Een vonnis van 3 februari 2026 van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank behandelt een particuliere casus:
- Een vennootschap wordt failliet verklaard in 2009, waarbij meester X wordt aangesteld als curator.
- Het faillissement wordt afgesloten in 2016. Dat brengt de sluiting van de vereffening van de rechtspersoon met zich mee waarbij, bij afwezigheid van een vereffenaar, de voormalige zaakvoerder als vereffenaar geldt die desgevallend later nog in die hoedanigheid kan worden gedagvaard.
- Het vonnis tot sluiting van het faillissement vermeldt correct de voormalige bestuurders als vereffenaars, maar de publicatie van dat vonnis in het BS (wat gebeurt door de griffie) vermeldt per vergissing meester X (de voormalige curator) als vereffenaar.
- Het Fonds Sluiting Ondernemingen dagvaardt in 2025 de ontbonden en vereffende vennootschap, gebruikmakend van de zgn. ‘passieve rechtspersoonlijkheid’ (die traditioneel gelezen wordt in de verjaringsregel art. 2:143 § 1, vijfde streepje). In casu bleek er een bescheiden bedrag te zijn geconsigneerd, wat de reden was om een titel lastens de vereffende vennootschap te verkrijgen.
- Na een vereffening verdwijnt een vennootschap als rechtspersoon. De ‘passieve rechtspersoonlijkheid’ die hierop een uitzondering vormt veronderstelt dat de voormalige vereffenaar ‘in hoedanigheid’ wordt gedagvaard. Dit betreft geen vordering tegen de vereffenaar persoonlijk; de vereffenaar is slechts formele procespartij. Als die vordering slaagt verkrijgt de eiser een veroordeling van de vereffende vennootschap.
- Het Fonds had de voormalige bestuurders ‘in hoedanigheid’ moeten dagvaarden, maar, misleid door de slordige publicatie, wordt meester X als vereffenaar van de vennootschap gedagvaard.
Quid?