechtshandelingen om niet vereist een succesvolle pauliana geen kwade trouw in hoofde van de derde.[9] Aangezien deze voorwaarde dus per definitie is vervuld bij de aanvechting van een uitkering, laten we ze verder buiten beschouwing. Wel bemerken we hier al een eerste analogie met de BV-uitkeringstest: ook bij die laatste is de goede of kwade trouw van de aandeelhouder irrelevant voor diens restitutieplicht.[10]

“Bedrog”: abnormaliteit en wetenschap van benadeling als communicerende vaten. Uit het bovenstaande blijkt dat bij de aanvechting van uitkeringen de verhaalsbenadeling vaak eenvoudig aantoonbaar is, terwijl er geen kwade trouw van de begunstigde is vereist. Als een schuldeiser of curator een pauliana instelt vanwege een uitkering, is de grootste uitdaging dan ook doorgaans het bewijs van “bedrog”. Volgens vaste cassatierechtspraak is er echter al sprake van pauliaans “bedrog” als de aangevochten handeling abnormaal is en de schuldenaar handelde met wetenschap van benadeling.[11]

Sommige rechtspraak en rechtsleer zien het abnormale karakter echter ook als een indicatie dat de schuldenaar de benadeling kende of minstens behoorde te voorzien.[12] Dat wijst erop dat abnormaliteit van de handeling en wetenschap van benadeling geen categorieke voorwaarden zijn, als zou elke handeling ofwel absoluut normaal, ofwel absoluut verdacht zijn. Abnormaliteit en wetenschap verhouden zich eigenlijk tegenover elkaar als communicerende vaten. Hoe meer abnormale eigenschappen de handeling zelf vertoont, hoe sneller de rechter zal aanvaarden dat de schuldenaar destijds de daaruit volgende benadeling behoorde te voorzien.[13]

Insolventierisico als heuristiek voor wetenschap van benadeling. Hierboven merkten we op dat een uitkering nagenoeg altijd de uitkerende vennootschap verarmt. Bij uitbreiding ligt het in de regel voor de hand dat de vennootschap “behoorde te weten” dat zij zich daardoor zou verarmen.

We merkten echter ook op dat verhaalsbenadeling voorts veronderstelt dat de uitkerende vennootschap insolvent is, wat in deze context inhoudt dat de vennootschap minstens één opeisbare schuldvordering onbetaald laat en haar vermogen een feitelijk tekort vertoont. Bijgevolg heeft de uitkerende vennootschap maar “wetenschap” van dergelijke benadeling als zij ten tijde van de uitkering behoorde te weten dat zij insolvent was of zou worden. Zij moest dus redelijkerwijze behoren te weten dat haar nettovermogen feitelijk negatief was of zou worden op een moment dat zij een of meerdere opeisbare schulden onbetaald zou laten.

Aangezien de verarming doorgaans voorzienbaar is, komt “wetenschap van benadeling” bij uitkeringen neer op de voorzienbaarheid van insolventie, of nog: het insolventierisico. Op die wijze kan, eenvoudig gezegd, het subjectieve “weten” van een vennootschap goeddeels worden gedepersonaliseerd tot een financiële projectie. Wie wil weten of een transactie rechtmatig is voor doeleinden van de pauliana, hoeft zich dus niet noodzakelijk te wagen aan speculaties over wat een of meer concrete personen in het bestuursorgaan of de algemene vergadering ten tijde van de uitkering daadwerkelijk wisten of bedoelden. Het volstaat een inschatting te maken van het insolventierisico ten tijde van de uitkering. Dat vermindert de onzekerheid voor de betrokken bestuurders, aandeelhouders en schuldeisers en vergemakkelijkt wellicht ook de taak van de rechter bij betwisting achteraf.

De inhoudelijke gelijkenis tussen de pauliana en de BV-uitkeringstest

Pauliana: uitkeringen matig verdacht, en dus is vereiste insolventierisico gematigd. De vraag of de vennootschap op het moment van de uitkering wist dat ze daarmee haar schuldeisers zou benadelen, komt dus neer op de vraag: hoe groot was het insolventierisico op dat moment? Om die vraag te beantwoorden, brengen we in herinnering dat het verdachte karakter van een rechtshandeling en wetenschap van benadeling communicerende vaten zijn. Hoe verdachter de handeling, hoe sneller de schuldenaar zal worden geacht de verhaalsbenadeling (in dit geval dus de insolventie) te hebben voorzien.

Op dat vlak vertonen uitkeringen een gemengd beeld. Ze hebben een aantal verdachte kenmerken, maar zijn minder verdacht dan sommige andere vermogensonttrekkingen:

  • Zoals besproken, zijn uitkeringen rechtshandelingen om niet. Ons recht staat traditioneel wantrouwig tegenover vrijgevigheden door schuldenaars (“nemo liberalis, nisi liberatus”).[14]
  • Uitkeringen zijn bovendien een manifeste vorm van zelfbevoordeling. Enerzijds maken de bestuursleden en/of aandeelhouders deel uit van de organen die tot de uitkering beslissen. Aandeelhouders hebben immers de bevoegdheid de winstbestemming goed te keuren zoals het bestuur die voorstelt in het ontwerp van jaarrekening.[15] Anderzijds zijn de begunstigden van eigenlijke uitkeringen net die aandeelhouders (dividenden) en bestuursleden (tantièmes). Dergelijke transacties ten gunste van “insiders” merkt ons recht eveneens aan als verdacht.[16]
  • Daartegenover staat dat uitkeringen een wettelijk gereguleerde en openlijke vorm van verarming zijn. In die zin zijn ze bijvoorbeeld minder verdacht dan (ogenschijnlijk) zakelijke transacties met insiders zonder redelijk gelijkwaardige tegenprestatie (bv. een aandeelhouder die een goed aan zijn vennootschap verhuurt tegen een niet-marktconforme prijs).[17]

Daaruit kunnen we afleiden dat het wetenschapsvereiste bij eigenlijke uitkeringen, dus het toegelaten insolventierisico, gematigd moet worden ingevuld. De insolventie moet meer dan louter aannemelijk zijn, maar hoeft niet onafwendbaar te zijn.[18] Daarin verschilt de aanvechting van een uitkering bijvoorbeeld van de terugbetaling van niet-opeisbare schulden: die rechtshandeling is slechts aanvechtbaar met de pauliana als de schuldenaar op dat moment onafwendbaar insolvent werd.[19] Eenzelfde strengere criterium geldt bijvoorbeeld bij wrongful trading (artikel XX.227 WER) of bij de onrechtmatige handhaving van krediet.[20]

Analogie tussen pauliana en BV-uitkeringstest. Zo wordt duidelijk dat de pauliana bij uitkeringen in wezen naar hetzelfde peilt als de uitkeringstest in de BV. Ook daar rijst immers, zoals besproken in de vorige post, de vraag of de vennootschap (a) een negatief eigen vermogen heeft of zou krijgen als gevolg van de uitkering; en (b) redelijkerwijze in staat zal blijven haar opeisbare schulden te blijven voldoen.

Bovendien vereist die uitkeringstest evenmin dat de insolventie van de BV onafwendbaar was op het moment van de uitkering. Zodra de bestuurders die insolventie “volgens de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen” behoren te voorzien, is de uitkering niet langer toegelaten. Bemerk daarnaast dat geen van de tests vereist dat de uitkering de rechtstreekse oorzaak van de betalingsproblemen vormt. Het feit dat die redelijkerwijze voorzienbaar zijn, is voldoende. Zodra de problemen voorzienbaar zijn, “werpt de achtergestelde positie van de aandeelhouder zijn schaduw vooruit”.[21]

Zo wordt duidelijk dat de pauliana bij uitkeringen in wezen naar hetzelfde peilt als de uitkeringstest in de BV.

Eerste nuance: invulling “insolventie”. Toch bestaat er een inhoudelijk verschil tussen de actio pauliana en de BV-uitkeringstest. De liquiditeits- en solvabiliteitstest vervat in de actio pauliana verbiedt uitkeringen slechts als de vennootschap behoort te voorzien dat er betalingsproblemen zullen ontstaan én haar vermogen een (in dit geval feitelijk) tekort zal vertonen. De BV-uitkeringstest is daarentegen alternatief: een uitkering is onrechtmatig bij een voorzienbaar tekort (de nettoactieftest) óf betalingsproblemen (de liquiditeitstest).

Dat verschil is echter van eerder beperkt belang, zeker wanneer we in rekening brengen dat de restitutieplicht in de BV-uitkeringstest geldt jegens de vennootschap zelf (zoals we hierna zullen toelichten). Een individuele schuldeiser kan die restitutie dus slechts afdwingen met de zijdelingse vordering, neergelegd in artikel 1166 BW. Welnu, die vordering veronderstelt dat de schuldenaar stilzit, en dat diens nalatigheid een bedreiging vormt voor de verhaalsrechten van de schuldeiser.[22] Bijgevolg kan de schuldeiser ook hier slechts ageren als er onvoldoende beslagbare activa zijn om zijn opeisbare schuldvordering te voldoen.

Het verschil lijkt dus hoogstens relevant als de uitkerende vennootschap failliet is gegaan. Een faillissementscurator kan immers, namens de boedel, rechtstreeks de remedies uitoefenen die voor faillissement toekwamen aan de schuldenaar zelf (in dit geval de vennootschap).[23] Dan nog echter zou het verschil enkel relevant kunnen zijn als het faillissement batig is en de curator de uitkering toch wil terugvorderen. Die situatie is uitzonderlijk.

Tweede nuance: BV-uitkeringstest geeft temporele richtsnoer. Voorts geeft de BV-uitkeringstest, anders dan de pauliana, een indicatie van hoe ver het bestuur vooruit moet kijken om te bepalen of een uitkering door de beugel kan. Onder de BV-uitkeringstest bedraagt de periode waarover het betalingsvermogen beoordeeld moet worden in principe een jaar.[24] Dat principe is echter niet absoluut. Het gaat om een minimumtermijn. Het bestuursorgaan dient in elk geval ook rekening te houden met de gebeurtenissen waarvan het reeds kennis heeft en die in de verdere toekomst een belangrijke impact kunnen hebben op de liquiditeitspositie van de vennootschap.[25]

Gelet op de inhoudelijke verwantschap tussen de BV-uitkeringstest en de pauliana, kan de periode van een jaar ook bij de pauliana een eerste houvast bieden. Uitkeringen die zijn verricht minder dan een jaar voordat de uitkerende vennootschap insolvent is geworden, worden zo feitelijk vermoed te zijn verricht met wetenschap van benadeling. Die analogie is overigens niet eens zo vergezocht. De tijdspanne van een jaar is wellicht overgewaaid vanuit de Nederlandse BV.[26] Daar stemt de eenjarige periode overeen met de “verdachte periode” waarbinnen wetenschapsvermoedens gelden bij de Nederlandse actio pauliana. Welnu, een van die vermoedens betreft net handelingen om niet, zoals (eigenlijke) uitkeringen.[27] Het is dus aannemelijk dat de Nederlandse wetgever destijds beide periodes op elkaar heeft afgestemd.

Sanctie in beide gevallen restitutie en bestuursaansprakelijkheid

Remedie: grond tot restitutie en bestuursaansprakelijkheid. Zoals besproken in de vorige post, is de sanctie bij schending van de BV-uitkeringstest tweeledig. Enerzijds zijn bestuurders intern en extern, hoofdelijk aansprakelijk voor alle daaruit voortvloeiende schade. Anderzijds kan de vennootschap de onrechtmatige uitkering terugvorderen van haar aandeelhouders. Hierna zetten we uiteen dat soortgelijke sancties ook gelden wanneer een uitkering de liquiditeits- en solvabiliteitstest neergelegd in de actio pauliana schendt. We beginnen daarbij bij de restitutieplicht van de aandeelhouder, en belichten vervolgens de bestuursaansprakelijkheid.

Restitutieplicht onder de BV-uitkeringstest en de pauliaanse niet-tegenwerpelijkheid. Ten eerste is de aandeelhouder die een uitkering heeft ontvangen in strijd met de BV-uitkeringstest, gehouden tot restitutie daarvan. Zoals uiteengezet, is het daarbij irrelevant of de aandeelhouder te goeder of te kwader trouw was.

Een soortgelijke restitutieplicht rust op de aandeelhouder wiens uitkering succesvol met de pauliana is aangevochten. Het gevolg daarvan is dat het uitkeringsbesluit niet-tegenwerpelijk is aan de agerende schuldeiser of de faillissementsboedel. De schuldeiser of faillissementsboedel mag dus beslag leggen op de uitkering, alsof die nooit het vermogen van de vennootschap heeft verlaten. De niet-tegenwerpelijkheid heeft in die zin een soort “zakelijke werking”. De schuldeiser of faillissementsboedel hoeft dan ook geen rekening te houden met de schuldeisers van de aandeelhouder, voor zover die geen aan hem tegenwerpelijke zakelijke zekerheid hebben.

De pauliana lijkt hier op het eerste gezicht in het voordeel in vergelijking met de BV-uitkeringstest. Aangezien het WVV spreekt van “terugvorderen”, is de restitutieplicht van de aandeelhouder onder de BV-uitkeringstest enkel een vergoedingsaanspraak, zonder zakelijke werking. Het verschil met de pauliaanse niet-tegenwerpelijkheid moet in deze context echter sterk worden genuanceerd. Eigenlijke uitkeringen gebeuren doorgaans in geld. Geld is een goed dat uit zijn aard gemakkelijk vermengd geraakt. Als gevolg van de vermenging van het geld kan de schuldeiser die de niet-tegenwerpelijkheid verkreeg, het niet langer bij de begunstigde derde in beslag nemen.[28] De schuldeiser kan dan echter aanspraak maken op restitutie bij equivalent. Sommigen gronden die restitutieplicht op de figuur van de onverschuldigde betaling.[29] Ten aanzien van de schuldeiser is de betaling van het goed aan de derde-wederpartij immers zonder rechtsgrond, en dus “onverschuldigd”.[30] Volgens anderen is de restitutieverplichting “sui generis”.[31]

In elk geval zal een succesvolle pauliana bij uitkeringen dus typisch uitmonden in een restitutieaanspraak op de begunstigde aandeelhouder, eerder dan een beslag op de uitkering in natura. In die zin vertoont de pauliana ook op dit vlak gelijkenis met de BV-uitkeringstest.

Ook bestuursaansprakelijkheid in BV-uitkeringstest is variatie op bestaand thema... De schending van de BV-uitkeringstest leidt niet alleen tot een restitutieplicht, maar ook (en zelfs in de eerste plaats) tot bestuursaansprakelijkheid.

Ook hier concretiseert de BV-uitkeringstest eigenlijk een aansprakelijkheidsgrond die al impliciet in de actio pauliana besloten lag. Hoewel actio pauliana zelf geen aansprakelijkheidsvordering is, geeft zij immers wel invulling aan de algemene zorgvuldigheidsplicht.[32] Dat geldt dus ook voor bestuurders als een schuldeiser of de faillissementsboedel hen aansprakelijk stelt op buitencontractuele of (bij faillissement eventueel) contractuele basis.[33] Welnu, de algemene verplichting van bestuurders om geen uitkering te doen die de betalingsmogelijkheden van de vennootschap te boven gaat (aangehaald in de vorige post), kan worden gezien als een op de pauliana geïnspireerde grond tot bestuursaansprakelijkheid.

Ook qua sanctie vertoont de pauliana sterke gelijkenis met de BV-uitkeringstest.

… maar met automatische hoofdelijkheid. Een ogenschijnlijk verschil met de aansprakelijkheid op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm, is dat de bestuursaansprakelijkheid bij schending van de uitkeringstest steeds hoofdelijk is.[34] Ook dat verschil moet echter sterk worden genuanceerd:

  • Indien de bestuurders een college vormen, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college in het WVV steeds hoofdelijk (behalve voor bestuurders die geen deel hebben gehad aan de fout en deze hebben gemeld aan hun medebestuuurders).[35]
  • Hebben de bestuurders met de onrechtmatige uitkering bepalingen van het WVV of van de statuten geschonden, geldt de hoofdelijkheid zelfs indien het bestuursorgaan geen college vormt (ook hier met uitzondering van bestuurders die geen deel hebben gehad aan de fout en deze hebben gemeld).[36]
  • In elk geval zijn onder het gemene aansprakelijkheidsrecht meerdere aansprakelijke vermogens in solidum tot vergoeding gehouden als hun fouten samenlopen.[37] De aansprakelijkheid is zelfs hoofdelijk als de fouten gemeenschappelijk zijn, dus als de daders ervan hebben samengewerkt.[38] Dat geldt niet alleen voor buitencontractuele, maar ook voor contractuele aansprakelijkheid.[39] Ook als bestuurders op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm worden aangesproken wegens een onrechtmatige uitkering, zullen ze dus vaak solidair, minstens in solidum tot vergoeding gehouden zijn.[40]

De pauliana, tot de BV en daar voorbij

Uit de bovenstaande analyse blijkt de actio pauliana de vergeten geestelijke moeder van de BV-uitkeringstest. Maar de actio pauliana is meer dan de verdorde ascendent van een langverwachte boorling. De actio pauliana reikt namelijk op verscheidene vlakken aanzienlijk verder dan de BV-uitkeringstest. Dat bespreken we in een derde en laatste post over dit thema.

De uitkeringsregels in het vennootschaps- en insolventierecht komen uitgebreid aan bod op de studiemiddag op 19 maart 2020 aan de KU Leuven over schuldeisersbescherming bij vennootschappen en andere rechtspersonen. 

Gillis Lindemans

Deze post is gebaseerd op G. Lindemans, “Een dubbele bodem: de actio pauliana als uitkeringstest” (noot onder Orb. Gent (afd. Dendermonde) 14 januari 2019), TRV-RPS 2019, 882-892.

[1] Zie art. 1167 BW.

[2]  Zie art. XX.114 WER. Het geannoteerde vonnis verwijst nog naar de voorganger van die bepaling, art. 20 Faill.W.

[3] Traditioneel wordt geleerd dat de schuldvordering van de agerende schuldeiser moet zijn ontstaan voor de aangevochten handeling. Die “anterioriteitsvoorwaarde” is eigenlijk geen echte voorwaarde, maar eerder een deelaspect van het subjectief element, zie bv. ook G. LINDEMANS, “Ook een rechtspersoon mag waardig sterven. De pauliana tegen de splitsing van een insolvente vennootschap” (noot onder Kh. Gent (afd. Dendermonde) 28 november 2016), TRV-RPS 2017, (369) 373, nr. 10. Zie uitgebreider G. Lindemans, “Schuldeiser & rechtspersoon”, Antwerpen, Intersentia, 2019, 124-129, nr.143-149.

[4] Zie artikel 1:1 WVV. Zie ook K. Geens en M. Wyckaert, Verenigingen en Vennootschappen. De vennootschap. Algemeen deel in Beginselen van het Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 222, nr. 125.

[5] Zie bv. S. De Dier, Nietigheid van bestuursbesluiten in een vennootschap: inzichten op basis van een functionele benadering van de nietigheidssanctie, Roeselare, Roularta, 2016, 168-170, nr. 223-225.

[6] M. Wyckaert, Kapitaal in N.V. en B.V.B.A., Kalmthout, Biblo, 1995, 469, nr. 688.

[7] S. De Dier, Nietigheid van bestuursbesluiten in een vennootschap: inzichten op basis van een functionele benadering van de nietigheidssanctie, Roeselare, Roularta, 2016, 168, nr. 223; J. Vananroye, Organisatierecht: werfbezoek aan een onvoltooide piramide, Antwerpen, Intersentia, 2015, 12-13, nr. 5; D. Bruloot, Vennootschapskapitaal en schuldeisers. Een onderzoek naar de effectiviteit van de (Europese) kapitaalregelen en alternatieve technieken van schuldeisersbescherming, Antwerpen, Intersentia, 2014, 726, nr. 1069; R. TAS, Winstuitkering, kapitaalvermindering en -verlies in NV en BVBA, Kalmthout, Biblo, 2004, 44, nr. 36.

[8] Artikel 1188 BW en artikel XX.116, eerste zin WER.

[9] Zie reeds Cass. 9 januari 1890, Pas. 1890, I, 59.

[10] Artikel 5:144, tweede lid WVV (voorheen was kwade trouw wel vereist, zie artikel 320, § 2, W.Venn.).

[11] Zie o.a. Cass. 19 februari 2015, Arr.Cass. 2015, 473 (over artikel 788 BW, maar uitdrukkelijk als toepassing van artikel 1167 BW); Cass. 26 oktober 1989, Arr.Cass. 1989-90, 282 (mutatis mutandis subjectief element derde-wederpartij); Cass. 15 maart 1985, Arr.Cass. 1984-85, 969. Zie echter Cass. 17 oktober 1991, Arr.Cass. 1991-92, 163, dat enkel verwijst naar wetenschap en niet naar het abnormale karakter van de handeling.

[12] Zie bv. Luik 20 maart 2007, JLMB 2008, 1444; Gent 19 september 2006, fjf 2007, 100; Gent 2 januari 2001, DAOR 2001, 49, noot G.L. Ballon; Luik 6 februari 1996, JLMB 1996, 469; Rb. Hasselt 23 april 2001, T.Huur 2002, 133. Zie ook M.E. Storme, Zekerheden- en insolventierecht, II e.v., 2017, http://www.storme.be, 352; A. Lenaerts, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht. Autonome rechtsfiguur of miskend correctiemechanisme, Brugge, die Keure, 2013, 51-52, nr. 62; S. Vanoppen, “Gaan hypotheek en huur samen (art. 45, in fine Hyp.W.)? Kwade trouw, abnormale voorwaarden en pauliaans bedrog verbonden” (noot onder Gent 18 september 1998), AJT 1998-99, (961) 963-964, nr. 6.

[13] Zie in vergelijkbare zin J. Vananroye en L. Mariën, “Fraus en schuldeisersbenadeling in het ondernemingsrecht” in A. De Boeck, I. Samoy, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Fraus omnia corrumpit: mogelijkheden en moeilijkheden in het privaatrecht, Brugge, die Keure, 2014, (107) 122-124.

[14] Zie bv. de vereenvoudigde pauliana van artikel XX.111, 1° WER.

[15] Zie de artikelen 5:98 en 5:141, eerste lid (BV) en 7:149, eerste lid (NV) WVV (artikelen 284 en 554 W.Venn.).

[16] Zie de bespreking en verwijzingen bij G. Lindemans, “Schuldeiser & rechtspersoon”, Antwerpen, Intersentia, 2019, 208, nr. 255 e.v..

[17] Zie bv. Luik 25 februari 2016, DAOR 2016, 68.

[18] Zie bv. Orb. Gent (afd. Dendermonde) 14 januari 2019, nr. A/17/03374 (onuitg.).

[19] Zie G. Lindemans, “Schuldeiser & rechtspersoon”, Antwerpen, Intersentia, 2019,511, nr. 674. Zie ook J. VANANROYE, Organisatierecht: werfbezoek aan een onvoltooide piramide, Antwerpen, Intersentia, 2015, 30, nr. 15; J. VANANROYE en L. MARIËN, “Fraus en schuldeisersbenadeling in het ondernemingsrecht” in A. DE BOECK, I. SAMOY, S. STIJNS en R. VAN RANSBEECK (eds.), Fraus omnia corrumpit: mogelijkheden en moeilijkheden in het privaatrecht, Brugge, die Keure, 2014, (107) 120, nr. 11 en 125, nr. 12. Zie voorts (licht anders): G. LINDEMANS, “Een kapitein gaat mee ten onder. Over rangdoorbraak bij dreigende insolventie” (noot onder Cass. 2 februari 2016), TRV-RPS 2016, (264) 268, nr. 18.

[20] Zie G. Lindemans, “Schuldeiser & rechtspersoon”, Antwerpen, Intersentia, 2019, 425, nr. 554 e.v. resp. 459, nr. 605 e.v..

[21] J. Barneveld, Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders, Deventer, Kluwer, 2014, 400.

[22] Zie Cass. 9 juli 1953, Arr.Cass. 1953, 792. Zie ook F. Helsen, “Zijdelingse vordering” in E. DIRIX en A. VAN OEVELEN (eds.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2012, (87) 93, nr. 9.

[23] Zie daarover uitgebreider G. Lindemans, “Keizer, blauwhelm, protegé: de curator, de vereffenaar en de schuldenaar-in-reorganisatie in hun verhouding tot de schuldeisers. Een vergelijking met betrekking tot de actio pauliana, de zijdelingse vordering en de vordering tot vergoeding van collectieve schade”, TRV-RPS 2016, (39) 43, nr. 6.

[24] Zie artikel 5:143 WVV.

[25] Memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/1, 179.

[26] Zie de Memorie van toelichting, Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, 71; Zie ook F.K. Buijn en P.M. Storm, Ondernemingsrecht BV en NV in de praktijk, Deventer, Kluwer, 2013, 76.

[27] Zie artikel 3:47 NBW en artikel 45 NFw.

[28] V. Sagaert, “De gevolgen van de actio pauliana en haar band met de ongerechtvaardigde verrijking”, TBBR 2001, (569) 574-575, nr. 7.

[29] Zie artikel 1235 en 1376 BW.

[30] Zie V. Sagaert, “De gevolgen van de actio pauliana en haar band met de ongerechtvaardigde verrijking”, TBBR 2001, (569) 582, nr. 21; F. Laurent, Principes de droit civil, XVI, Brussel, Bruylant, 1878, 571, nr. 492.

[31] Zie de bespreking bij J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 65, nr. 97 e.v.

[32] Zie bv. M.E. Storme, “Een aanvechtbare constructie. De pauliana in het arrest van 9 februari 2006” (noot onder Cass. 9 februari 2006), RW 2007-08, (1497) 1500, nr. 13; J. Vananroye en L. Mariën, “Fraus en schuldeisersbenadeling in het ondernemingsrecht” in A. De Boeck, I. Samoy, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Fraus omnia corrumpit: mogelijkheden en moeilijkheden in het privaatrecht, Brugge, die Keure, 2014, (107) 144, nr. 29.

[33] De algemene zorgvuldigheidsplicht van bestuurders (inclusief de zogenoemde marginale toetsing) is nu neergelegd in artikel 2:56 WVV.

[34] De hoofdelijkheid wordt ook bevestigd in enkele bijzondere aansprakelijkheidsgronden, zoals het later besproken artikel 5:144 WVV (schending van de uitkeringstest in de BV).

[35] Artikel 2:56, tweede en vierde lid WVV

[36] Artikel 2:56, derde en vierde lid WVV

[37] Zie reeds Cass. 2 april 1936, Pas. 1936, I, 209.

[38] Zie bv. Cass. 3 mei 1996, Arr.Cass. 1996, 388.

[39] Zie Cass. 15 februari 1974, Arr.Cass. 1974, 661.

[40] Zie ook de Memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/1, 60.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s