Cassatie over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen

In een belangrijk arrest van 17 december 2019 (P.19.0845.N/7) heeft het Hof van Cassatie toelichting gegeven bij de materiële en morele toerekenbaarheid van misdrijven aan rechtspersonen. Artikel 5, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. De invulling van deze voorwaarden in de onstoffelijke context van rechtspersonen staat garant voor aangename discussies en uitgebreide conclusies. Continue reading “Cassatie over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen”

Ook onrechtmatig verkregen activa van de rechtspersoon kunnen worden misbruikt

Cassatie 2 oktober 2019 (P.18.0981.F)

Een arrest van het Hof van Cassatie van 2 oktober 2019 maakt duidelijk dat ook de activa die een rechtspersoon op onrechtmatige wijze heeft verkregen in aanmerking komen voor het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen (art. 492bis Sw).

Terecht merkt het Hof van Cassatie op dat die strafbaarstelling als doel heeft om de integriteit van  het maatschappelijk vermogen en de waarde van de rechtspersoon te beschermen tegen de frauduleuze praktijken van haar bestuurders. Continue reading “Ook onrechtmatig verkregen activa van de rechtspersoon kunnen worden misbruikt”

Wie onderneemt onder het mom van een spookvennootschap is persoonlijk aansprakelijk

Cassatie 28 september 2018 (C.18.0044.N)

Een arrest van het Hof van Cassatie van 28 september 2018 (C.18.0044.N) stelt in het licht dat wie handel drijft in naam van een vennootschap die niet (meer) bestaat, uiteraard zelf aansprakelijk is voor de verbintenissen van die vennootschap.

Misschien niet helemaal toevallig ging het om een Centros-bijkantoor, een Engelse Limited met een Belgisch bijkantoor en louter een brievenbus in het Verenigd Koninkrijk. Naar Engels recht was deze vennootschap na ontbinding opgehouden te bestaan.  Deze beslissing, ook gepubliceerd in nr. 5 van de lopende jaargang van het RW, luidt als volgt: Continue reading “Wie onderneemt onder het mom van een spookvennootschap is persoonlijk aansprakelijk”

Aandeelhouder beschikt ook na afsluiting faillissement niet over zelfstandige vordering voor afgeleide schade

Cass. 10 mei 2019 (C.17.03.97.N) gaat verder op de ingeslagen weg

Dat het leerstuk van de afgeleide schade van een aandeelhouder voor sommigen nog niet aan zijn laatste episode was toegekomen, bewijst een uitspraak van het Hof van Cassatie op 10 mei 2019.

Wat we reeds wisten: indien een derde schade berokkent aan een vennootschap, beschikt een individuele aandeelhouder van die vennootschap voor zijn afgeleide schade niet over een vorderingsrecht ten aanzien van de foutieve derde, ook al stelt de vennootschap of de curator, na faillissement van de vennootschap, zelf geen vordering in. Continue reading “Aandeelhouder beschikt ook na afsluiting faillissement niet over zelfstandige vordering voor afgeleide schade”

De gewaagde positie van de zaakvoerder van een CommV die geen vennoot is: Cassatie, WVV en het Nederlandse Wetsvoorstel Modernisering Personenvennootschappen

Bespreking van Cass. 2 februari 2018

Vorig jaar las u hier over het merkwaardige arrest van het Hof van Cassatie dd. 2 februari 2018 (“New Super Marché de la Remorque”) over aansprakelijkheid als aandeelhouder van een zaakvoerder in een Comm.V.

Inmiddels werd bij dit arrest een noot gepubliceerd in het TRV-RPS door Joris Lannoy (“De gewaagde positie van een externe zaakvoerder in de gewone commanditaire vennootschap”, noot onder Cass. 2 februari 2018), TRV-RPS 2018, 900 e.v.).

De auteur verdedigt dat een Comm.V. geldig kan worden opgericht met een structuur waarbij de beherende en stille vennoot zelf vennootschappen zijn, en met een zaakvoerder-natuurlijke persoon die zelf geen vennoot is maar wel controle uitoefent over beide vennoten-rechtspersonen.

Hij stelt echter vast dat zulke structuur in geval van financiële moeilijkheden een uitnodiging in zich draagt voor schuldeisers of curator om, de onbeperkte aansprakelijkheid van een beherend vennoot indachtig, te pogen aan te tonen dat de schijnbaar externe zaakvoerder ook als (beherend) vennoot van de Comm.V. moet worden beschouwd. Continue reading “De gewaagde positie van de zaakvoerder van een CommV die geen vennoot is: Cassatie, WVV en het Nederlandse Wetsvoorstel Modernisering Personenvennootschappen”

Hof van Cassatie: quasi-immuniteit bestuurder niet van toepassing bij bijzondere faillissements-aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout

Cass. 12 oktober 2018, C.17.0614.N/1

In een arrest van 12 oktober 2018 oordeelt het Hof van Cassatie dat een bestuurder van een gefailleerde vennootschap geen beroep kan doen op de regel van de quasi-immuniteit indien hij een kennelijk grove fout beging die heeft bijgedragen tot het faillissement. Daarmee bevestigt het Hof van Cassatie het oordeel van de appelrechters (Antwerpen 15 juni 2017, TRV-RPS 2018, 541, noot R. VERHEYDEN), zij het in andere bewoordingen. Continue reading “Hof van Cassatie: quasi-immuniteit bestuurder niet van toepassing bij bijzondere faillissements-aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout”

Dagvaardingen en groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid: let op uw woorden!

Een post door gastblogger Sven Sobrie

Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid is als zodanig geen rechtssubject. Zij kan – behoudens wettelijke uitzonderingen – geen drager zijn van rechten en verplichtingen. Dat betekent evenwel niet dat een dergelijke groepering niet kan deelnemen aan het rechtsverkeer. Wél is daarvoor wat intellectuele gymnastiek vereist. In groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid is het niet de groepering als zodanig, maar zijn het de gezamenlijke leden, die titularis zijn van de rechten en verplichtingen van de groepering. Deelname aan het rechtsverkeer is dus perfect mogelijk, maar dan via het gezamenlijk optreden van de leden. Zo kan een werknemer geldig verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met een feitelijke vereniging, begrepen als het geheel van haar leden.

Een dergelijk ‘collectief optreden’ neemt in de praktijk doorgaans de vorm aan van één lid (de voorzitter, de secretaris, de penningmeester, …) die rechtshandelingen stelt als vertegenwoordiger van de individuele leden. Op die manier hoeft niet elke muzikant zijn krabbel te zetten wanneer de lokale fanfare beslist om een nieuwe trommel te kopen. Een mandaat kan voorzien zijn in de statuten of kan ad hoc worden toegekend, uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend. Er kan zelfs sprake zijn van een schijnmandaat, indien aan alle voorwaarden daarvan is voldaan.

Procesrechtelijk gelden dezelfde principes. Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid kan als eiser of verweerder een procedure voeren, al is het dan niet de groepering als zodanig, maar wel de individuele leden, die procespartij zijn. Opnieuw krijgt dat doorgaans praktische uitwerking via een of andere vorm van vertegenwoordiging. De rechtspraak toont zich daarbij – terecht – veeleer soepel: wie in het algemeen belast is met bestuur en vertegenwoordiging van de groepering wordt doorgaans ook bevoegd geacht om namens de leden qualitate qua een geding te voeren. Een uitdrukkelijke procesvolmacht is dus niet vereist.

Wel dient men op te letten bij de formulering van de gedinginleidende akte. Continue reading “Dagvaardingen en groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid: let op uw woorden!”

Cassatie: de werkende vennoot in een VOF of CommV is ook een onderneming

In een arrest van 22 juni 2018 (C.17.0587.F) stelt het Hof van Cassatie dat de vennoot in een VOF of de werkende vennoot in een CommV een ‘onderneming’ is:

“Aux termes de l’article 202 du Code des sociétés, la société en commandite simple est celle que contractent un ou plusieurs associés responsables et solidaires, que l’on nomme les commandités, et un ou plusieurs associés simples bailleurs de fonds, que l’on nomme les commanditaires.

En vertu de l’article 205 du même code, la société est en nom collectif à l’égard des associés indéfiniment responsables et en commandite simple à l’égard des bailleurs de fonds.

Les personnes qui font commerce en nom collectif sont présumées être des entreprises. Elles acquièrent cette qualité par leur participation à la société.

Tous les associés d’une société en nom collectif sont qualifiés d’entreprises.

Partant, les commandités d’une société en commandite simple doivent aussi être qualifiés d’entreprises.”

Uit de electronisch publicatie van het cassatie-arrest kan niet worden afgeleid over welk ondernemingsbegrip uit welke wetsbepaling het gaat. Daarvoor moet het verzoekschrift worden meegelezen, dat echter niet is mee gepubliceerd. Uit de arresten a quo (waarover we wel beschikken), kan worden afgeleid dat het gaat om een stakingsvordering inzake marktpraktijken. Het relevante ondernemingsbegrip is dus het huidige art. I.1, 1° WER : elke natuurlijke of rechtspersoon die duurzaam een economische activiteit uitoefent.

Het geschil werd ingesteld door autobusexploitanten tegen taxichauffeurs i.v.m. het ‘assertief’ afwerven van klanten voor het vervoer tussen Brussel-Zuid en de luchthaven van Charleroi.  Continue reading “Cassatie: de werkende vennoot in een VOF of CommV is ook een onderneming”

Zorgt het ontwerp van nieuw BW voor een spectaculaire verzwaring van de externe bestuursaansprakelijkheid?

Voorgestelde afschaffing van immuniteit van uitvoeringsagent heeft onvoorziene gevolgen voor handelsverkeer

Het in een vorige post besproken cassatie-arrest van  4 mei 2018 bevestigt nogmaals dat ook de bestuurder van een vennootschap kan genieten van de immuniteit van de uitvoeringsagent indien hij wordt aangesproken door een contractuele schuldeiser van de vennootschap voor de niet-uitvoering van de contractuele verbintenis van die vennootschap:

“Lorsqu’une personne morale agit par un organe pour l’exécution de son obligation contractuelle, celui-ci ne peut être déclaré responsable sur le plan extracontractuel que si le manquement qui lui est reproché a causé un dommage autre que celui résultant de la mauvaise exécution du contrat.

Le moyen, qui, en cette branche, repose sur le soutènement qu’il suffit, pour engager sa responsabilité, que l’organe ait manqué à l’obligation générale de prudence, manque en droit.”

Ik zelf werd, zoals zovelen, ingeleid in de regel van de immuniteit van de uitvoeringsagent door een bespreking van het zgn. “Stuwadoorsarrest” van 7 december 1973. Ik had, zoals zovelen, geen idee wat een stuwadoor of stevedore is. Het bleek “iets in de haven” te zijn. Als student stopte ik dit in het het mentale vakje van kennis die ik wellicht nooit nodig zou hebben. Misschien komt het door mijn koudwatervrees, maar havenwerk sprak me niet aan.

Het onderschatten van de immuniteit van de uitvoeringsagent was een zware vergissing. Continue reading “Zorgt het ontwerp van nieuw BW voor een spectaculaire verzwaring van de externe bestuursaansprakelijkheid?”

Het Hof van Cassatie over het startpunt van de verjaringstermijn bij het niet-naleven van de alarmbelprocedure

Cass. 2 mei 2018: verjaringstermijn start bij verstrijken termijn van 2 maanden voor bijeenkomen AV

In een arrest van 4 mei 2018 oordeelde het Hof van Cassatie over het startpunt van de vijfjarige verjaringstermijn van bestuursaansprakelijkheid bij de niet-naleving van de alarmbelprocedure. Deze procedure bepaalt dat, wanneer ten gevolge van geleden verlies het netto-actief gedaald is tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal,  het bestuursorgaan er voor zorgt dat de algemene vergadering bijeenkomt binnen een termijn van ten hoogste twee maanden nadat het verlies is vastgesteld of krachtens wettelijke of statutaire bepalingen had moeten worden vastgesteld (art. 332 W.Venn. voor de NV). Het Hof oordeelt dat de verjaringstermijn begint te lopen op het einde van de termijn van 2 maanden binnen de welke de AV had moeten zijn bijeengekomen: Continue reading “Het Hof van Cassatie over het startpunt van de verjaringstermijn bij het niet-naleven van de alarmbelprocedure”

Hof van Cassatie wijzigt klassieke rechtspraak over gevolg van veroordeling van V.O.F. voor firmanten

Verhouding met regels nieuwe Boek XX erg onduidelijk

In een arrest van 13 april 2018 oordeelt het Hof van Cassatie dat de veroordeling lastens een V.O.F. geen gezag van gewijsde heeft t.a.v. werkende vennoten die geen partij waren in de procedure. Hiermee wijkt het Hof van Cassatie af van een eeuwenoude rechtspraak. Deze nieuwe rechtspraak lijkt ons  niet verzoenbaar met het nieuwe Boek XX; al dacht het Hof wellicht dat het net anticipeerde op de inwerkingtreding van die regels op 1 mei 2018, twee weken na het arrest. Continue reading “Hof van Cassatie wijzigt klassieke rechtspraak over gevolg van veroordeling van V.O.F. voor firmanten”

Superconfex-arrest: Cassatie bevestigt principes over draagwijdte van ‘lex concursus’ en individuele schade bij oplichting

Cassatie 4 april 2017 (“Superconfex”)

In een arrest van 4 april 2017 (P.16.0484) inzake het faillissement van de bekende textielketen “Superconfex”, diende het Hof van Cassatie zich te buigen over enkele vragen die zich situeren in het domein van het (Europese) insolventierecht en het strafrecht. We focussen daarbij op de voornaamste juridische knopen die het Hof moest doorhakken: het toepassingsgebied van de lex concursus en de aanwezigheid van individuele schade in hoofde van een schuldeiser die slachtoffer was van oplichting. Continue reading “Superconfex-arrest: Cassatie bevestigt principes over draagwijdte van ‘lex concursus’ en individuele schade bij oplichting”

Recht is belangenafweging: Cassatie over de verhouding tussen boedelschuldeisers en zekerheidsschuldeisers

Recht is belangenafweging. Deze (evidente) waarheid is terug te vinden in zelfs de meest technische bepaling. Een mooi voorbeeld hiervan wordt geboden door de regeling voorzien in art. 37 WCO (binnenkort: art. XX.58 WER). Dit artikel bepaalt ten eerste het statuut van schuldvorderingen die beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie in een navolgende vereffening of faillissement en ten tweede de verhouding tussen deze schuldvorderingen en de rechten van zekergestelde schuldeisers. Een recent cassatiearrest van 22 februari 2018 (C.17/0503.N/1) luidt een ommekeer in wat deze verhouding betreft.  Continue reading “Recht is belangenafweging: Cassatie over de verhouding tussen boedelschuldeisers en zekerheidsschuldeisers”

Het Hof van Cassatie over ‘doorbraak’ van beperkte aansprakelijkheid naar ‘le véritable maître de l’affaire’

Cass. 2 februari 2018 over aansprakelijkheid in de Comm.V

Op 2 februari 2018 velde het Hof van Cassatie een merkwaardig arrest  (“New Super Marché de la Remorque”) over aandeelhoudersaansprakelijkheid.

Het arrest verwerpt het cassatie-beroep tegen een beroepsarrest dat twee categorieën personen aansprakelijk stelt die normaal niet onbeperkt aansprakelijk zijn in de Comm.V.: de zaakvoerder die geen werkende vennoot is en de vennoten van de stille vennoot (waarbij die stille vennoot zelf een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is).

De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen zijn zeer specifiek en het cassatie-arrest schuwt algemene uitspraken te doen. Toch rijst de vraag wat de consequenties zijn van dit arrest voor andere Comm.V’s en zelfs andere vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.  Continue reading “Het Hof van Cassatie over ‘doorbraak’ van beperkte aansprakelijkheid naar ‘le véritable maître de l’affaire’”

Nieuwe aanvraag tot gerechtelijke reorganisatie na intrekking van het reorganisatieplan. Cassatie zet het licht op groen.

Artikel 23, § 5 WCO bepaalt dat wanneer het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie uitgaat van een schuldenaar die meer dan drie maar minder dan vijf jaar tevoren reeds het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd en verkregen, de nieuwe procedure van gerechtelijke reorganisatie niet mag terugkomen op de verworvenheden van de schuldeisers die zijn verkregen tijdens de vorige procedure.

Met deze regel, ingevoerd bij Wet van 27 mei 2013 tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van de ondernemingen, beoogt de wetgever te verzekeren dat een nieuw plan een oud plan niet kan wijzigen (A. Van Hoe, “Continuïteit voor de Wet Continuïteit Ondernemingen”, RW 2013-14, 1210).

Quid indien het oud plan ingetrokken werd op grond van art. 58 WCO, zonder dat het enige uitvoering heeft gekregen? Verhindert zulks dat een nieuwe procedure van gerechtelijke reorganisatie wordt geopend? In een arrest van 12 oktober 2017 (Nr. C.17.007.N) beantwoordt het Hof van Cassatie deze vraag (terecht) negatief: Continue reading “Nieuwe aanvraag tot gerechtelijke reorganisatie na intrekking van het reorganisatieplan. Cassatie zet het licht op groen.”