Recht in ontwikkeling – studiedagen Instituut Financieel Recht (UGent)

Zonder ongelukken zitten er belangrijke wijzigingen aan het WVV aan te komen. België moet een reeks Europese Richtlijnen omzetten, waaronder een Richtlijn Meervoudig Stemrecht (MVS), de Tweede Digitaliseringsrichtlijn en de Women on Board-Richtlijn, om de CSDDD zoals gewijzigd door Omnibus niet te vergeten, en minister van Justititie Verlinden heeft in haar beleidsverklaring  Justititie 2025-26 (Parl. St. Kamer Doc 56, 0767/017, p. 22) een evaluatie van het WVV op de agenda gezet. Minister Verlinden heeft aan het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht gevraagd te helpen bij het schrijven van een voorontwerp van wet ter omzetting van de MVS-richtlijn (zie reeds hier). Stijn Deschepper van de FOD Justitie houdt de pen, maar een gans BCV-team (waaronder ondergetekende) biedt input, en alle werkstromen worden gecoördineerd door Marieke Wyckaert, BCV-voorzitter.

Het Instituut Financieel Recht organiseert op 19 mei een studienamiddag waarop een aantal auteurs van het wetsontwerp de toekomstige wijzigingen aan het WVV toelichten, binnen het kader van de bestaande regelingen rond soortrechten, meervoudig stemrecht en intern reglement, waarvan de problemen eerst nog eens geschetst zullen worden.

De Richtlijn Meervoudig Stemrecht (MVS) (Richtlijn (EU) 2024/2810 van 23 oktober 2024) verplicht Lidstaten om meervoudig stemrecht in te voeren voor vennootschappen die op een MTF (Multilateral Trading Facility, beursplatformen die geen gereglementeerde markt zijn en soms bedoeld zijn voor “groeibedrijven”, zoals Euronext Growth ) willen noteren,. De MVS-Richtlijn is onderdeel van de Listing Act, die ernaar streefde de Europese kapitaalmarkten te verdiepen. De gedachte daarbij was dat oprichters van start-ups vlugger naar de beurs zouden trekken indien zij via MVS de controle kunnen behouden. Maar terecht heeft men in België geoordeeld dat er geen reden is om meervoudig stemrecht alleen voor op een MTF genoteerde vennootschappen mogelijk te maken.  In België is sinds 2019 (invoering WVV) meervoudig stemrecht mogelijk bij niet-genoteerde vennootschappen, en dubbel loyauteitsstemrecht bij genoteerde vennootschappen. Men wil de MVS-Richtlijn nu zo omzetten dat meervoudig stemrecht ook mogelijk wordt bij genoteerde vennootschappen, met een maximummultiplicator van 20 stemmen per aandeel (naast het loyauteitsstemrecht dat uiteraard niet wordt afgeschaft als mogeljkheid).

Maar omdat aandelen met meervoudig stemrecht een aparte soort van aandelen (in de technische betekenis van art. 7:60 WVV) zijn, moeten de soortwijzigingsregels uit het WVV (art. 7:155) aangepast worden om de invoering van meervoudig stemrecht beursvennootschappen mogelijk te maken, zeker nu dit niet alleen pre-IPO maar ook “midstream”, na de beursgang, mogelijk moet zijn. De wetgever heeft in 2019 geprobeerd de soortwijzigingsregels te verduidelijken en vereenvoudigen, maar heeft toen helaas ook nieuwe interpretatieproblemen gecreëerd. In de praktijk  klaagt men dat de nieuwe regels te vaak moeten toegepast worden en dan te vaak een blokkeringsmogelijkheid geven aan een minderheid van aandeelhouders. De omzetting van de MVS-Richtlijn zal daarom ook gebruikt worden om de soortwijzigingsregels grondig bij te spijkeren, zodat bv. ook verduidelijkt wordt hoe men meervoudig stemrecht kan invoeren zonder nieuwe aandelen  uit te geven, maar ander stemrecht te geven aan sommige maar niet alle van de bestaande aandelen (“soortsplitsing”).

België is niet alleen verplicht de MVS-Richtlijn om te zetten (tegen eind 2026), maar moet ook dringend werk maken van de aanpassing van het WVV aan arresten van het Grondwettelijk Hof over het intern reglement en over de verjaringstermijnen voor een aantal vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsvorderingen. Zo moet men ook buiten de coöperatieve vennootschap de mogelijkheid krijgen om in een intern reglement aangelegenheden te regelen die verband houden met de rechten van aandeelhouders (bv. winstverdelingsafspraken in vennootschappen van vrije beroepers), maar uiteraard moet dit met de nodige waarborgen voor aandeelhouders omkaderd  worden. Het is de bedoeling dit in hetzelfde voorontwerp van wet te regelen.

Al deze cruciale wijzigingen aan het WVV (meervoudig stemrecht; soortwijzigingen; intern reglement) komen aan bod op een studienamiddag van het Instituut Financieel Recht van de UGent op 19 mei 2026 .  Op dezelfde namiddag wordt ook die andere belangrijke Richtlijn, de CSDDD na Omnibus, besproken.

Het Instituut Financieel Recht zou zijn naam uiteraard geen eer aan doen indien het niet ook studienamiddagen over bank-en financieel recht zou organiseren: de aftrap wordt gegeven op 31 maart met een dag over consumentenbescherming in het financieel recht. Op 21 april volgt een namiddag over cryptofinance en op 2 juni komen een aantal transversale thema’s uit het financieel recht aan bod, zoals de opgang van private credit en ontwikkelingen in de effectiseringsmarkt of nog het toezicht op en de afwikkeling van financiële instellingen.

Hans De Wulf, Instituut Financieel Recht, UGent

Meer informatie over het programma van de cyclus en de inschrijvingsmogelijkheden vindt u op https://gandaiusacademy.ugent.be/2026/ifr-dagen

Aandeelhoudersleningen in grensoverschrijdend verband. De lidstaat is meester van de boedel (Hof van Justitie 19 maart 2026)

Stel: een Belgische aandeelhouder verstrekt een lening (onderworpen aan Belgisch recht) aan een Duitse vennootschap. In de maanden voorafgaand aan de opening van een Duitse insolventieprocedure m.b.t. de Duitse vennootschap worden een aantal betalingen gedaan ter aflossing van de lening. Het risico van de Belgische aandeelhouder neemt hierdoor af.

In de Duitse insolventieprocedure wil de Belgische aandeelhouder voor het saldo van de lening een schuldvordering indienen. De Duitse curator zegt: “niet zo snel, uw schuldvordering – Belgische aandeelhouder – wordt niet toegelaten en bovendien zou ik graag alles terugkrijgen wat u recent hebt ontvangen. De rechtsbasis, zo vraagt u: § 39 en § 135 Insolvenzordnung.”  

Ziedaar de (naar een Belgische context aangepaste) feiten die ten grondslag liggen aan het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2026. Dit arrest is uitgesproken met toepassing van de oude Insolventieverordening maar het resultaat blijft identiek gelden onder de nieuwe Insolventieverordening

Naar Duits recht (lex fori concursus) zijn de vorderingen van de (in ons voorbeeld Belgische) aandeelhouder “vorderingen van lagere rang” waarbij “de ter zake bevoegde rechter schuldeisers die lager in rang staan niet heeft verzocht hun vorderingen in te dienen, hetgeen een voorwaarde is voor hun deelname aan de insolventieprocedure” (nr. 18 arrest). De eerder verrichte aflossingen moeten aan de boedel worden terugbetaald (nr. 19 arrest).

De Belgische aandeelhouder, lichtjes verontwaardigd, antwoordt: “niet zo snel, ik ken die regeling waar u zo enthousiast naar verwijst helemaal niet, en het toepasselijke Belgische recht kent deze regeling evenmin. Gelieve niet moeilijk te doen.”

Wat domineert? De lex fori concursus of de lex causae? Dit vereist een analyse van het samenspel tussen art. 13 (17) InsolVo enerzijds en art. 4 (7), lid 2, onder m) InsolVo anderzijds.

Art. 4 (thans 7), lid 2, onder m):

Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

(m) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige rechtshandelingen.

Art. 13 (thans 17)

Artikel 4, lid 2, onder m), is niet van toepassing indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling bewijst dat:

(a) deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en

(b) het recht van die lidstaat in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.

Het mechanisme is duidelijk. Artikel 13 (17) voorziet in de mogelijkheid bepaalde (rechts)handelingen te immuniseren voor het toepasselijke insolventierecht, door ze aan het recht van een andere lidstaat te onderwerpen (zie de commentaar van Gillis Lindemans op het arrest Vinyls). Een ideale ontsnapping voor de Belgische aandeelhouder, zo lijkt.

Toch niet, zo blijkt. Het Hof kadert de te beantwoorden rechtsvraag als volgt:

“In dat rechtskader moet de eerste vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.

Vervolgens geeft het Hof een restrictieve invulling aan art. 13 (17):

“Hieruit volgt dat, aangezien artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 een uitzondering vormt op artikel 4, lid 2, onder m), van die verordening, de werkingssfeer ervan beperkt is tot het in die bepaling genoemde geval, namelijk wanneer de vraag naar het toepasselijke recht betrekking heeft op de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen, en niet wanneer het gaat om de regels die zien op welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar of welke rangindeling zij hebben.”

Het Hof geeft hiermee aan dat de uitzonderingsbepaling van art. 13 (17) geen betrekking heeft op de rangorde en de volgorde van verdeling van vorderingen, en besluit als volgt:

“Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich niet op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.”

Uit dit arrest kan worden afgeleid dat elke lidstaat meester is van de boedel, en kan bepalen welke schuldeisers (en in welke volgorde) worden toegelaten tot de boedel, waarbij deze keuze zich ook opdringt aan rechtsverhoudingen onderworpen aan een ander recht. Lidstaten hebben hiermee een belangrijk instrument in handen om de ontsnappingsroute van art. 13 (17) te neutraliseren.

Het Hof heeft zich beperkt tot dit antwoord, zonder de bijkomende vragen te beantwoorden. Zo blijft m.i. de vraag open of het recht dat van toepassing is op een lening die door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap aan de vennootschap is verstrekt, wordt beheerst door het vennootschapsrecht of het insolventierecht, en de impact daarvan op de vestigingsvrijheid (zie daarover, A. Van Hoe en M. Vanmeenen, “Shareholders’ loans at the crossroads between corporate and insolvency law : impact of the freedom of establishment on national insolvency law”, International Insolvency Law Review 2011, 468-479).

Klimaatrechtspraak: Ondernemingsrechtbank Henegouwen (afdeling Doornik) – 18 maart 2026

Gisteren heeft de Ondernemingsrechtbank Henegouwen een tussenvonnis geveld in de zgn. Farmer case. Het vonnis kan hieronder worden geconsulteerd. Voor een beknopte toelichting wordt verwezen naar deze post van Mr Guillaume Croisant.

Flitsbericht: Europese Commissie lanceert EU Inc.

Vandaag stelt de Europese Commissie het zgn. 28ste regime voor, dat voorziet in de introductie van een pan-Europese rechtsfiguur, aangeduid als “EU Inc.” De achtergrond van deze innovatie is genoegzaam gekend. Opeenvolgende rapporten van Europese prominenten hebben blootgelegd dat de beloftes van de interne markt slechts gedeeltelijk gerealiseerd zijn. Een nieuwe, Europese, rechtsfiguur, die vlot opgericht kan worden, en zonder frictie doorheen de Europese Unie kan bewegen, wordt geacht een deel van de oplossing te zijn. Het voorstel van de Europese Commissie is omvangrijk, en zal dra en veelvuldig het voorwerp uitmaken van nadere analyse. Watch this space.

Enkele aandachtspunten kunnen nu reeds worden vermeld:

  • Digitalisering en standaardisering zijn de ordewoorden; transactiekosten moeten lager, hetgeen onmiddellijk de vraag doet rijzen of dit dan ook niet kan/moet voor de nationale rechtsfiguren;
  • EU Inc. moeten worden aangevuld met nationaal vennootschapsrecht. Zal dit de globale doelstelling ondergraven?
  • EU Inc. voorziet in een duidelijk fiscaal regime voor aandelenoptieplan: geen belasting upfront maar bij realisatie van de onderliggende aandelen. Een oud zeer in België. Hoe houdbaar zal het zijn om deze regeling niet ook te voorzien voor nationale rechtsvormen?

Wie het voorstel van de Europese Commissie leest (en zeker kritische juristen), ziet onmiddellijk vele hindernissen. Of EU Inc. de golden bullet wordt ter ontsluiting van de interne markt zal dan ook in belangrijke mate afhangen van het voluntarisme waarmee dit instrument in de praktijk wordt toegepast en door de nationale wetgevers wordt behandeld.    

Masterclass insolventierecht

Binnenkort staat een nieuwe lezingenreeks gepland over actuele onderwerpen in het insolventierecht. Volgende onderwerpen passeren de revue.

  • Grensoverschrijdend insolventierecht (Arie Van Hoe en Nicolas Borreman, Cresco);
  • Aansprakelijkheidsrisico’s bij faillissement (Gillis Lindemans en Stijn De Dier, Quinz);
  • De positie van een schuldeiser in insolventiecontext (Dominique De Marez, Eubelius);
  • Distressed M&A in de praktijk (Frederik De Leo en Bart De Bock, NautaDutilh en A&O Shearman).

Nadere info over het voorwerp van de diverse voordrachten en praktische modaliteiten zijn hier te vinden.

Reorganisatieprocedures en het verleden: onontgonnen terrein

De onvolprezen Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijkend
en Internationaal Insolventierecht (NVRII) heeft recent de (open access) preadviezen 2025 gepubliceerd, onder de voor Belgische juristen intrigerende titel “Wegpoets WHOA or Scheme of Erasures?”. Rode draad doorheen deze adviezen is de vraag of/hoe (ook) reorganisatieprocedures achteruit moeten/kunnen kijken.

“Reorganization procedures are sometimes a better way to deal with insolvent companies than to liquidate the company. Reorganization procedures aim to capture the going concern value for creditors by ‘right-sizing the capital structure’ or providing creditors with a necessary and often overdue ‘hair-cut’. These metaphors do not take away that creditors are commonly forced to accept less than full payment on their claims. Not only the outcome of a reorganization procedure is markedly different from a liquidation procedure, but also the way of dealing with the past is quite different. In case of liquidation procedures, an appointed Insolvency Practitioner will review transactions conducted prior to insolvency through the lens of transaction avoidance and review behaviour of directors and shareholders through the lens of liability. Reorganization procedures are so much geared towards saving the business and the company and are thereby so much forward-looking that there appears to be little room for looking back. One could even question whether a less noble goal of starting reorganization procedures might in some cases be to prevent looking back.”

Aan deze rode draad worden drie interessante rapporten gewijd. Voor de Belgische lezer is dit zeer interessant want de vraag of reorganisatieprocedures voldoende achteruit kijken, is niet of nauwelijks geproblematiseerd onder Belgisch recht. Anders gesteld: daar waar het faillissementsrecht zowel naar het verleden (en voor een belangrijk deel) als naar de toekomst kijkt, richt het reorganisatierecht zich bijna uitsluitend op de toekomst (en de “verdeling” van deze veronderstelde toekomst). Lezing van de rapporten doet minstens de vraag rijzen of de historische dimensie prominenter aan bod moet komen in het Belgische reorganisatierecht.

De wijze jeugd aan het woord. Over de toekomst van het vennootschaps- en financieel recht

Cashpoolovereenkomsten zijn efficiënte tools voor het liquiditeitsbeheer binnen vennootschapsgroepen, dat staat vast. Maar wist u ook dat ze bijzondere risico’s met zich meebrengen, niet in het minst wanneer ze in stand worden gehouden wanneer de groep of een deel ervan in financiële moeilijkheden verzeild geraakt. De persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders loert in dergelijke gevallen om de hoek. Waar ligt evenwel de grens tussen efficiënt liquiditeitsbeheer en misbruik van een groepsstructuur?

Dat het WVV belangrijke versoepelingen met zich bracht, onder meer op het vlak van de variaties die aan de rechten van aandeelhouders kunnen worden aangebracht, staat niet ter discussie. Eén van de drijfveren voor zoveel soepelheid was om investeringen aan te trekken of minstens in België te houden en investeerders niet noodzakelijk juridische omwegen te moeten zien maken langs buitenlandse vehikels. De private equity sector, met Luxemburg als traditioneel gastland, was hierbij een duidelijke target. Is ons WVV evenwel flexibel genoeg om deze sector te accommoderen? En zo ja, zijn de belangen van schuldeisers en minderheidsaandeelhouders dan wel nog voldoende beschermd?

Wat Central Securities Depositors (CSD’s) doen, was voor de plannen van de Europese Commissie met de in België aangehouden Russische tegoeden voor velen onbekend. Hun rol is nochtans vanuit vele opzichten cruciaal, zowel vanuit het perspectief van het vennootschaps- als het financieel recht. In belangrijke mate onontgonnen terrein in België was lange tijd de vraag naar de impact van incidenten in de “chain of intermediaries” (i.e. de ketting van aan de CSD tot de eigenlijke effectenhouder) op de rechten van aandeelhouders. Ondertussen dringt de vraag zich op of de DLT-technologie op dat vlak niet voor een aanzienlijke vereenvoudiging zou kunnen zorgen.

De aansprakelijkheid van de kredietverlener; een evergreen in het Belgisch privaat bankrecht. Zorgt de spectaculaire omwenteling in het regelgevend kader voor kredietinstellingen van de voorbije jaren, en in het bijzondere de prominente plaats die ESG-overwegingen in die regelgeving heeft ingenomen, voor een wijziging in de traditionele theorie over de aansprakelijkheid van de kredietverlener? Kunnen banken straks aansprakelijk worden gesteld wanneer blijkt dat zij, al dan niet in strijd met eigen publieke aankondigingen, krediet verlenen voor activiteiten die internationale milieunormen of de mensenrechten schenden? Wat is de mogelijke impact op de kredietverlening?

Bovenstaande vier thema’s stonden centraal in het doctoraatsonderzoek van vier recent gedoctoreerden van het Instituut Financieel Recht (IFR) van de UGent. Omdat het IFR trots is op haar alumni en we de enorme kennis en inzichten die ze de voorbije jaren hebben verzameld graag met het ruime publiek willen delen, organiseren we op 4/12 aanstaande een seminarie waarin de vier doctores het woord nemen. Ze nemen ons mee doorheen hun belangrijkste bevindingen, linken deze aan de juridische actualiteit en hebben bijzondere aandacht voor de praktische implicaties van hun onderzoek. De uiteenzettingen zijn ook online beschikbaar als een on demand webinar.

Doc-serie Vennootschaps- en financieel recht
Donderdag 4 december 2025 – 16.30 – 19.30 uur – Gent
Eveneens beschikbaar als online webinar
Deelnemers aan het seminarie of het webinar ontvangen 15% korting op de aankoop van de commerciële uitgave van de proefschriften van de sprekers.
Info en inschrijvingen https://gandaiusacademy.ugent.be/programma/rechtsdomeinen/2025-2026doc-ven-fin

Vennootschapsrechtelijke aandachtspunten bij groepsfinanciering
Dr. Louis De Meulemeester, advocaat bij Clifford Chance LLP

Agency conflicten in private equity-investeringen
Dr. Liselotte Van Coillie, advocaat in het fund structuring team van Argo Law

Ketens van tussenpersonen en Distributed Ledger Technologie (DLT) in de kapitaalmarkten
Dr. Louise Van Marcke, advocaat bij DLA Piper’s Financial Services & Insurance team en Praktijkassistent UGent

Bankaansprakelijkheid voor milieuschade en mensenrechtenschendingen
Dr. Niels Rogge, Praktijkassistent UGent

Wet houdende titel 1 “Persoonlijke zekerheden” van boek 9 “Zekerheden” van het Burgerlijk Wetboek

Vandaag werd de wet houdende titel 1 “Persoonlijke zekerheden” van boek 9 “Zekerheden” van het Burgerlijk Wetboek gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

“Alle eer en lof voor deze hervorming zijn voor wijlen Professor Eric Dirix, die het eerste ontwerp van deze wet schreef. We hadden er veel voor over gehad om dit met hem te mogen meemaken. Niet omwille van de persoon, maar omwille van de inhoud, die bij Eric Dirix altijd centraal moest staan. Van die inhoud durven we in bescheidenheid hopen dat die zo goed mogelijk is” (Vincent Sagaert).

Wie zich wil voorbereiden op de inwerkingtreding van deze wet, kan gebaat zijn met deze studiedag.

Het vennootschapsrecht als motor voor maatschappelijke verandering?

ESG mag dan al dood verklaard zijn, het debat over duurzaamheid blijft springlevend. Het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht organiseert dit najaar vier (fysieke) ronde tafels met als centraal onderwerp “Het vennootschapsrecht als motor voor maatschappelijke verandering?”:

  • “De fundamenten van het vennootschapsrecht herbekeken” – woensdag 24 september 2025;
  • “Zorgplichten gisteren, vandaag en post CSDDD” – vrijdag 17 oktober 2025;
  • “Aandeelhoudersactivisme en duurzaamheid” – donderdag 20 november 2025;
  • “Waar staan we met de duurzaamheidsrapportering voorgeschreven door de CSRD” – dinsdag 16 december 2025.

Het aantal plaatsen is beperkt, maar er is mogelijkheid tot digitale deelname.

Kostprijs:

  • Leden van het BCV nemen gratis deel;
  • Niet leden betalen 50,- EUR per ronde tafel. Wie inschrijft op de vier ronde tafels, betaalt 150,- EUR.

Voor alle details over de onderscheiden sessies (inclusief de line-up van sprekers) en praktische informatie wordt verwezen naar onderstaande folder.

​​​De gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord – grote ondernemingen

Vandaag mocht ik een presentatie geven over de belangrijkste regels inzake de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord, stelsel grote ondernemingen. De presentatie beoogt enig inzicht te bieden in de fundamentele bouwstenen van een dergelijke collectief akkoord. De slides kunnen hieronder worden geconsulteerd.

Sire, er is geen samenloop meer (Cassatie 28 april 2025)

In haar magistrale proefschrift beschrijft M. Grégoire de (gevolgen van de) samenloop als volgt (p. 28, nr. 41):

Au moment de sa réalisation, chaque créance s’empare de la part abstraite du patrimoine qui peut lui être attribuée en fonction de l’importance des autres droits en concours. La procédure consécutive ne fait que concrétiser ce partage intellectuel. L’équilibre entre les droits en concours est donc fixé, par exemple, au moment du jugement déclaratif de faillite, de l’homologation du concordat par abandon d’actif, ou encore de l’assemblée générale qui décide de la mise en liquidation de la société.

In minder elegante (eigen) bewoordingen gesteld: de samenloop legt de onderlinge rangschikking der schuldeisers vast en bepaalt wat de schuldeisers – in functie van deze rangschikking – zullen ontvangen in het kader van de relevante procedure (vgl. Dirix/de Corte, Zekerheidsrechten, p. 37, nr. 41: “Vanaf dat ogenblik [samenloop] worden de aanspraken van de schuldeisers in hun onderlinge verhouding onherroepelijk vastgelegd (het fixatiebeginsel“).

Laten we dit principe toepassen op volgende casus: op 30 juni 1983 verleent een bank een krediet aan een vennootschap. Enkele weken later (meer bepaald op 13 juli 1983) wordt de hypotheek netjes ingeschreven. Op 12 september 2011 wordt de schuldenaar failliet verklaard. De afwikkeling van het faillissement – zo gaat dat nu eenmaal – vergt enige tijd. Op 13 juli 2013 vervalt de hypothecaire inschrijving, bij gebrek aan hernieuwing. In 2016 wordt het onroerend goed verkocht. Bij de verdeling van de opbrengst ervan wordt geen rekening gehouden met de hypotheek zoals ingeschreven op 13 juli 1983. Quid?

Wanneer we teruggrijpen naar de inleidende citaten is het antwoord helder: op 12 september 2011, dag van het openvallen van het faillissement, was er wel degelijk een aan de boedel tegenstelbare hypotheek, en aangezien de race tussen de schuldeisers wordt beslecht op die dag, hebben latere gebeurtenissen geen invloed op de rangschikking tussen de schuldeisers. Veel juristen zouden deze casus in die zin oplossen en studenten zouden voor dit antwoord goede punten krijgen (maar deze casus zou zeker niet de moeilijkste vraag op het examen zijn).

Komen we evenwel tot het cassatiearrest van 28 april 2025. Met dit arrest, en in zeer duidelijke bewoordingen, besluit het Hof van Cassatie tot een totaal andere uitkomst. De kernoverwegingen van het Hof luiden als volgt:

Il suit de la combinaison de ces dispositions que, si le jugement déclaratif de faillite entraîne le dessaisissement du débiteur et fait naître un concours entre les créanciers, seuls les droits des créanciers chirographaires et privilégiés généraux sont cristallisés au jour de la faillite.

Il s’ensuit que, lorsque le délai de validité de l’inscription hypothécaire prise par un créancier expire après le jugement déclaratif de la faillite du débiteur, ce créancier est tenu de procéder au renouvellement de son inscription pour conserver son droit de préférence jusqu’à ce qu’il soit reporté sur le prix du bien hypothéqué.

De zekerheid van de samenloop blijkt plots niet zo zeker te zijn voor de hypothecaire schuldeiser (en bij uitbreiding andere titularissen van bijzondere zekerheden). Vanuit doctrinair oogpunt laat dit arrest zich maar moeilijk inpassen in de theorie van het insolventierecht, zoals deze de voorbije decennia gaandeweg vorm heeft gekregen (zie, E. Dirix, Van alle markten. Liber Amicorum Eddy Wymeersch, 2008, p. 415, nr. 4 (met verwijzing naar Thomas Jackson): “Wat de zakelijke zekerheidsrechten betreft, is de opening van de procedure het moment waarop hun faillissementsbestendigheid moet worden vastgesteld en hun rangorde bepaald.“).

Sire, er is geen samenloop meer.

Edit – met toevoeging van het arrest, zoals gepubliceerd na de initiële post.

Opleidingscyclus begeleiding van de reorganisatie van een onderneming in moeilijkheden

In een onzeker economisch klimaat is de rol van de herstructureringsdeskundige nog nooit zo essentieel geweest. Deze professioneel staat centraal in de wetgeving met betrekking tot de reorganisatie van ondernemingen in moeilijkheden. Vooral bij de besloten gerechtelijke reorganisatieprocedures en bij de ondernemingsbemiddeling stelt de ondernemingsrechtbank een herstructureringsdeskundige aan om bij te dragen tot het bewaren van de continuïteit van de activiteiten van een onderneming in moeilijkheden. Onder toezicht van de rechtbank helpt deze gerechtsmandataris ondernemingen en schuldeisers bij het bereiken van minnelijke of collectieve akkoorden, waarbij hij gebruik maakt van een reeks specifieke wettelijke voorzieningen.

Als antwoord op de groeiende complexiteit van deze opdracht werd een cyclus van vormingssessies ontwikkeld zodat actuele en toekomstige herstructureringsdeskundigen de vaardigheden kunnen verwerven die ze nodig hebben om hun rol uit te oefenen. Voor andere profielen kunnen deze sessies natuurlijk ook interessant zijn.

PROGRAMMA

 Sessie 1 – 13 mei 2025: ​Insolventie 1

13.00 u – 15.00 u ​​​Basisbegrippen van het insolventierecht
​ ​ ​​​Ivan Verougstraete

15.30 u – 17.30 u ​De Kamer voor ondernemingen in moeilijkheden – nieuwe functies en beleid
​ ​ ​​​Frank Taildeman en Theo Raedschelders

✅ Sessie 2 – 2 juni 2025: ​Insolventie 2

13.00 u – 15.00 u ​Buitengerechtelijke reorganisatie, minnelijk akkoord en besloten gerechtelijke reorganisatie
​ ​ ​​Bart De Moor

15.30 u – 17.30 u ​Publieke gerechtelijke reorganisatie door minnelijk akkoord en door collectief akkoord
​ ​ Joan Dubaere

✅ Sessie 3 – 19 juni 2025: ​Insolventie 3

13.00 u – 15.00 u ​​​De gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord – grote ondernemingen
​ ​ ​​ ​ ​Arie Van Hoe

15.30 u – 17.30 u ​De overdracht onder gerechtelijk gezag
​ ​ ​​ ​ ​Ilse Van de Mierop

✅ Sessie 4 – 18 september 2025: ​Insolventie 4

13.00 u – 15.00 u De faillissementsvoorwaarden, alarmbel, schending openbare orde
​ ​ ​​ ​ ​Karlien Schatteman

15.30 u – 17.30 u Gedwongen uitvoering en beslag bij insolventieprocedures
​ ​ ​Stan Brijs

✅ Sessie 5 – 30 september 2025: ​Financiële en fiscale aspecten van ondernemingen in moeilijkheden 1

13.00 u – 15.00 u ​Financieel inzicht in de onderneming
​ ​ ​​ ​ ​Frank Taildeman en Theo Raedschelders

15.30 u – 17.30 u ​Analyse van de jaarrekening van een onderneming in moeilijkheden
​ ​ ​​​Frank Taildeman en Theo Raedschelders

✅ Sessie 6 – 14 oktober 2025: ​Financiële en fiscale aspecten van ondernemingen in moeilijkheden 2

13.00 u – 15.00 u Het herstructureringsplan en de waardebepaling van ondernemingen in boek XX WER
​ ​ ​​​Philippe Fimmers, Olivier Van Nes en Frederik De Leo

15.30 u – 17.30 u Fiscale aspecten gelinkt aan ondernemingen in moeilijkheden
​ ​ ​​​Christian Van Craeyvelt en Jean-Louis Vansimaeys

 Sessie 7 – 6 november 2025: Onderhandelen en bemiddelen 1
13.00 u – 15.00 u ​​​De beredeneerde onderhandelingen (principled negotiation) deel 1
​ ​ ​​ ​ ​Helena De Backer

15.30 u – 17.30 u ​De beredeneerde onderhandelingen (principled negotiation) deel 2
​ ​ ​​​Helena De Backer

✅ Sessie 8 – 18 november 2025: Onderhandelen en bemiddelen 2

13.00 u – 15.00 u ​De onderhandelingen met de commerciële schuldeisers
​ ​ ​​Theo De Beir

15.30 u – 17.30 u ​De onderhandelingen met de belastingadministratie en de RSZ
​ ​ ​ ​​​Theo De Beir

✅ Sessie 9 – 27 november 2025: Deontologie

13.00 u – 15.00 u ​​Deontologie van de advocaat, van de gerechtsmandataris en van de bemiddelaar
​ ​ ​​​Bart De Moor

15.30 u – 17.30 u ​De informatie- en consultatieverplichtingen in geval van herstructurering van ondernemingen
​ ​ ​​ ​ ​Stefanie Tack

Meer informatie: hier.

Het verleden is niet het verleden voor vennootschapsbestuurders – Cass. 6 maart 2025

Just when I thought I was out, they pull me back in!”, was de frustrerende vaststelling van de sympathieke leider van een dynamisch familiebedrijf. Eenzelfde gevoel kan bestuurders van vennootschappen overvallen wanneer ze het cassatiearrest van 6 maart 2025 analyseren.

Dit arrest heeft betrekking op de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid t.a.v. de RSZ. Deze aansprakelijkheid zat voorheen vervat in art. 265 § 2 Wetboek Vennootschappen (althans wat de BV(BA) betreft) en is thans terug te vinden in art. XX. 226 WER.

Wat houdt het regime in? De bestuurder van een failliete vennootschap die in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, betrokken is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen van ondernemingen waarbij schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen onbetaald zijn gebleven, loopt een bijzonder risico. Immers, op vordering van de RSZ of van de curator kan deze bestuurder (in het kader van het derde faillissement dus) persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen met inbegrip van de verwijlinteresten.

In het arrest van 6 maart 2025 stond het begrip “betrokken” centraal. Veronderstelt dit begrip dat de bestuurder op het ogenblik van de eerdere faillissementen nog daadwerkelijk bestuurder was of volstaat het dat hij ooit bestuurder is geweest van deze vennootschappen (ook wanneer hij dat niet meer is wanneer de eerdere faillissementen werden uitgesproken)? Het Hof van Cassatie antwoordt in de tweede zin:

L’implication d’une personne dans la faillite d’une société entraînant des dettes de cotisations sociales se déduit de sa seule qualité d’administrateur ou de gérant, de droit ou de fait, de cette société, lors même qu’elle n’a plus cette qualité lors de la déclaration de faillite de celle-ci.

Voor vennootschapsbestuurders is dit weinig opbeurende lectuur. Laten we dit duidelijk maken met een voorbeeld. Jef was van 1998 tot 2007 bestuurder van vennootschap X, samen met zijn toenmalige vriendin Bea. Toen de amoureuze wegen zich scheidden, nam Jef ontslag als bestuurder. Als een vrij man werd Jef enige tijd later bestuurder van vennootschap Y. Dit mandaat liep tot 2013. Vandaag is Jef bestuurder van vennootschap Z.

Vennootschap X wordt failliet verklaard in 2023, vennootschap Y wordt failliet verklaard in 2024, vennootschap Z bevindt zich vandaag in ernstige financiële moeilijkheden. Jef komt bij u ter consultatie. Er zijn RSZ-schulden bij Z en Jef meldt terloops dat hij lang geleden ook bestuurder is geweest in andere vennootschappen. Heeft Jef een probleem wat de RSZ-schulden van Z betreft?

Op basis van een strikte lezing van het cassatiearrest: mogelijks wel. Jef is immers betrokken geweest bij X en Y en deze vennootschappen zijn failliet verklaard in een periode van 5 jaar voorafgaand aan het (eventuele) faillissement van Z. Er zal dus onderzocht moeten worden of er in die eerdere faillissementen onbetaalde RSZ-schulden waren ten tijde van het faillissement (ook al heeft Jef jaren voordien de vennootschapsdeur van X en Y achter zich dichtgeslagen en waren er op dat ogenblik ook helemaal geen RSZ-schulden).  

Het arrest sluit de deur voor vennootschapsbestuurders die kort voor het zinken van het schip een uitweg zoeken. Het gevolg is wel dat vennootschapsbestuurders een risico lopen dat de door de wetgever vooropgestelde vijfjarige periode lang kan overstijgen. Of dit overeenstemt met de wil van de wetgever is onduidelijk. Eveneens is het onzeker of een dergelijke lezing grondwettelijk is (vgl. M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Intersentia, 2009, nr. 233: “Een aansprakelijkheidsvermoeden als sanctie zonder enige beperking in de tijd kan die evenredigheidstoets allicht niet doorstaan”)

Het arrest leert dat het verleden nooit echt het verleden is voor vennootschapsbestuurders (eerder had het Hof van Cassatie in deze materie al aangetoond dat tijd relatief is, Cass. 7 april 2017, m.n. A. Van Hoe en K. De Smet “Cassatie bevestigt: tijd is relatief”, TBH 2017, 751-753).

Vindt de vennootschapsbestuurder comfort in de nieuwe tekst (oude filosofie) van art. XX. 226 WER? Niet echt, want wie deze bepaling aandachtig leest, wordt getroffen door het onzeker karakter ervan.

Met toepassing van art. XX. 226 kan Jef aansprakelijk worden gesteld  indien hij, in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, betrokken is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen van ondernemingen waarbij schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen onbetaald zijn gebleven, voor zover hij bij die eerder failliet verklaarde of vereffende ondernemingen ten tijde van de faillietverklaring, ontbinding of aanvang van de vereffening tevens bestuurder, gewezen bestuurder, lid of gewezen lid van de directieraad of van de raad van toezicht was of ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid had of heeft gehad.

Uit de woorden “voor zover” en “ten tijde” zou kunnen worden afgeleid dat Jef onder het “nieuwe” regime geen probleem heeft, aangezien hij ten tijde van het faillissement van X en Y geen (feitelijk) bestuurder meer was (zie (vermoedelijk) in die zin, B. Tilleman en K. Dewaele, Bestuur van vennootschappen, die Keure, 2022, nr. 1278). Echter, art. XX.226 verwijst evenzeer uitdrukkelijk naar gewezen bestuurders. En ten tijde van de faillissementen van X en Y … was Jef wel degelijk een gewezen bestuurder van X en Y.

Al bij al een vrij onfortuinlijke situatie, die waarschijnlijk de aandacht van de wetgever verdient.

 

Milieudefensie v ING

Enige tijd geleden kondigde de verening Milieudefensie een procedure aan tegen ING. Zoals bekend, heeft Milieudefensie eerder een procedure ingesteld tegen Shell (over de voorlopige uitkomst van deze procedure, zie dit debat). De procedure tegen ING is nu ook formeel ingeleid. De uitgebreide dagvaarding kan hierna gelezen worden.

Interessant is te lezen hoe Mileudefensie in deze procedure de voor haar (nieuwe) vordering positieve zaken uit het Shell-arrest centraal stelt, en de negatieve aspecten van dit arrest afwijst (met verwijzing naar de hangende procedure voor de Hoge Raad).

Dat het Gerechtshof Den Haag in de Shell-zaak het door Milieudefensie gevorderde emissiereductiedoel toch heeft afgewezen, doet niet af aan de juridische verplichtingen waar Milieudefensie ING in deze zaak op aanspreekt. Op goede en overtuigende gronden heeft het hof een breed spectrum aan objectieve aanknopingspunten betrokken om te oordelen dat Shell een verplichting heeft om haar uitstoot te reduceren. Bij het beantwoorden van de vraag tot welk specifiek reductiepercentage Shell dan in concreto is gehouden, versmalt het hof dat beoordelingskader opeens door te overwegen dat een concretisering alleen mogelijk is als een reductiepercentage blijkt uit bestaande
klimaatwetgeving of uit klimaatwetenschappelijke consensus. Alle andere relevante objectieve aanknopingspunten, waaronder de aanknopingspunten die wel door het hof zijn betrokken bij het vaststellen dat Shell een verplichting heeft om haar uitstoot te reduceren, zijn hierdoor buiten beschouwing gebleven. Dit is onnavolgbaar en onterecht, en dat oordeel wordt dan ook door Milieudefensie in cassatie bestreden.

Ook met zijn redenering inzake de effectiviteit van een reductieverplichting hanteert het hof een onjuist beoordelingskader, niet in de laatste plaats omdat het hof daarmee de essentie van een deelverantwoordelijkheid miskent. Deze redenering doorkruist dan ook jurisprudentie van de Hoge Raad, het EHRM en buitenlandse rechters, waaruit volgt dat de toets had moeten zijn of de door Milieudefensie gevorderde emissiereductie een effectieve maatregel is tegen het individuele onrechtmatig handelen van Shell (en dus nietnoodzakelijkerwijs tegen het meeromvattende probleem, dat ook door anderen wordt veroorzaakt).

Milieudefensie is dus van mening dat het hof, bij toepassing van het juiste beoordelingskader voor de concretisering van Shell’s juridische verplichting, had moeten beslissen tot toewijzing van de gevorderde emissiereductie. In de Shell-zaak heeft Milieudefensie dan ook cassatieberoep ingesteld. Op de uitkomst daarvan kan in deze zaak tegen ING echter niet worden gewacht. Over het urgente belang bij de door Milieudefensie van ING gevorderde maatregelen kan geen twijfel bestaan. Zij richten zich op wat het hof in de Shell-zaak omschrijft als het “grootste probleem van deze tijd”.

Steady On: Toward Principled, Sustainable Corporate Leadership Addressing the Reality of Human-Caused Climate Change

A post by guest blogger Leo E. Strine, Jr.

Ambitious goals for company emissions reductions. Rolled back. Pledges to reach net zero by a target date. Rolled back. Bold rhetoric when joining alliances to address climate change and big talk at Davos. Rolled back. Pledges to reduce purchasing carbon-based energy. Rolled back. Pledges to reduce lending to carbon-based energy projects. Rolled back. Pledges by institutional investors to make company climate change policies central to their stewardship efforts. Rolled back.

One thing we know about the wind: It does not blow in the same direction all the time

How should corporate leaders address the recent controversy about so-called “ESG” and about corporate consideration of social and political issues? What lessons can corporate leaders draw from the current moment and put into practice, to avoid looking like situational sycophants, driven less by a principles-based concern for their corporation’s long-term success, and more by a desire to ingratiate themselves with whatever political forces are currently powerful?

Corporate leaders should not repeat past mistakes by over-reacting to the current moment, and instead learn from this moment, and develop corporate policies and deliberative strategies that are more sustainable, because they relate those strategies more closely to the company’s specific business, and the impact that a social issue, and climate change in particular, has on the company’s stockholders, workers, consumers, and communities of operation. Focus on making money the right way.

Instead of giving business leaders credit for highfalutin talk unmatched by real action, holding them accountable for running their companies in a manner that takes into genuine account the real business risks of climate change is more valuable, if more difficult.

In his new working paper, Leo E. Strine, Jr. surfaces some of the genuinely important lessons that corporate leaders can draw from the current moment. These lessons are highly relevant for companies on both sides of the Atlantic. We are therefore grateful for the opportunity to publish this working paper on Corporate Finance Lab.

Leo E. Strine, Jr.

Michael L. Wachter Distinguished Fellow at the University of Pennsylvania Carey Law School; Senior Fellow, Harvard Program on Corporate Governance; Of Counsel, Wachtell, Lipton, Rosen & Katz; former Chief Justice and Chancellor, the State of Delaware