Harder werkende gehuwde vrouwen en echtscheidingswetgeving in de V.S.

Dirk Heremans – Valkuilen in Recht en Economie (die Keure, 2024)

De Nobelprijs economie wordt in 2023 (terecht) toegekend aan de vrouwelijke Harvard hoogleraar Claudia Goldin voor haar wetenschappelijke bijdragen over de “genderkloof” in inkomens en arbeidsparticipatie.

De genderkloof genoot reeds heel wat aandacht, in de V.S.A. ook meer bepaald in studies van een (mannelijk) rechtseconoom, met reeds in 1998 een wetenschappelijke publicatie over de vraag waarom gehuwde vrouwen zoveel uren werken (A. Parkman, Why are Married Women Working so Hard?, International Review of Law and Economics, 1, 1998, 41-49.). De empirische vaststelling dat gehuwde vrouwen met een job meer uren (inclusief huishoudelijke arbeid) werken dan hun echtgenoten was niet zo verrassend. Meer verrassend was dat de kloof in de periode tussen 1960 en 1986 was toegenomen, met een toename van gemiddeld 4 uur meer gewerkte uren per week voor vrouwen, terwijl hun echtgenoten hun werkuren met 2,5 uur verminderden. Hoe dit te verklaren? Bij de mogelijke verklaringen, nog meer verrassend, de empirische bevindingen uit wijzigingen in de echtscheidingswetgeving in die periode.

Continue reading “Harder werkende gehuwde vrouwen en echtscheidingswetgeving in de V.S.”

Tot wanneer kan een schuldeiser geldig aangifte doen in een procedure van evenredige verdeling? (Cass. 8 januari 2024)

Een post door gastblogger mr. Stan Brijs (Nauta)

‘De door het Hof van Cassatie weerhouden oplossing verdient goedkeuring en brengt duidelijkheid na jaren controverse.’

Hoewel de procedure van evenredige verdeling na uitvoerend roerend beslag of derdenbeslag al sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek bestaat, blijven er nog steeds onduidelijkheden bestaan over deze procedure. De (gepubliceerde) rechtspraak hierover is beperkt en het Hof van Cassatie heeft de laatste jaren nog regelmatig twistpunten beslecht (zie b.v. Cass. 28 september 2017, Cass. 9 juni 2017, Cass. 15 mei 2015, Cass. 23 april 2010).

Men kan verschillende redenen bedenken waarom er weinig rechtspraak is over evenredige verdelingen. Zo halen de meeste uitvoerende roerende beslagen niet eens het stadium van de evenredige verdeling omdat het beslag in de praktijk dient om afbetalingen te verkrijgen (een effectieve gedwongen verkoping zou in vele gevallen nauwelijks leiden tot dividenden voor de vervolgende schuldeiser). Bovendien is het voeren van een geschil bij de beslagrechter door middel van tegenspraak tegen een evenredige verdeling niet zo aantrekkelijk voor individuele schuldeisers die menen dat één van de concurrente schuldeisers teveel krijgt of die hun eigen aandeel in de verdeling verhoogd zouden willen zien: ten eerste heeft tegenspraak schorsende werking en dus leidt elke tegenspraak ertoe dat niemand iets ontvangt uit de verdeling totdat de tegenspraak definitief is beslecht; ten tweede levert het betwisten van de schuldvordering van een andere schuldeiser in heel wat gevallen slechts een beperkte winst op voor de schuldeiser die het initiatief neemt, gezien de proportionele verdeling; ten derde creëert de vertraging in de uitbetaling ten gevolge van de tegenspraak, het risico dat er intussen een insolventieprocedure wordt geopend waardoor de kans op een snelle betaling of zelfs op enig dividend bijzonder klein wordt; dat risico is alleen maar groter geworden met het hierboven geciteerde arrest van het Hof van Cassatie van 23 april 2010 (het Hof besliste dat een faillissement roet in het eten kan gooien tot op het ogenblik van de effectieve uitbetaling aan de schuldeisers, terwijl voorheen unaniem aanvaard werd dat de evenredige verdeling niet meer kon worden opengebroken door een faillissement vanaf het definitief worden van het PV van verdeling).

De door het Hof van Cassatie beslechte controverse in een arrest van 8 januari 2024 is verbonden met de zogenaamde collectieve dimensie van beslag waarvoor de wetgever koos doch deze evolutie heeft ook een aantal nadelen, zoals E. Dirix nogmaals in de verf zette n.a.v. zijn emeritaat (E. Dirix, Het insolventierecht permanent in de steigers, Acta Falconis XXIV, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2019, 32 en de referenties).

Continue reading “Tot wanneer kan een schuldeiser geldig aangifte doen in een procedure van evenredige verdeling? (Cass. 8 januari 2024)”

Governance van huwelijk en kloostervereniging vergeleken met de vennootschap

Valkuilen in Recht en Economie (die Keure, 2024)

Marital governance

Een cruciale sleutel voor de verschillende juridische normering van het maximum aantal leden in een huwelijk, een vennootschap en een kloostervereniging ligt in de verschillende problemen die meerhoofdigheid stelt voor besluitvorming in deze organisaties.

In een organisatie zoals het huwelijk met twee deelgenoten en zonder bestuursorgaan, zijn er drie grote governance-opties (als we de optie van een extern bestuurder buiten beschouwing laten): (i) deelgenoten kunnen enkel gezamenlijk beslissen (d.w.z. elke deelgenoot heeft een vetorecht); (ii) elke deelgenoot kan alleen beslissen (concurrentiële bevoegdheid) en (iii) één echtgenoot kan alleen beslissen (exclusieve bevoegdheid).

Het actuele huwelijksrecht maakt vooral gebruik van een mengeling van de tweede en de eerste optie: concurrentieel bestuur en gezamenlijk bestuur.

Historisch gezien is nochtans de derde optie van exclusief bestuur de meest voorkomende vorm van marital governance: één managing spouse die exclusief bestuursbevoegd is. Vóór de wijzigingen van 1958 en 1976 werd het huwelijk(svermogen) exclusief bestuurd door één (de mannelijke) echtgenoot (‘hoofd van de echtvereniging’), met nauwelijks governance rechten voor de andere (vrouwelijke) echtgenote die door het huwelijk onbekwaam werd. Deze hervormingen kwamen er overigens niet zonder grote weerstand, vanuit het idee dat een schip met twee kapiteins onbestuurbaar is (Rutsaert, J. “La destruction de la famille par la loi”, JT 1958, 69 e.v.).

Continue reading “Governance van huwelijk en kloostervereniging vergeleken met de vennootschap”

PhD Workshop on European/International Insolvency Law in Vilnius | Call for Papers | Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection

Following five successful editions, the Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection (BWILC) is pleased to announce its 6th PhD Workshop on European/International Insolvency Law. PhD students are invited to present their research ideas in the area of European/ International Insolvency Law, and discuss the challenges and questions they face.

The two-day workshop will be held on Tuesday 16 – Wednesday 17 April 2024 at the Mykolas Romeris University (Vilnius, Lithuania).

Continue reading “PhD Workshop on European/International Insolvency Law in Vilnius | Call for Papers | Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection”

De trein davert verder: over de Listing Act en CS3D

Terwijl alle aandacht gericht is op de hervorming van het aansprakelijkheidsrecht (Boek 6 BW (buitencontractuele aansprakelijkheid) door Kamer aangenomen), davert de Europese wetgevende trein (voor de liefhebbers) ongehinderd verder. Voor de specialisten vennootschaps-en financieel recht valt het voorlopig akkoord (akkoorden zijn tegenwoordig steeds voorlopig) inzake de zgn. Listing Act te noteren. Dit akkoord moet beursnoteringen aantrekkelijker maken, door zgn. “red tape” te wieden. Blijkbaar zou er in dat verband ook een akkoord zijn over “multiple-vote shares” – watch this space voor meer daarover.

Inzake CS3D (Corporate Sustainability Due Diligence) vallen dan weer opvallende bewegingen te noteren. Eind december werd een politiek akkoord bereikt. De losse eindjes van dit akkoord werden ondertussen samengebundeld in een globale compromistekst die vorige week vakkundig werd gelekt. Echter, in het Oosten verschijnen donkere wolken aan de horizon, die zich tegen CS3D, minstens in de huidige vorm, verzetten. Faites vos jeux.

Blijven onvermeld op deze blog allerlei belangrijke initiatieven inzake consumentenrecht die de voorbije dagen het licht zagen. Dit alles om, voor zover nodig, het belang van “Europa” te onderstrepen.

Boek 6 BW (buitencontractuele aansprakelijkheid) door Kamer aangenomen

De plenaire vergadering van de Kamer nam zo-even Wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek aan. De nieuwe regels treden in werking de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Zie over enkele aspecten van dit Boek 6 op Corporate Finance Lab:

Continue reading “Boek 6 BW (buitencontractuele aansprakelijkheid) door Kamer aangenomen”

Rechtseconomie: weg van het juridisch positivism zonder te vervallen in economisch positivisme

Valkuilen in Recht en Economie (die Keure, 2024)

Het is geen verrassing dat “law & economics” eerder van de grond kwam en met meer enthousiasme werd ontvangen in common law landen. Continentale juristen zien hun systeem traditioneel als een geometrisch georganiseerde, gesloten verzameling normen. In een dergelijk zelfbeeld is het gemakkelijk om waanideeën te koesteren van zelf-voorzienende academische grootsheid en om weerstand te bieden aan de oprukkende claims van een economische analyse van het recht. Het recht kende overigens ook een positivistische periode waarin juristen ervan uitgingen dat oplossingen meer geometrisch konden worden afgeleid uit regels (statuten of precedenten). Juristen geloofden ook – of geloven misschien nog steeds? – in een gesloten formeel systeem dat zou leiden tot een correct antwoord, ongeachte de vooroordelen of waarden van de besluitvormers.

Moderne juridische auteurs daarentegen hebben overtuigend beargumenteerd dat het recht misschien wel een formeel systeem is, maar geen gesloten systeem (W. Van Gerven, Het beleid van de rechter, Story-Scientia, 1973). Regels spreken elkaar tegen zonder dat er altijd een metaregel is die het conflict oplost; regels moeten worden geïnterpreteerd en interpretatieve regels geven geen definitief antwoord; een reeks feiten kan vaak onder tegenstrijdige regels vallen. Vanwege deze intrinsieke onbepaaldheid van het rechtssysteem is de rol van het menselijk oordeel, vertrouwend op niet-juridische factoren, van het grootste belang. Rechters, en bij uitbreiding alle juristen die regels toepassen, nemen beleidsbeslissingen. In zo’n zelfbeeld zal er ten eerste minder weerstand zijn tegen het idee dat de deugdelijkheid van de uitkomst wordt bepaald door niet-juridische overwegingen. Dit creëert een openheid voor economische analyse. Economische analyse biedt dan de belofte dat het de ongesystematiseerde iurisprudentia meer kan rationaliseren.

Waar gaat het dan mis met recht en economie? Waar het te ver gaat en normatieve pretenties heeft over wat de wet zou moeten zijn, beperkt tot een criterium van efficiëntie als enige doelstelling. Deze benadering vervreemdt juristen, brengt ideologische vooroordelen met zich mee onder het mom van wetenschap en is naïef sciëntisme dat de menselijke oordeelsvorming in het hart van beleidsvorming negeert. Met andere woorden: de economische analyse van het recht gaat fout waar het definitieve antwoorden presenteert met het aura van wetenschap. Beleidsbeslissing horen geïnformeerd te zijn door wetenschap, maar worden er zelden door bepaald.

Continue reading “Rechtseconomie: weg van het juridisch positivism zonder te vervallen in economisch positivisme”