Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?

Volgens artikel 1:2 en 1:3 WVV streeft elke VZW of stichting “een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft.” Regelmatig rijst de vraag: “Wat houdt een belangeloos doel precies in?” of ook “Wanneer is een doel belangeloos?” In deze blogpost verduidelijken we waarom die vraag niet eenduidig te beantwoorden is. Het ene belangeloos doel is immers niet het andere.

1/ Het belangeloos doel geeft in de eerste plaats een bestemming aan het vermogen van de VZW of stichting (“bestemmingsfunctie”). Aangezien de middelen niet mogen worden uitgekeerd (zie hier voor eerdere blogpost), bepaalt het belangeloos doel de bestemming waaraan de organisatie de middelen wél mag besteden. Een VZW die wordt opgericht met als belangeloos doel de organisatie en inrichting van een voetbalploeg, is ertoe gebonden haar vermogen aan voetbal te besteden en mag haar middelen niet besteden om een toneelvoorstelling te financieren. Evenmin mag een NGO-stichting die middelen inzamelt om aan ontwikkelingshulp te besteden deze middelen gebruiken om een dierenasiel in te richten. Die bestemmingsfunctie van het belangeloos doel speelt een belangrijkere rol dan men op het eerste gezicht zou denken. Zeker voor financiers (donateurs, subsidieverschaffers, vrijwilligers, …) is het belangeloos doel een belangrijk element, aangezien het belangeloos doel in de meeste gevallen de beweegreden vormt om middelen om niet in te brengen.

2/ Als het gaat over de bestemming van het doelgebonden vermogen geeft de term “belangeloos doel” een ambigue signaal. Ten eerste lijkt ze te impliceren dat een VZW of stichting een doelstelling moet nastreven die exclusief ten dienste staat van anderen en waarbij leden of stichters zelf geen enkel belang zouden mogen hebben bij de organisatie, quod non. Die opvatting strookt niet met de talloze legitieme voorbeelden in de praktijk waarbij leden wel een belang hebben bij de activiteiten van de organisatie (bv. VZW erkend als beroepsvereniging van kansspelindustrie of de petrochemische sector maar evengoed een oudercomité als VZW, waarbij ouders een belang hebben). Daarnaast insinueert de term “belangeloos doel” dat het om iets “ideëels” of “goeds” gaat. Die opvatting kan omwille van subjectieve voorkeuren en persoonlijke waarden en normen van mensen dan weer problemen veroorzaken. Een persoon die veel belang hecht aan dierenwelzijn zal het belangeloos doel van een jachtvereniging in vraag stellen, terwijl een diepgelovige persoon het mogelijks moeilijk zal hebben met het belangeloos doel van een VZW die de vergaring van wetenschappelijke kennis over euthanasie wil bevorderen. Met andere woorden: wat voor de ene persoon een belangeloos doel is, kan voor iemand anders net een onaanvaardbare doelstelling zijn.

3/ Het belangeloos doel als bestemmingsfunctie moet in de eerste plaats worden gelezen in verhouding tot vennootschappen. In tegenstelling tot het winstdoel bij vennootschappen, mag een VZW of stichting geen uitkeringen doen. De term “belangeloos doel” wil verduidelijken dat het door de VZW of stichting nagestreefde doel in elk geval niet het werkelijk doen van uitkeringen mag inhouden, en dus belangeloos moet zijn. De vereiste van “belangeloos doel” betekent dus niet dat elke VZW of stichting een ideëel of charitatief doel moet hebben, integendeel. Het organisatierecht geeft geen normatieve invulling aan de term “belangeloos doel”. Vandaar ook dat familiestichtingen, beroepsverenigingen, lobbyorganisaties, beleggersclubs, etc. allemaal een belangeloos doel hebben (als bestemming van het vermogen). Wanneer het achterliggende of werkelijke doel van een VZW of stichting het doen van uitkeringen is, streeft de VZW of stichting per definitie geen belangeloos doel na, waardoor ze nietig kan worden verklaard of gerechtelijk worden ontbonden.

4/ Naast zijn bestemmingsfunctie heeft het belangeloos doel ook een tweede functie, nl. fungeren als rechtvaardigingsgrond voor de in beginsel verboden uitkeringen. De definities van VZW en stichting bepalen dat het rechtstreeks of onrechtstreeks uitkeren of bezorgen van enig vermogensvoordeel verboden is, “behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloos doel”. Een voorbeeld hiervan is de uitkering door een VZW met als belangeloos doel de ondersteuning van patiënten met een bepaalde ziekte (bv. kanker) door financiële tussenkomst in de ziekenhuiskosten of voor de aankoop van bepaalde medicijnen. Ook de uitkering van een studiebeurs door een stichting is geoorloofd wanneer het belangeloos doel bv. de bevordering van internationale uitwisseling inhoudt. De initieel ongeoorloofde uitkering wordt dan toegelaten, omdat zij bijdraagt aan de verwezenlijking van het belangeloos doel.

5/ De problemen over de invulling van het belangeloos doel ontstaan vooral bij de invulling van het belangeloos doel als rechtvaardigingsgrond voor uitkeringen. Het uitkeringsverbod beschermt het doelgebonden vermogen van een VZW of stichting tegen “vermogenslekken” naar insiders (leden, bestuurders, stichters, …) Om omzeiling van het uitkeringsverbod te voorkomen moet het belangeloos doel restrictief worden ingevuld wanneer het als rechtvaardigingsgrond voor uitkeringen wordt ingeroepen. Niet elk belangeloos doel dat geschikt is als bestemming van het vermogen is ook geschikt als rechtvaardigingsgrond voor de in beginsel verboden uitkeringen.

6/ Om dit op te lossen, is het logischer om te denken in functie van een belangeloos doel in brede zin en een belangeloos doel in enge zin, waarbij men een onderscheid maakt tussen de twee aspecten.

  • Elke VZW of stichting streeft een belangeloos doel in brede zin na. Het belangeloos doel in brede zin bepaalt de bestemming van het doelgebonden vermogen. Het nagestreefde belangeloos doel kan élk doel zijn, zolang het niet werkelijk tot doel inhoudt om uitkeringen aan de insiders te doen. Het belangeloos doel in brede zin hoeft dus niet onbaatzuchtig, charitatief of ideëel te zijn.
  • Wanneer een VZW of stichting uitkeringen wil doen aan een insider of een derde voor het in haar statuten omschreven belangeloos doel, is dit een uitzondering op het uitkeringsverbod, waardoor een restrictieve toepassing is vereist. Uitkeringen die zijn toegelaten, moeten passen in een belangeloos doel in enge zin. Het belangeloos doel in enge zin is restrictiever dan het belangeloos doel in brede zin. Niet elk belangeloos doel in brede zin zal ook een belangeloos doel in enge zin zijn.

7/ In feite mag het belangeloos doel in brede zin alles inhouden, zolang het doel niet het doen van uitkeringen inhoudt. Als het gaat over het geven van een bestemming aan het vermogen van de VZW of stichting zal dit zelden een probleem geven. Het is maar wanneer het belangeloos doel als rechtvaardigingsgrond voor uitkeringen moet fungeren, dat wordt getest of het belangeloos doel wel écht “belangeloos” is. Onder het in de statuten bepaalde belangeloos doel mag immers geen winstuitkeringsdoel gemaskeerd zitten. Is dat wel het geval, dan wordt de uitkering als een baat of voordeel voor de insider beschouwd, waardoor het in feite om een verboden uitkering gaat.

8/ De kernvraag blijft wanneer een belangeloos doel ook kwalificeert als een belangeloos doel in enge zin, met name wanneer het wordt ingeroepen als rechtvaardigingsgrond voor een uitkering. Het meest aangewezen criterium is een objectieve toets. Daarbij wordt nagegaan of de betrokken uitkering een verrichting is die een normaal en redelijk handelend persoon zou omschrijven als “een handeling die niet hoofdzakelijk tot doel heeft een materieel voordeel of een baat te bezorgen aan een insider of een derde”. Met andere woorden: de toets onderzoekt of achter de uitkering in werkelijkheid geen vermomd winstuitkeringsdoel schuilgaat. Indien blijkt dat de verrichting in essentie strekt tot bevoordeling van een insider, dan kan zij niet worden gerechtvaardigd door het belangeloos doel en gaat het om een verboden uitkering. Indien daarentegen een objectieve beoordeling aantoont dat de uitkering in hoofdzaak bijdraagt aan de verwezenlijking van een doel dat verder reikt dan de loutere bevoordeling van een insider, dan kan het belangeloos doel worden aanvaard als een belangeloos doel in enge zin. Het belangeloos doel in enge zin veronderstelt dus méér dan louter de afwezigheid van een winstuitkeringsdoel: het moet een doel betreffen dat naar objectieve maatstaven niet primair is gericht op private bevoordeling.

Deze blogpost is een samenvatting van een beperkte passage (pg. 227-279) uit mijn doctoraat waarvan de commerciële uitgave is verschenen bij Lea Uitgevers. Op 6 maart 2026 organiseert het Jan Ronse Instituut voor vennootschaps – en financieel recht (KU Leuven) een studiemiddag waarin dit topic wordt besproken, samen met heel wat andere relevante topics rond het uitkeringsverbod en het belangeloos doel bij VZW en stichting. Programma en inschrijven kan via deze link.

Unknown's avatar

Author: Bram Van Baelen

Researcher @ KU Leuven

Leave a comment