Aandeelhoudersleningen in grensoverschrijdend verband. De lidstaat is meester van de boedel (Hof van Justitie 19 maart 2026)

Stel: een Belgische aandeelhouder verstrekt een lening (onderworpen aan Belgisch recht) aan een Duitse vennootschap. In de maanden voorafgaand aan de opening van een Duitse insolventieprocedure m.b.t. de Duitse vennootschap worden een aantal betalingen gedaan ter aflossing van de lening. Het risico van de Belgische aandeelhouder neemt hierdoor af.

In de Duitse insolventieprocedure wil de Belgische aandeelhouder voor het saldo van de lening een schuldvordering indienen. De Duitse curator zegt: “niet zo snel, uw schuldvordering – Belgische aandeelhouder – wordt niet toegelaten en bovendien zou ik graag alles terugkrijgen wat u recent hebt ontvangen. De rechtsbasis, zo vraagt u: § 39 en § 135 Insolvenzordnung.”  

Ziedaar de (naar een Belgische context aangepaste) feiten die ten grondslag liggen aan het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2026. Dit arrest is uitgesproken met toepassing van de oude Insolventieverordening maar het resultaat blijft identiek gelden onder de nieuwe Insolventieverordening

Naar Duits recht (lex fori concursus) zijn de vorderingen van de (in ons voorbeeld Belgische) aandeelhouder “vorderingen van lagere rang” waarbij “de ter zake bevoegde rechter schuldeisers die lager in rang staan niet heeft verzocht hun vorderingen in te dienen, hetgeen een voorwaarde is voor hun deelname aan de insolventieprocedure” (nr. 18 arrest). De eerder verrichte aflossingen moeten aan de boedel worden terugbetaald (nr. 19 arrest).

De Belgische aandeelhouder, lichtjes verontwaardigd, antwoordt: “niet zo snel, ik ken die regeling waar u zo enthousiast naar verwijst helemaal niet, en het toepasselijke Belgische recht kent deze regeling evenmin. Gelieve niet moeilijk te doen.”

Wat domineert? De lex fori concursus of de lex causae? Dit vereist een analyse van het samenspel tussen art. 13 (17) InsolVo enerzijds en art. 4 (7), lid 2, onder m) InsolVo anderzijds.

Art. 4 (thans 7), lid 2, onder m):

Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

(m) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige rechtshandelingen.

Art. 13 (thans 17)

Artikel 4, lid 2, onder m), is niet van toepassing indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling bewijst dat:

(a) deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en

(b) het recht van die lidstaat in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.

Het mechanisme is duidelijk. Artikel 13 (17) voorziet in de mogelijkheid bepaalde (rechts)handelingen te immuniseren voor het toepasselijke insolventierecht, door ze aan het recht van een andere lidstaat te onderwerpen (zie de commentaar van Gillis Lindemans op het arrest Vinyls). Een ideale ontsnapping voor de Belgische aandeelhouder, zo lijkt.

Toch niet, zo blijkt. Het Hof kadert de te beantwoorden rechtsvraag als volgt:

“In dat rechtskader moet de eerste vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.

Vervolgens geeft het Hof een restrictieve invulling aan art. 13 (17):

“Hieruit volgt dat, aangezien artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 een uitzondering vormt op artikel 4, lid 2, onder m), van die verordening, de werkingssfeer ervan beperkt is tot het in die bepaling genoemde geval, namelijk wanneer de vraag naar het toepasselijke recht betrekking heeft op de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen, en niet wanneer het gaat om de regels die zien op welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar of welke rangindeling zij hebben.”

Het Hof geeft hiermee aan dat de uitzonderingsbepaling van art. 13 (17) geen betrekking heeft op de rangorde en de volgorde van verdeling van vorderingen, en besluit als volgt:

“Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich niet op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.”

Uit dit arrest kan worden afgeleid dat elke lidstaat meester is van de boedel, en kan bepalen welke schuldeisers (en in welke volgorde) worden toegelaten tot de boedel, waarbij deze keuze zich ook opdringt aan rechtsverhoudingen onderworpen aan een ander recht. Lidstaten hebben hiermee een belangrijk instrument in handen om de ontsnappingsroute van art. 13 (17) te neutraliseren.

Het Hof heeft zich beperkt tot dit antwoord, zonder de bijkomende vragen te beantwoorden. Zo blijft m.i. de vraag open of het recht dat van toepassing is op een lening die door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap aan de vennootschap is verstrekt, wordt beheerst door het vennootschapsrecht of het insolventierecht, en de impact daarvan op de vestigingsvrijheid (zie daarover, A. Van Hoe en M. Vanmeenen, “Shareholders’ loans at the crossroads between corporate and insolvency law : impact of the freedom of establishment on national insolvency law”, International Insolvency Law Review 2011, 468-479).

Unknown's avatar

Author: Arie Van Hoe

Arie Van Hoe, lawyer (Cresco) - corporate law, insolvency law, ESG.

Leave a comment