Delinquent mortgage loans: the EU is working hard to promote solutions for dealing effectively and responsibly with NPLs – Our Belgian supervisory approach needs a change of direction.

A post by guest bloggers Ivan Peeters and Charles-Henri Bernard

1. Under the Belgian regulation on residential mortgage credit (the “ML Regulation”)[1], any individual or legal entity willing to own and hold receivables arising from residential mortgage loans, either by originating such loans or by purchasing mortgage loan receivables, must be authorised as a mortgage lender (“kredietgever inzake hypothecair krediet” / “prêteurs en crédit hypothécaire”). This authorisation shall be requested to, and granted by, the Belgian Financial Services and Markets Authority (the “FSMA”).

2. However, certain derogations from the normal authorisation conditions are available for two special categories of entities:

a) entities that only manage and recover mortgage loans; and

b) certain special types of purchasers of mortgage credit receivables, in particular securitisation vehicles and mobilisation institutions more generally.

These derogations were introduced in the ML Regulation in 2017, when existing mortgage credit lenders and existing mobilisation institutions were required to seek an updated licence (the “2017 Update”).

3. But what about sales of delinquent or defaulted residential mortgage loans. How does this fit within the ML Regulation and, more broadly, within the Belgian regulatory framework? Continue reading “Delinquent mortgage loans: the EU is working hard to promote solutions for dealing effectively and responsibly with NPLs – Our Belgian supervisory approach needs a change of direction.”

Over examens (en veel meer)

Veel lezers van deze blog bereiden thans de examens voor. Andere lezers houden zich in stilte bezig om eerstgenoemde categorie niet te storen. Nog andere lezers bereiden zich voor op het afnemen van die examens.

Aan al deze lezers wordt, bij wijze van kerstessay (maar dan niet de flauwe variant die deze tijd van het jaar in allerlei kranten terug te vinden is), volgende bijdrage “aangeboden” (de aanhalingstekens zien op het feit dat de bijdrage sowieso door iedereen gratis consulteerbaar is): L. François, “Faut-il supprimer les examens universitaires, les perfectionner ou seulement les ritualiser?“, Revue Universitaire de Liège 1974, 1-35.

Bijna 50 jaar na datum heeft de analyse van professor François nauwelijks aan actualiteit en precisie ingeboet. Een analyse die het onderwerp examens moeiteloos overstijgt en in andere domeinen van de “juristerij” evenzeer toepassing vindt.

Wat er ook van zij: succes aan alle studenten én professoren.

Freezing out the minority shareholders of Altice Europe: how protective is Dutch law?

On 11 September 2020, Altice Europe announced that it had entered into an agreement with its 78% controlling shareholder, Patrick Drahi, on an all-cash offer of EUR 4.11 per share for all shares in Altice Europe. Mr Drahi has also announced his intention to freeze out any non-tendering shareholders, either through a statutory squeeze-out procedure or through a post-offer merger or asset sale.

In two letters (available here and here), Lucerne Capital Management, a hedge fund, voiced its opposition against the deal, stating that “the vast majority of Altice Europe’s minority shareholders believe that the public offer is nothing more than an illicit attempt by Mr Drahi to exploit the Covid-19 pandemic to yet again transfer massive value to himself, to the detriment of the minority shareholders”. Lucerne also initiated proceedings with the Amsterdam Enterprise Chamber, requesting the court to appoint three independent directors and to block the post-offer merger and asset sale. Three other investment funds, Sessa, Sheffield and Winterbrook filed similar proceedings. Their main criticism was aimed at the post-offer freeze-out techniques. Continue reading “Freezing out the minority shareholders of Altice Europe: how protective is Dutch law?”

Do corporate acts always count as some person’s actions?

A post by guest blogger Prof. Lisa Siraganian (Johns Hopkins University)

Scholars of corporate legal finance tend not to spend a lot of time worrying about how the corporation relates to novels, poems, literary movements. Or to political cartoons, like Udo Keppler’s fascinating 1910 magazine illustration of the shadowy corporation (more on that one below). But maybe they should. That’s what I argue in my new book, Modernism and the Meaning of Corporate Persons, out just now as part of the Law and Literature series from Oxford University Press, edited by Professors Robert Spoo and Simon Stern.  

Udo J. Keppler, “Get after the substance, not the shadow,” Puck 68, no. 1757 (November 2, 1910). Library of Congress Prints and Photographs division, Washington, D.C.

The story begins with the fateful US Supreme Court decision, Santa Clara v. Southern Pacific Railroad, which legitimatized the American legal fiction of corporate personhood in 1886. After that decision, the development of the idea that law could endow a nonhuman entity with certain rights expanded into American culture. And, not surprisingly, the notion that an eerie, insubstantial corporation could be considered similar to persons bothered many actual people throughout the first decades of the twentieth century.

In the book, I explore how and why the possibility that large collective organizations might mean to do what they do—and might mean like us, like persons—both excited and worried American creative writers, artists like Keppler, and theorists of the corporation. In roughly the first half of the twentieth century, these ideas stimulated new thoughts about what it means to act as a person or as a group. It also sparked new thoughts on what it means to intend to act at all. Of course, versions of that conversation continue today, most often as debates on blogs, scholarship, and in heated media discussions, whether on legal personhood, corporate social responsibility, veil-piercing, or corporate criminal liability. But the earlier deliberations on similar issues have remained, until now, an untapped resource to understand corporate action, worked out in entirely different forms. 

For example, consider the law reviews and treatises on contracts and agency law by US Supreme Court Justice Oliver Wendell Holmes, Jr. and law professor Ernst Freund. Or, alternatively, take the inventive modernist poems of Gertrude Stein and the novels of F. Scott Fitzgerald, author of The Great Gatsby and The Love of the Last Tycoon. Whichever you choose, you can find each writer trying to work out the following problem. Namely, if you can’t be sure how to represent or describe a corporate entity, or who exactly intended what a corporation said or acted, then how can you really know what that corporation meant when it “said” something or acted in a certain way? But knowing, or not knowing, mattered. It would determine what you might fairly expect from the various human persons when they work for a corporation. And it would impact how society should treat (or regulate) these corporate entities and what they did in the world. Continue reading “Do corporate acts always count as some person’s actions?”

De balans van twee jaar Boek XX WER voor not-for-profit organisaties

Sinds 1 mei 2018 kunnen vzw’s, ivzw’s en stichtingen het voorwerp worden van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie of faillissement. Boek XX van het Wetboek van economisch recht (WER) breidde het personeel toepassingsgebied van insolventieprocedures uit naar een formeel ondernemingsbegrip. En dat laatste bleef niet zonder gevolg: tussen 1 mei 2018 en 1 mei 2020 gingen 437 vzw’s, 4 internationale vzw’s en 7 private stichtingen failliet.

In een recente bijdrage voor het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht wordt twee jaar na de inwerkingtreding van Boek XX WER een empirische analyse gemaakt van de gevolgen van de nieuwe insolventieprocedures op rechtspersonen uit de not-for-profit sector.

Vijf vaststellingen

Het onderzoek leidt tot een aantal interessante vaststellingen:

Continue reading “De balans van twee jaar Boek XX WER voor not-for-profit organisaties”

Het vennootschapsbelang in de aanloop naar insolventie

Presentatie door Professor Sofie Cools (KU Leuven)

Krijgt het vennootschapsbelang een andere invulling in de aanloop naar insolventie? En in welke remedies krijgt dit vennootschapbelang concreet gestalte?

Deze actuele vraag werd besproken door Prof. Dr. Sofie Cools op de studiedag aan de KU Leuven op 15 oktober over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan haar presentatie hier (her)bekijken.

Meer info over de band tussen het vennootschapsbelang, het schuldeisersbelang en andere normen vindt u in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon

De pauliana in het kader van de vennootschapsgroep

Presentatie door meester Arie Van Hoe

De pauliaanse vordering beschermt vennootschapsschuldeisers tegen opportunistisch gedrag van insiders. Het risico op dergelijk opportunistisch gedrag is acuut in de bijzondere context van de vennootschapsgroep, waarbij insiders de lakens uitdelen in verschillende groepsvennootschappen. De toepassing van de actio pauliana in het kader van de vennootschapsgroep werd onderzocht door Arie Van Hoe (UA, advocaat bij NautaDutilh) op de studiedag aan de KU Leuven op 15 oktober over Schuldeisers en Rechtspersonen. Hierbij staat de vraag centraal of de pauliaanse vordering de vennootschapsgroep slaat of zalft. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon

De curator en de fiscale attesten

V. Verlaeckt, “Stalken van de curator voor fiscale attesten heeft geen nut”,  Juristenkrant 2020-21, nr. 414, 11

In de laatste editie van Juristenkrant roept mr. Verlaeckt schuldeisers op om hun “fiscaal-attest-queeste” te staken (V. VERLAECKT , “Stalken van de curator voor fiscale attesten heeft geen nut”,  Juristenkrant 2020-21, nr. 414, 11.).

Een fiscaal attest wordt gevraagd door schuldeisers in een faillissement om hun vorderingen op gefailleerde “af te boeken”. De schuldeiser beoogt met dit fiscaal attest zijn vordering op de gefailleerde als beroepsverlies te kunnen aftrekken van zijn belastbaar resultaat of de geboekte waardevermindering fiscaal vrij te stellen.

Verlaeckt stelt dat een curator niet wettelijk verplicht is tot het afleveren van dergelijke attesten en deze praktijk zelfs onnodige risico’s inhoudt: Continue reading “De curator en de fiscale attesten”

Verjaring bestuursaansprakelijkheid: wettelijke verankering van ‘fraus omnia corrumpit’ niet zo vanzelfsprekend

Art. 2:143, §1, vierde streepje t WVV

1. Art. 2:143, §1, vierde streepje van het WVV bevat volgende, op het eerste zicht vanzelfsprekende, verjaringstermijn:

“Alle rechtsvorderingen tegen leden van het bestuursorgaan, dagelijks bestuurders, commissarissen, vereffenaars, tegen de vaste vertegenwoordigers van rechtspersonen die één van de voornoemde functies bekleden, of tegen alle andere personen die ten aanzien van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen vanaf die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking ervan.”

Vertaald in verjaringsrechtelijke termen komt deze bepaling neer op het volgende: de vorderingen tegen leden van het bestuursorgaan (zowel bestuurders als dagelijkse bestuurders), de commissaris, vereffenaars en vaste vertegenwoordigers van rechtspersonen die deze functies uitoefenen verjaren na vijf jaar. Het principiële startpunt van deze verjaringstermijn is de verrichting die aanleiding geeft tot de vordering. Indien de verrichtingen die aanleiding hebben gegeven tot de vordering echter opzettelijk verborgen zijn gehouden, wordt de verjaringstermijn geschorst tot op het moment dat de verrichting ontdekt wordt. Dit is een wettelijke verankering van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”.

2. Deze bepaling is minder vanzelfsprekend dan die op het eerste zicht lijkt. Continue reading “Verjaring bestuursaansprakelijkheid: wettelijke verankering van ‘fraus omnia corrumpit’ niet zo vanzelfsprekend”

‘Rechtsreeks’: een rijk digitaal archief van juridische boeken en tijdschriften

Bewindsbevoegdheid en het Algemeen Deel van Van Gerven, Obligatoire verhoudingen van Dirix, het Précis van Fredericq, het Algemeen Deel of Schade en Schadeloosstelling van Ronse, de ganse De Page, … ze staan natuurlijk al in uw bibliotheek. Maar wist u dat u deze klassiekers, en zo veel andere evergreens, gratis kan consulturen op ?

De onvolprezen Leuvense faculteitsbibliotheek digitaliseert sinds enige jaren grotere en kleinere tijdschriftarchieven en sinds corona ook oudere juridische boeken, met als doel deze vrij beschikbaar te maken in open access

Met heel wat bronnen die de lezer van deze blog zullen interesseren: DAOR, NFM, Pas., RW, RCJB, RPS, TBH, TRV, T.Fin.R., TPR, V&F, de Beginselen en de Algemene Theorie van Cornelis, Belangenconflicten van Ernst, Vennootschapbelang van François, Ontbinding van Stijns, Bestuur van Tilleman, Kapitaal van Wyckaert, en zo veel meer.

Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective

A guestpost by Prof. Dr. Reinhard Bork (Universität Hamburg)


The financial shipwreck of a company is a customary event in nearly all states of the world. Most jurisdictions have special statutes addressing this topic and they are – beyond terminological issues – all dealing with the same questions: how is the term “insolvency” defined? How are insolvency proceedings commenced? What are the responsibilities of the court on the one hand and of the Insolvency Practitioner on the other hand? Are there various classes of creditors and what are their procedural and substantive rights? How is the insolvency estate determined? What are the effects of the opening of insolvency proceedings on the estate? What are the consequences for executory contracts or rights to set-off? Can transactions performed prior to the opening of insolvency proceedings be reversed to the benefit of the general body of creditors? What is the legal position of secured creditors? Is restructuring of an insolvent company a possible scenario and what are the differences between liquidation and restructuring proceedings? Which rules apply to cross-border affairs, e.g. to assets located in a foreign jurisdiction? Continue reading “Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective”

Het Hof van Cassatie over de gevolgen van de verbreking van een overeenkomst door de curator

Als de curator besluit tot niet-uitvoeren is de overeenkomst met de gefailleerde wel degelijk beëindigd

Op 4 september jl. sprak het Hof van Cassatie een belangwekkend arrest (C.20.0011.N) uit over een miskend principe: het verbod op uitvoering in natura van een contractuele verbintenis van de gefailleerde tegen de faillissementsboedel. Tegelijk kon het Hof die regel aanvullen met een regel over de omvang van de schadevergoeding die ten gevolge van  de niet-uitvoering een verbreking door de curator een schuld in de boedel zal zijn.

Eerst een stap terug naar de principes van samenloop bij faillissement.

Een gevolg van de samenloop is dat de onderlinge rang van de samenlopende schuldeisers wordt “gefixeerd” op het ogenblik van het faillissementsvonnis. Hun onderlinge rang wordt bepaald op basis van de toestand op het ogenblik van faillietverklaring.

Dit “fixatiebeginsel” (vaak – maar verwarrend – ook “gelijkheidsbeginsel” genoemd) verzet zich ook tegen een gedwongen uitvoering in natura tegen de boedel, in ieder geval waar het een verbintenis tot overdracht (“dare”) of tot doen (“facere”) zou betreffen (E. Dirix, “Faillissement en lopende overeenkomsten”, RW 2003-04, 204, nr. 9).

Wellicht zijn er weinig regels van privaatrecht die tegelijk zo onbekend en zo fundamenteel zijn. Continue reading “Het Hof van Cassatie over de gevolgen van de verbreking van een overeenkomst door de curator”

European Financial Regulation: Levelling the Cross-sectoral Playing Field

Oxford Webinar on Sep. 25th.

The KU Leuven Jan Ronse Institute, the Oxford Commercial Law Centre and the Nijmegen Radboud Business Law Institute are co-organising a webinar on the book “European Financial Regulation: Levelling the Cross-sectoral Playing Field”, edited by Veerle Colaert, Danny Busch and Thomas Incalza.

The event takes place on the 25th of September, from 3.45-6pm CET (2.45-5pm London time).

Participation in the webinar is free of charge, but prior registration is required, via the following link.

At the webinar, internationally renowned scholars in financial regulation, including John Armour, Danny Busch and Georg Ringe, will discuss key topics such as FinTech, corporate governance, conflicts of interest and the suitability test, all from a cross-sectoral perspective. They will show that very similar rules apply in banking, securities and insurance regulation and will discuss whether and why differences are necessary, or whether, on the contrary, a more cross-sectoral approach would be beneficial.

This innovative approach is aimed at informing law and policymakers on potential improvements to EU financial regulation whilst also supporting legal and compliance professionals applying the current framework or looking to streamline compliance processes.


2:45 Welcome and introduction
Professor Kristin van Zwieten (Chair of Sessions)
Clifford Chance Associate Professor of Law and Finance, University of Oxford; Fellow and Tutor in Law, Harris Manchester College, University of Oxford

3:00  Levelling the cross-sectoral playing field
Professor Veerle Colaert
Financial Law Chair, Jan Ronse Institute for Company and Financial Law, KU Leuven University 

3:20 Towards European harmonisation of know-your-customer obligations for investment products
Professor Danny Busch
Financial Law Chair, Director, Financial Law Centre, Radboud University Nijmegen; Research Fellow, Harris Manchester College, and a Fellow of the Commercial Law Centre at Harris Manchester College, University of Oxford

3:40 Reflections on Governance in the Financial Sector
Professor John Armour
Professor of Law and Finance, University of Oxford

4:00 How to regulate Fintech in the EU?
Professor Wolf- Georg Ringe
Chair for Law & Finance, University of Hamburg
Visiting Professor, University of Oxford

4:20 Conflicts of interest and inducements: a cross-sectoral analysis of a fragmented reality  
Professor Thomas Incalza
Research Fellow, KU Leuven University; University of Hasselt

4:40 Discussion

5:00 Closing remarks by Professor Kristin van Zwieten

Sustainability is no longer in the eye of the beholder: an overview of the Taxonomy Regulation

Funds that took due account of environmental, social and governance (ESG) factors in their investment strategies generally outperformed their conventional counterparts during the Corona pandemic (FT, 3 April 2020). At the same time there is an omnipresent call to align the economic recovery in Europe with the ‘green transition’ (FT, 18 June 2020). In sharp contrast to this emphasis on the importance for investors to take ESG factors on board when making investment decisions stands the uncertainty about the requirements an investment must meet to be actually sustainable.

On 18 June 2020 the European Parliament decided to remedy the lack of clarity by adopting the Taxonomy Regulation[1] which defines an environmentally sustainable economic activity. More specifically, it sets out the broader framework within which the European Commission will have to come up with the technical criteria an economic activity must adhere to in order to be considered environmentally sustainable. This contribution will give an overview of the key changes brought by the Taxonomy Regulation.

The definition of what makes an economic activity sustainable will lie at the center of an emerging legal framework for sustainable finance. Creating  such a legal framework pioneered as a priority in the Action Plan on Building a Capital Markets Union of 2015 and was translated in more concrete policy in the Action Plan: Financing Sustainable Growth of 2018 based on a blueprint designed by the High-Level Expert Group on Sustainable Finance. In particular the latter Action Plan’s goal to reorient capital flows towards sustainable investments justified the adoption of a detailed EU classification system – or taxonomy – to make it clear for investors which activities qualify as ‘green’ or ‘sustainable’.[2] Continue reading “Sustainability is no longer in the eye of the beholder: an overview of the Taxonomy Regulation”

Bewijswaarde van een factuur tegen de ontvangende onderneming

W. Vandenbussche en M. Van De Looverbosch, “Het nieuwe ondernemingsbewijsrecht”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreken Dr. W. Vandenbussche (Linklaters) en Mr. M. Van de Looverbosch (KU Leuven, DLA) wat er wijzigde in het ondernemingsbewijsrecht met het gewijzigde WER en boek 8 BW. Daarbij komt onder meer de bewijswaarde aan bod van een factuur die door een onderneming in formele zin werd ontvangen:

“Wanneer een leverancier, aannemer of dienstverlener via een factuur wil bewijzen tegen een onderneming, zal de eerste vraag zijn of de factuur al dan niet aanvaard is. […]

Het is voor de verzender niet voldoende dat een geadresseerde de factuur ontvangen heeft om er bewijswaarde aan te ontlenen. De ontvanger moet de factuur ook hebben aanvaard. De aanvaarding van een factuur is de veruitwendiging door de schuldenaar van zijn akkoord met betrekking tot de in de factuur uitgedrukte schuldvordering en de modaliteiten ervan.[1] Soms is er sprake van een uitdrukkelijke aanvaarding. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de ondertekening van de factuur voor akkoord, bij een brief die de goede ontvangst en nazicht vermeldt of bij de mededeling dat de factuur werd nagekeken en zal worden betaald.[2] De aanvaarding van de factuur kan ook impliciet gebeuren. Dit betekent dat de rechter de aanvaarding redelijkerwijze uit de handelwijze van de schuldenaar mag afleiden (zoals door de betaling van het gevorderde bedrag zonder enig voorbehoud, door het gebruik van de factuur voor de btw-aangifte, door de doorverkoop, de verwerking van de gefactureerde goederen of door het aannemen van een kredietnota).[3] Continue reading “Bewijswaarde van een factuur tegen de ontvangende onderneming”