Over (evidente?) prioriteiten

Met enige vertraging werd zonet het wetsontwerp houdende omzetting van de Herstructureringsrichtlijn en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit gepubliceerd. Zo zou deze post kunnen beginnen, maar het is blijkbaar nog even afwachten.

Dan maar iets anders. De voorbije dagen is veel commotie ontstaan omtrent de onfortuinlijke behandeling die houders van AT1 obligaties (zogenaamde CoCo’s) uitgegeven door Credit Suisse te beurt is gevallen. Deze commotie houdt dan voornamelijk verband met het feit dat aandeelhouders van Credit Suisse een minieme restwaarde behouden, terwijl de AT1 obligaties volledig van tafel worden geveegd.

Continue reading “Over (evidente?) prioriteiten”

Tweede kans reorganisatieplan en procesrecht – Cass. 9 februari 2023

Terwijl het verzamelde Belgische insolventielandschap (de volle 10 M/V/X) angstvallig de website van De Kamer opvolgt in afwachting van de publicatie van het wetsontwerp tot implementatie van de Herstructureringsrichtlijn, gaat het gewone leven verder, los van flashy onderwerpen zoals categorieën van schuldeiseisers, cram-downs en bestuurder-ondernemers.

In een arrest van het Hof van Cassatie van 9 februari 2023 stond het eerder doordeweekse art. XX.79. § 1 WER centraal.

Indien de rechtbank oordeelt dat de pleegvormen niet werden nageleefd of dat het plan de openbare orde schendt, mag zij bij een met redenen omklede beslissing en vooraleer recht te doen, aan de schuldenaar toestaan een aangepast reorganisatieplan aan de schuldeisers voor te leggen volgens de pleegvormen van artikel XX.77.

Continue reading “Tweede kans reorganisatieplan en procesrecht – Cass. 9 februari 2023”

EU Listing Act – voorstel tot herziening van de Prospectusverordening, MAR en de Noteringsrichtlijn

Een post door gastbloggers Joris De Wolf, Bert Antonissen en Thijs Keuleers (Eubelius)

De Europese Commissie presenteerde op 7 december 2022 haar Listing Act Package, een geheel van maatregelen om kapitaalmarkten aantrekkelijker te maken voor Europese ondernemingen, en in het bijzonder voor KMO’s.

De Listing Act beoogt om – via beperkte technische aanpassingen – de kosten verbonden aan een beursnotering te beperken en de rechtszekerheid voor emittenten te verhogen, zonder daarbij afbreuk te doen aan beleggersbescherming en marktintegriteit.

De Listing Act omvat de volgende voorstellen:

De voornaamste wijzigingen aan de Prospectusverordening, de Verordening Marktmisbruik en de Listing Directive worden toegelicht in deze presentatie.

Wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid”

Na het verbintenissenrecht wordt het formele startschot gegeven van de hervorming van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. Het wetsvoorstel (ingediend door de heer Koen Geens en mevrouw Katja Gabriëls) is hier consulteerbaar.

Oprichting leerstoel Business Compliance

VBO FEBGhent UniversityUniversity of Liège richten een leerstoel op inzake business compliance.

In diverse domeinen worden ondernemingen geconfronteerd met allerlei innovatieve vormen van compliance. Aan het naleven van die nieuwe regels zijn voordelen verbonden. Het niet-naleven van complianceregels kan dan weer aanleiding geven tot sancties. Ondanks de spectaculaire groei van compliance, blijft het antwoord op belangrijke vragen (Wie bepaalt complianceregels? Hoe worden ze opgevolgd? Hoe worden ze afgedwongen?) nog onduidelijk. De verhouding tussen die nieuwe vormen van ‘regels’ en traditionele regels (wetgeving), evenals de verhouding tussen ondernemingen en overheid doen ook vragen rijzen.

De leerstoel zal het concept ‘business compliance’ conceptualiseren om tot een beter begrip van het fenomeen te komen. Leerstoelhouders zijn Hans De Wulf en Roman Aydogdu.

Op 15 maart aanstaande wordt de leerstoel boven het doopvont gehouden in aanwezigheid van de rectoren Rik Van de Walle en Anne-Sophie Nyssen. Bijkomende academische input wordt geboden door Marie-Anne Frison-Roche (𝒎𝒂𝒇𝒓)Hein Lannoy formuleert enkele bedenkingen vanuit de praktijk.

Met deze leerstoel wil het VBO FEB het fenomeen compliance op wetenschappelijk verantwoorde manier op de kaart zetten.

Inschrijven voor dit lanceringsevent is gratis (en kan hier) en een must voor eenieder die, op diverse wijze, met compliance in aanraking komt.

EU-US Comparative Perspectives on Sustainable Finance Law – 3 maart 2023 (Leuven/Yale) 

Sustainable (Finance) Law is een belangrijk onderwerp. Het Jan Ronse Instituut voor Vennootschaps- en Financieel Recht organiseert hierover een conferentie samen met de Yale Law & Business Society. De uitnodiging voor deze gratis conferentie, die vanop afstand te volgen is, wordt hieronder hernomen.

We are pleased to invite you to our conference on Comparative Perspectives on Sustainable Finance Law, jointly organized by the Yale Law & Business Society and the Jan Ronse Institute, on 3. March 2023.

Regulators on both sides of the Atlantic are reshaping the financial rulebook to support the transition towards a more sustainable economy. The conference offers a pioneering forum to compare sustainable finance regulations in force in the EU with the regulatory initiatives that are now proposed in the U.S. Identifying similarities or insurmountable differences between the EU and US approaches towards sustainable finance will shed light on which, if any, common transatlantic transformations of the financial system are to be expected.

The conference opens with a keynote speech by Professor Veerle Colaert, discussing the conflicts arising between sustainable finance and traditional objectives of financial regulation. The speech is followed by four legal expert panels, addressing the relationship between sustainability and investor protection, financial stability, monetary policy and corporate governance.  Jan Ronse institute members Arnaud Van Caenegem, Joeri De Smet, Pieterjan Heynen, Tom Vos and Marleen Och will present on the various panels.

The conference takes place on 3 March 2023 at Yale Law School.

Interested participants can view the programme and register for free via the following link: https://yaleconnect.yale.edu/YLBS/rsvp_boot?id=1958192.

A Zoom link for online participation will be sent to all registered participants.

We look forward to entering the discussion with you on this important topic.

Belgische wetgever geeft gevolg aan Europese UBO-rechtspraak: legitiem belang vereist voor toegang UBO-register

Een gastblog van Marie-Aude Deslandes, Sophie Deckers en Emilie Bogaerts

In een arrest van 22 november 2022 oordeelde het Hof van Justitie dat de toegankelijkheid tot de informatie over de uiteindelijke begunstigden in alle gevallen voor elk lid van de bevolking, zoals opgelegd door de Antiwitwasrichtlijn (2018/843), disproportioneel is (zie hierover deze post). Volgens het Hof vormt deze bepaling een ernstige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens (art. 7 en 8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). De UBO-gegevens kunnen immers door eenieder worden opgezocht, opgeslagen en verspreid, hetgeen zou kunnen leiden tot misbruiken. Ook al streeft de bepaling een doelstelling van algemeen belang na die een inmenging zou kunnen rechtvaardigen (m.n. antiwitwasbestrijding), het Hof meent dat voorliggende inmenging niet beperkt is tot het strikt noodzakelijke en niet evenredig is met het nagestreefde doel.

De Belgische wetgever heeft de bepalingen van de Belgische Antiwitwaswetgeving, op grond waarvan elk lid van de bevolking het UBO-register kon raadplegen, aangepast. Op 17 februari 2023 verscheen de Wet tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (hierna de “Wijzigingswet“) in het Belgisch Staatsblad. Voortaan zal een natuurlijke persoon of rechtspersoon die toegang wenst tot de gegevens in het UBO-register, hiervoor een legitiem belang moeten aantonen.

Wat moet worden verstaan onder een legitiem belang, wordt verduidelijkt in een Koninklijk besluit (KB tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register), eveneens op 17 februari 2023 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het legitiem belang moet in elk geval kaderen in de voorkoming van het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en verbonden onderliggende activiteiten, zoals gedefinieerd in de Antiwitwaswet (hierna “Antiwitwasbestrijding“). Het KB verduidelijkt dat de aanvrager over een legitiem belang beschikt, indien hij aan één van volgende voorwaarden voldoet: 

  • de aanvrager heeft een doel of voert op duurzame en effectieve wijze activiteiten uit in verband met Antiwitwasbestrijding;
  • de aanvrager treedt op in rechte in het kader van het doel of activiteiten in verband met Antiwitwasbestrijding, met het oog op de verdediging van een belang dat verband houdt met dat doel of die activiteiten; of
  • de aanvrager zal een economische relatie aangaan of verrichtingen uitvoeren met een informatieplichtige en de aanvrager is betrokken in activiteiten die kaderen in Antiwitwasbestrijding

 Het kan gaan om bv. onderzoeksjournalisten of NGO’s die betrokken zijn bij Antiwitwasbestrijding.

In praktijk wordt de toegang dus grotendeels afgeschermd voor het grote publiek. Natuurlijke personen en rechtspersonen die niet betrokken zijn bij Antiwitwasbestrijding, hebben geen toegang. Een groot deel van de actoren die wel betrokken zijn bij Antiwitwasbestrijding (bv. omdat zij hiertoe wettelijk verplicht zijn) hadden reeds toegang tot het register, m.n. als bevoegde autoriteiten of onderworpen entiteiten.

Marie-Aude Deslandes, Sophie Deckers en Emilie Bogaerts

Advocaten bij Schoups

Ligt de weg open voor de rechter-wetgever?

In mijn eerste kandidatuur leerde ik het volgende: “[t].a.v. de wetgevende macht bevindt de rechterlijke macht zich in zekere zin in een ondergeschikte positie.” (J. Vande Lanotte en G. Goedertier, Overzicht publiekrecht, Brugge, die Keure, 2003, p. 856, nr. 1340). Vandaag, bijna twintig jaar later, liggen de kaarten wel wat anders.

Op 15 december 2022 heeft het Hof van Cassatie een nieuwe stap gezet inzake de overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de wetgever (zie voor een recent overzichtsartikel, F. Bouhon, “La responsabilité civile pour faute du législateur anno 2020″, JT 2020, 745-749). De centrale overweging van dit arrest luidt als volgt.

“La faute du législateur pouvant, sur la base des articles 1382 et 1383 de l’ancien Code civil, engager la responsabilité de l’État consiste en un comportement qui, ou bien s’analyse en une erreur de conduite devant être appréciée suivant le critère du législateur normalement soigneux et prudent, placé dans les mêmes conditions, ou bien, sous réserve d’une erreur invincible ou d’une autre cause d’exonération de la responsabilité, viole une norme de droit national ou de droit international ayant des effets directs dans l’ordre interne qui lui impose de s’abstenir ou d’agir d’une manière déterminée.”

Het principe inzake overheidsaansprakelijkheid voor wetgevende fouten was reeds gevestigd in een aantal eerdere arresten (zie, T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 233-258. Tevens kan worden verwezen naar de uitgebreide analyse in het bestreden arrest, die in schril contrast staat met de kenmerkende beknoptheid van het Hof van Cassatie). Het klassieke (tegen)argument dat een dergelijke aansprakelijkheid strijdig zou zijn met de scheiding der machten was reeds verworpen.

Het arrest van 15 december 2022 gaat echter een belangrijke stap verder. Tot op heden was er immers grote onzekerheid (zowel in rechtspraak als rechtsleer) over de precieze invulling van het foutbegrip in verhouding tot de wetgever. Meer bepaald was het onduidelijk of de rechter het doen én laten van de wetgever kan toetsen aan de algemene zorgvuldigheidsnorm (dus los van de schending door de wetgever van een hogere rechtsnorm die een welbepaald gedrag oplegt). Pierre Van Ommeslaghe kon het zich dertig jaar geleden maar moeilijk voorstellen (“La responsabilité des pouvoirs publics en droit interne” in Recht halen uit aansprakelijkheid, XIX PUC Willy Delva, Gent, Mys & Breesch, 1993, (412) 431).

“Sans doute est-il difficilement imaginable que l’ on apprécie la responsabilité du législateur selon le critère du “bonus pater familias”, compte tenu de la mission qui lui est constitutionnellement impartie. On voit mal, dans notre régime de droit public, le pouvoir judiciaire censurer la négligence ou l’incompétence du pouvoir législatif considéré comme l’ expression première de la souveraineté de la nation.”

Met het arrest van 15 december 2022 laat het Hof van Cassatie hierover echter geen twijfel meer bestaan. De overheidsrechter kan het wetgevend optreden (ook) toetsen aan de algemene zorgvuldigheidsnorm (zie reeds in die zin, L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De onrechtmatige daad, Antwerpen, Maklu, 1989, p. 216, nr. 124. Zie ook, met de nodige nuanceringen, E. De Kezel, “Het risico op aansprakelijkheid van de overheid voor fouten van de wetgever”, RW 2009-10, 130-148). En “da’s gene kattenpis”.  

Op vraag van het parlement analyseerden Mr. Pierre Van Ommeslaghe en Mr. Johan Verbist in 2008 de situatie als volgt (dit advies bevat ook een omstandige analyse van de rechtspraak op dat ogenblik):

“In de studie werd verdedigd dat het niet aan de rechterlijke macht toekomt om het handelen van de wetgever (of het gebrek aan handelen van deze laatste) te toetsen aan de algemene zorgvuldigheidsverplichting en, dienvolgens, de concrete gedragingen van de wetgever te vergelijken met hetgeen betamelijk is voor een normale en gemiddelde wetgever, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden. Een dergelijke controle, die in de rechtsleer niet onomstreden is, druist onder meer in tegen het beginsel van de scheiding der machten en staat bovendien haaks op de bijzondere rol die in ons constitutioneel bestel aan de wetgever toekomt.” (p. 47)

“Een dergelijk rechterlijk toezicht op de beoordelingsvrijheid van de wetgever, ook al is dit toezicht dan enkel middellijk en marginaal, kan niet overtuigen. Het
brengt immers het fragiele evenwicht in gevaar tussen het individuele en het algemene belang dat de wetgever wil bewerkstelligen en lijkt bovendien weinig aangepast aan situaties waarin de wetgever, op grond juist van de beoordelingsbevoegdheid die hem toekomt, een lange termijn strategie uitzet teneinde aan bestaande onvolkomenheden te remediëren.”
(p. 48-49)

Eenzelfde terughoudendheid kan bij andere specialisten worden vastgesteld (F. Bouhon, “La responsabilité civile pour faute du législateur anno 2020, JT 2020, (745) p. 749, nr. 16). De door Marc Uyttendaele gevreesde “juge législateur” (M. Uyttendaele, “Du réflexe salutaire à l’ivresse du pouvoir – Premières réflexions sur les arrêts de la Cour de cassation Eglise universelle du Royaume de Dieu et F. J” (noot onder Cassatie 28 september 2006), JLMB 2006, 1554-1564) komt hiermee een stap dichterbij.

Het kan vermoed worden dat deze rechtspraak op twee manieren onthaald zal worden.

Voor sommigen zal deze rechtspraak kaderen in de voltooiing van de rechtsstaat (vgl., W. van Gerven en S. Lierman, Algemeen Deel. Veertig jaar later. Privaat-en publiekrecht in een meergelaagd kader van regelgeving, rechtsvorming en regeltoepassing, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 238, nr. 84: “Rechterlijke toetsing van overheidshandelen in de ruime zin van het woord is een centraal gegeven in een democratische staat die ook een rechtsstaat is (…). In een voltooide rechtsstaat omvat zij niet alleen de toetsing van administratief maar ook van wetgevend handelen.”).

Anderen – en ik vermijd bewust al te grote uitspraken – zullen in dit arrest de voltooiing van een machtsgreep van de rechterlijke macht zien. Via het aansprakelijkheidsrecht (en binnen de voorwaarden van dit aansprakelijkheidsrecht) ligt de weg open voor de rechter om de rechter van de wetgever, en zo de finale wetgever, te worden. Een (anticipatief) voorbeeld hiervan wordt reeds geboden door het vonnis in de Belgische Klimaatzaak (zie, p. 57 e.v.).

Waarom wordt dit arrest besproken op deze blog, die zich in essentie richt op het privaatrecht? Omdat dit arrest ook voor het privaatrecht van zeer groot belang zal zijn. De wetgever ordent de maatschappij middels een afweging van alle relevante belangen. Dit gaat met de nodige opportuniteitskeuzen gepaard. Het resultaat van deze oefening kan (voortaan) door elke individuele rechter in vraag worden gesteld in het kader van een aansprakelijkheidsdebat. In principe met de nodige terughoudendheid, maar de mate van terughoudendheid (in woord én in daad) durft nogal eens te verschillen van rechter tot rechter.

Net zoals burgers en ondernemingen zal nu ook de wetgever geconfronteerd worden met de open norm die de algemene zorgvuldigheidsnorm in essentie is. Cynici zullen hierin een bepaalde rechtvaardigheid vinden.

In zijn boek Revolutie met recht sprak de Nederlandse advocaat Roger Cox over “een vrijwillige ondercuratelestelling van regeringen en parlementen door de rechterlijke macht” (p. 232). Met het arrest van 15 december 2022 lijkt deze ondercuratelestelling een feit naar Belgisch recht. Vrijwillig is ze echter niet. Benieuwd hoe dit arrest onthaald zal worden te Natieplein 2, 1008 Brussel.

Proposal for a Directive harmonising certain aspects of insolvency law

Today the European Commission presented a new proposal for a directive to harmonise certain aspects of insolvency law. The proposal can be consulted here.

According to the Commission, the very divergent insolvency rules in the EU are often mentioned as a significant obstacle to the further development of the Capital Markets Union. They deliver different outcomes across Member States, and in particular they have different degrees of efficiency in terms of the time it takes to liquidate a company and the value that can eventually be recovered.

The proposal aims at encouraging cross border investment within the single market through targeted harmonisation of insolvency proceedings. It targets the three key dimensions of insolvency law: (i) the recovery of assets from the liquidated insolvency estate; (ii) the efficiency of procedures; and (iii) the predictable and fair distribution of recovered value among creditors. It provides for:

  • Minimum set of harmonised conditions for exercising avoidance actions;
  • Strengthening asset traceability through improved access by insolvency practitioners to asset registers, including in a cross-border setting;
  • Provisions to introduce so called ‘pre-pack’ liquidation procedures.
    Provisions on a duty of directors to timely file for insolvency to avoid potential asset value losses for creditors;
  • Simplified liquidation procedure for insolvent microenterprises;
  • Requirements for improving the representation of creditors’ interests in the proceedings through creditors’ committees;
  • Enhanced transparency for creditors on the key features of national insolvency regimes, including on the rules governing insolvency triggers and the ranking of claims.

A more detailed analysis of this proposal will follow shortly.

Bestuurdersaansprakelijkheid in het licht van ESG

Afgelopen vrijdag werd de derde editie van het boek Bestuur van vennootschappen (B. Tilleman en K. Dewaele m.m.v. Nicolas Van Damme) voorgesteld op een studienamiddag te Leuven. Meer dan ooit is dit hét standaardwerk over alles wat met het bestuursmandaat te maken heeft.

Zelf mocht ik 10 minuten spreken over bestuurdersaansprakelijkheid in het licht van ESG. Mijn slides zijn hier consulteerbaar.

De ideeën vervat in deze presentatie zullen worden uitgewerkt in een bijdrage die (als de peer review succesvol wordt doorstaan) zal worden gepubliceerd in het TRV/RPS.

Algemeen kan gesteld worden dat het aansprakelijkheidsrecht, samen met andere privaatrechtelijke rechtsfiguren, een belangrijke aanvulling is én blijft op de steeds gedetailleerdere regels waarmee ondernemingen en bestuurders rekening moeten houden.

Het foutconcept, begrepen in de zin van een schending van de algemene zorgvuldheidsnorm, bevat hierbij een zeer vruchtbare bodem om allerlei maatschappelijke opvattingen over duurzaamheid juridisch relevant te maken.

Er zijn echter ook hindernissen. Deze situeren zich essentieel op het niveau van de schade en het causaal verband. Toekomstige en onzekere schade, waarbij de band tussen schade en het schadeverwekkend feit onzeker/moeilijk bepaalbaar/speculatief is, komt in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Maar de invulling van rechtsbegrippen kan evolueren en het zou niet de eerste keer zijn dat het aansprakelijkheidsrecht door de rechtspraak in nieuwe richtingen wordt geduwd (bv. aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken – zie, L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, p. 457, nr. 279). Ook de aangekondigde hervorming van het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht is een belangrijk gegeven in dit verband.

Duty of care: van het boek naar het scherm

In de strijd tegen klimaatverandering worden wereldwijd processen gevoerd tegen overheden en ondernemingen. De Nederlandse Urgenda en Shell-zaken worden hierbij als baanbrekend beschouwd. In beide zaken stond (en staat) de Nederlandse advocaat Roger Cox centraal. Meester Cox beoogt een revolutie met recht, waarin de rechterlijke macht centraal staat.

In de woorden van Mr. Cox is er immers “slechts één democratische uitweg uit de impasse waarin de westerse samenleving zich bevindt”, namelijk “een vrijwillige ondercuratelestelling van regeringen en parlementen door de rechterlijke macht” (Revolutie met recht, p. 232).

De juridische revolutie die Mr Cox nastreeft, heeft voor-en tegenstanders, zowel wat de inzet van de strijd betreft (ondanks de voorzienbare gevolgen) als de daartoe gehanteerde middelen (in essentie de verhouding wetgever-rechter).

Over deze strijd werd een documentaire gemaakt: Duty of Care. Pleiten voor de planeet, die op 2 november 2022 wordt vertoond op Canvas (20.35 u). Aanbevolen, in afwachting van het nieuwe seizoen van The Crown (spoiler: het loopt (ook daar?) niet goed af).

Toelichtende nota Commissie Corporate Governance inzake onafhankelijke bestuurders

Onafhankelijke bestuurders zijn sedert geruime tijd een essentieel onderdeel van een goede corporate governance. Zij moeten in alle omstandigheden het belang van de vennootschap behartigen en dit vennootschapsbelang afstemmen op de belangen van de verschillende bij de onderneming betrokken belanghebbenden.

Omdat echte onafhankelijkheid zich niet beperkt tot het voldoen aan formele criteria, vond de Corporate Governance Committee het gepast het begrip onafhankelijke bestuurder, de bijzondere gevallen waarin de onafhankelijke bestuurder een doorslaggevende rol speelt en het wenselijke gedrag in die situaties nader toe te lichten. De toelichtende nota (Nederlands en Frans) is thans beschikbaar.

Tijdens de Listed Company Day, zullen prof. dr. Hans De Wulf en drs. Jan Cerfontaine hier dieper op ingaan en spreken over “The role of independent directors: a critical evaluation of current approaches”.

Inschrijven voor deze dag is nog steeds mogelijk. Het volledige programma leest als volgt:

14:00 Welcome and introduction

14:20 Setting the scene – European and international trends impacting directors. Marnix Van dooren, Assurance Partner (EY Belgium)

14:50 Insights into sustainable value creation and stakeholder management. Initial findings of the GUBERNA study on sustainable value creation. Sandra Gobert, Executive Director (GUBERNA)

15:20 The role of independent directors: a critical evaluation of current approaches.

Hans De Wulf, Full Professor (Financial Law Institute at Gent University)
Jan Cerfontaine, Guest Professor (Financial Law Institute at Gent University)

15:50 Coffee break

16:20 Panel discussion : The director’s perspective (Moderator: Arie Van Hoe, Executive Manager Law & Business at VBO FEB)

Laurence Debroux, Director (Solvay, Novo Nordisk, Exor NV & Juventus Football Club)
Vincent Reuter, Chairman (Credendo & ICC Belgium)
Koen Hoffman, Chairman (Greenyard, Fagron, Snowworld & MDxHealth)
Herman Daems, Chairman (BNP Paribas Fortis)

17:00 Keynote speech by Pieter Loose, CEO (EKOPAK)

17:30 Networking cocktail

Het vervolg van het Shell-vonnis: tweede ronde

Het Shell-vonnis van 26 mei 2021 blijft juristen beroeren (voor een grondige bespreking, zie J. Bouckaert en S. François, “Actieve rol voor de rechter bij het bepalen van het (ondernemings)beleid? – Noot onder het Shell-vonnis van 26 mei 2021” in A. Van Hoe en G. Croisant (eds.), Brussel, Larcier, 2022, Recht en duurzaamheid / Droit et durabilité, p. 3-60). Zoals toegelicht in een vorige post wordt de strijd verdergezet in hoger beroep. Gisteren hebben de partijen Milieudefensie c.s. geconcludeerd in antwoord op de memorie van grieven van Royal Dutch Shell plc. Deze conclusie (een kloeke 250 bladzijden) kan hier worden geconsulteerd.

Opmerkelijk is dat recent een derde partij (Clintel) een vordering tot tussenkomst (of voeging) in het hoger beroep heeft ingediend. Deze stichting kan in zekere zin beschouwd worden als de tegenhanger van Milieudefensie c.s. Meer info over deze opmerkelijke démarche hier. To be continued, zoveel is zeker.

Toolbox investor relations

Communicatie door beursgenoteerde vennootschappen met investeerders is een bijzondere tak van sport, onderworpen aan heel wat gedetailleerde spelregels, waarop wordt toegezien door een scherpe VAR.

Om deze regels toegankelijker te maken heeft de FSMA, tijdens een vergadering (n.a.v. de dertigjarige verjaardag) van de Belgian Investor Relations Association (BelIR), een toolbox voorgesteld. Deze handige toolbox heeft tot doel personen wier taak bestaat uit relaties met investeerders een aantal kapstokken te bieden voor hun interactie met de FSMA.

De toolbox ontsluit op thematische wijze relevante circulaires, mededelingen, praktijkgidsen, FAQs, en kan hier worden geconsulteerd. Een mooi initiatief.

International seminar on law reform in secured transactions and insolvency proceedings

On 23 September 2022, prof. dr. Melissa Vanmeenen (UAntwerpen) en Inge Van de Plas (UAntwerpen) invite you to an international seminar on law reform in secured transactions and insolvency proceedings. The day consists of three parts: PhD workshop, masterclass and the public doctoral defense of Inge Van de Plas.

PhD Workshop

During the PhD workshop selected young researchers have the opportunity to present their ongoing research to an international expert panel, including prof. Neil Cohen (Brooklyn Law School, USA), prof. Orkun Akseli (University of Manchester, UK), prof. Florence George (UNamur) and Prof. Matthias Storme (KU Leuven). Interested researchers can find more information on the PhD workshop in the call for papers. The deadline for applications is 15 August 2022.

Masterclass

In the masterclass, experts will present a topic related to their ongoing research in secured transactions and corporate insolvency proceedings. More information on the (preliminary) program can be found on our website.

Everyone is welcome to attend both the PhD workshop and masterclass, regardless of whether you are selected to present at the PhD Workshop. In order to attend the PhD workshop and/or masterclass, please register here.

Public doctoral defense Inge Van de Plas

At 5pm everyone is invited to the public doctoral defense of Inge Van de Plas. The title of the doctoral research is: Retention of title in secured transactions law from a creditor’s perspective – a comparative analysis of (non-)functional approaches

Afterwards, everyone is welcome at the reception.

Participation is free of charge, however, places are limited. More information on location will follow after registration. Travel expenses are not covered by the organization

For more information about this event contact prof. dr. Melissa Vanmeenen or Inge Van de Pas.