Recht in ontwikkeling – studiedagen Instituut Financieel Recht (UGent)

Zonder ongelukken zitten er belangrijke wijzigingen aan het WVV aan te komen. België moet een reeks Europese Richtlijnen omzetten, waaronder een Richtlijn Meervoudig Stemrecht (MVS), de Tweede Digitaliseringsrichtlijn en de Women on Board-Richtlijn, om de CSDDD zoals gewijzigd door Omnibus niet te vergeten, en minister van Justititie Verlinden heeft in haar beleidsverklaring  Justititie 2025-26 (Parl. St. Kamer Doc 56, 0767/017, p. 22) een evaluatie van het WVV op de agenda gezet. Minister Verlinden heeft aan het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht gevraagd te helpen bij het schrijven van een voorontwerp van wet ter omzetting van de MVS-richtlijn (zie reeds hier). Stijn Deschepper van de FOD Justitie houdt de pen, maar een gans BCV-team (waaronder ondergetekende) biedt input, en alle werkstromen worden gecoördineerd door Marieke Wyckaert, BCV-voorzitter.

Het Instituut Financieel Recht organiseert op 19 mei een studienamiddag waarop een aantal auteurs van het wetsontwerp de toekomstige wijzigingen aan het WVV toelichten, binnen het kader van de bestaande regelingen rond soortrechten, meervoudig stemrecht en intern reglement, waarvan de problemen eerst nog eens geschetst zullen worden.

De Richtlijn Meervoudig Stemrecht (MVS) (Richtlijn (EU) 2024/2810 van 23 oktober 2024) verplicht Lidstaten om meervoudig stemrecht in te voeren voor vennootschappen die op een MTF (Multilateral Trading Facility, beursplatformen die geen gereglementeerde markt zijn en soms bedoeld zijn voor “groeibedrijven”, zoals Euronext Growth ) willen noteren,. De MVS-Richtlijn is onderdeel van de Listing Act, die ernaar streefde de Europese kapitaalmarkten te verdiepen. De gedachte daarbij was dat oprichters van start-ups vlugger naar de beurs zouden trekken indien zij via MVS de controle kunnen behouden. Maar terecht heeft men in België geoordeeld dat er geen reden is om meervoudig stemrecht alleen voor op een MTF genoteerde vennootschappen mogelijk te maken.  In België is sinds 2019 (invoering WVV) meervoudig stemrecht mogelijk bij niet-genoteerde vennootschappen, en dubbel loyauteitsstemrecht bij genoteerde vennootschappen. Men wil de MVS-Richtlijn nu zo omzetten dat meervoudig stemrecht ook mogelijk wordt bij genoteerde vennootschappen, met een maximummultiplicator van 20 stemmen per aandeel (naast het loyauteitsstemrecht dat uiteraard niet wordt afgeschaft als mogeljkheid).

Maar omdat aandelen met meervoudig stemrecht een aparte soort van aandelen (in de technische betekenis van art. 7:60 WVV) zijn, moeten de soortwijzigingsregels uit het WVV (art. 7:155) aangepast worden om de invoering van meervoudig stemrecht beursvennootschappen mogelijk te maken, zeker nu dit niet alleen pre-IPO maar ook “midstream”, na de beursgang, mogelijk moet zijn. De wetgever heeft in 2019 geprobeerd de soortwijzigingsregels te verduidelijken en vereenvoudigen, maar heeft toen helaas ook nieuwe interpretatieproblemen gecreëerd. In de praktijk  klaagt men dat de nieuwe regels te vaak moeten toegepast worden en dan te vaak een blokkeringsmogelijkheid geven aan een minderheid van aandeelhouders. De omzetting van de MVS-Richtlijn zal daarom ook gebruikt worden om de soortwijzigingsregels grondig bij te spijkeren, zodat bv. ook verduidelijkt wordt hoe men meervoudig stemrecht kan invoeren zonder nieuwe aandelen  uit te geven, maar ander stemrecht te geven aan sommige maar niet alle van de bestaande aandelen (“soortsplitsing”).

België is niet alleen verplicht de MVS-Richtlijn om te zetten (tegen eind 2026), maar moet ook dringend werk maken van de aanpassing van het WVV aan arresten van het Grondwettelijk Hof over het intern reglement en over de verjaringstermijnen voor een aantal vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsvorderingen. Zo moet men ook buiten de coöperatieve vennootschap de mogelijkheid krijgen om in een intern reglement aangelegenheden te regelen die verband houden met de rechten van aandeelhouders (bv. winstverdelingsafspraken in vennootschappen van vrije beroepers), maar uiteraard moet dit met de nodige waarborgen voor aandeelhouders omkaderd  worden. Het is de bedoeling dit in hetzelfde voorontwerp van wet te regelen.

Al deze cruciale wijzigingen aan het WVV (meervoudig stemrecht; soortwijzigingen; intern reglement) komen aan bod op een studienamiddag van het Instituut Financieel Recht van de UGent op 19 mei 2026 .  Op dezelfde namiddag wordt ook die andere belangrijke Richtlijn, de CSDDD na Omnibus, besproken.

Het Instituut Financieel Recht zou zijn naam uiteraard geen eer aan doen indien het niet ook studienamiddagen over bank-en financieel recht zou organiseren: de aftrap wordt gegeven op 31 maart met een dag over consumentenbescherming in het financieel recht. Op 21 april volgt een namiddag over cryptofinance en op 2 juni komen een aantal transversale thema’s uit het financieel recht aan bod, zoals de opgang van private credit en ontwikkelingen in de effectiseringsmarkt of nog het toezicht op en de afwikkeling van financiële instellingen.

Hans De Wulf, Instituut Financieel Recht, UGent

Meer informatie over het programma van de cyclus en de inschrijvingsmogelijkheden vindt u op https://gandaiusacademy.ugent.be/2026/ifr-dagen

Aandeelhoudersleningen in grensoverschrijdend verband. De lidstaat is meester van de boedel (Hof van Justitie 19 maart 2026)

Stel: een Belgische aandeelhouder verstrekt een lening (onderworpen aan Belgisch recht) aan een Duitse vennootschap. In de maanden voorafgaand aan de opening van een Duitse insolventieprocedure m.b.t. de Duitse vennootschap worden een aantal betalingen gedaan ter aflossing van de lening. Het risico van de Belgische aandeelhouder neemt hierdoor af.

In de Duitse insolventieprocedure wil de Belgische aandeelhouder voor het saldo van de lening een schuldvordering indienen. De Duitse curator zegt: “niet zo snel, uw schuldvordering – Belgische aandeelhouder – wordt niet toegelaten en bovendien zou ik graag alles terugkrijgen wat u recent hebt ontvangen. De rechtsbasis, zo vraagt u: § 39 en § 135 Insolvenzordnung.”  

Ziedaar de (naar een Belgische context aangepaste) feiten die ten grondslag liggen aan het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2026. Dit arrest is uitgesproken met toepassing van de oude Insolventieverordening maar het resultaat blijft identiek gelden onder de nieuwe Insolventieverordening

Naar Duits recht (lex fori concursus) zijn de vorderingen van de (in ons voorbeeld Belgische) aandeelhouder “vorderingen van lagere rang” waarbij “de ter zake bevoegde rechter schuldeisers die lager in rang staan niet heeft verzocht hun vorderingen in te dienen, hetgeen een voorwaarde is voor hun deelname aan de insolventieprocedure” (nr. 18 arrest). De eerder verrichte aflossingen moeten aan de boedel worden terugbetaald (nr. 19 arrest).

De Belgische aandeelhouder, lichtjes verontwaardigd, antwoordt: “niet zo snel, ik ken die regeling waar u zo enthousiast naar verwijst helemaal niet, en het toepasselijke Belgische recht kent deze regeling evenmin. Gelieve niet moeilijk te doen.”

Wat domineert? De lex fori concursus of de lex causae? Dit vereist een analyse van het samenspel tussen art. 13 (17) InsolVo enerzijds en art. 4 (7), lid 2, onder m) InsolVo anderzijds.

Art. 4 (thans 7), lid 2, onder m):

Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

(m) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige rechtshandelingen.

Art. 13 (thans 17)

Artikel 4, lid 2, onder m), is niet van toepassing indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling bewijst dat:

(a) deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en

(b) het recht van die lidstaat in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.

Het mechanisme is duidelijk. Artikel 13 (17) voorziet in de mogelijkheid bepaalde (rechts)handelingen te immuniseren voor het toepasselijke insolventierecht, door ze aan het recht van een andere lidstaat te onderwerpen (zie de commentaar van Gillis Lindemans op het arrest Vinyls). Een ideale ontsnapping voor de Belgische aandeelhouder, zo lijkt.

Toch niet, zo blijkt. Het Hof kadert de te beantwoorden rechtsvraag als volgt:

“In dat rechtskader moet de eerste vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.

Vervolgens geeft het Hof een restrictieve invulling aan art. 13 (17):

“Hieruit volgt dat, aangezien artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 een uitzondering vormt op artikel 4, lid 2, onder m), van die verordening, de werkingssfeer ervan beperkt is tot het in die bepaling genoemde geval, namelijk wanneer de vraag naar het toepasselijke recht betrekking heeft op de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen, en niet wanneer het gaat om de regels die zien op welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar of welke rangindeling zij hebben.”

Het Hof geeft hiermee aan dat de uitzonderingsbepaling van art. 13 (17) geen betrekking heeft op de rangorde en de volgorde van verdeling van vorderingen, en besluit als volgt:

“Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich niet op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.”

Uit dit arrest kan worden afgeleid dat elke lidstaat meester is van de boedel, en kan bepalen welke schuldeisers (en in welke volgorde) worden toegelaten tot de boedel, waarbij deze keuze zich ook opdringt aan rechtsverhoudingen onderworpen aan een ander recht. Lidstaten hebben hiermee een belangrijk instrument in handen om de ontsnappingsroute van art. 13 (17) te neutraliseren.

Het Hof heeft zich beperkt tot dit antwoord, zonder de bijkomende vragen te beantwoorden. Zo blijft m.i. de vraag open of het recht dat van toepassing is op een lening die door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap aan de vennootschap is verstrekt, wordt beheerst door het vennootschapsrecht of het insolventierecht, en de impact daarvan op de vestigingsvrijheid (zie daarover, A. Van Hoe en M. Vanmeenen, “Shareholders’ loans at the crossroads between corporate and insolvency law : impact of the freedom of establishment on national insolvency law”, International Insolvency Law Review 2011, 468-479).

EU geeft controlerende aandeelhouders meer macht: dat vraagt dringend om verantwoordelijkheid en aanscherping van de corporate governance

Een post door professoren Arnoud Boot (Universiteit Amsterdam), Harm-Jan de Kluiver (Radboud) en Philip Wallage (Universiteit Amsterdam en Vrije Universiteit)

De uitdaging: Amerikaanse suprematie

De Amerikaanse suprematie in big tech en de groei en macht van de toonaangevende tech companies, de ‘Magnificent’ Seven (Microsoft, Meta, Alphabet, Apple, Nvidia, Amazon en Tesla), leidt niet slechts tot ongemak over onze afhankelijkheid daarvan, maar roept ook de vraag op hoe Europa zelf tech-ondernemers kan creëren. In hun bekende rapporten zoeken Letta en Draghi, maar ook Pieter Wennink, het antwoord in een combinatie van een beleid gericht op het bevorderen van de bloei van innovatieve ondernemingen in Europa en het sterk vergemakkelijken van de toegang tot de kapitaalmarkt.

De EU wil innovatieve ondernemingen en toegang tot de kapitaalmarkt bevorderen

Tekenend voor een poging die beide doelstellingen te combineren is recente EU-regelgeving (Richtlijn 2024/2810) die de groei van innovatieve ondernemingen wil stimuleren door het aantrekkelijker te maken om buiten de grote beurzen om, aandelen te plaatsen, en zo geld op te halen op meer informele beurzen (zogenaamde Multilateral Trading Facilities; MTF’s). De crux van de nieuwe EU-regel is dat ondernemingen het recht krijgen om bij verhandeling op zo’n beurs oprichters of andere kernaandeelhouders aandelen met meer stemrecht te geven dan die van de overige aandeelhouders. Op die wijze kunnen bijvoorbeeld oprichters de macht in de onderneming behouden, ook bij een toestroom van nieuwe aandeelhouders.

Continue reading “EU geeft controlerende aandeelhouders meer macht: dat vraagt dringend om verantwoordelijkheid en aanscherping van de corporate governance”

Klimaatrechtspraak: Ondernemingsrechtbank Henegouwen (afdeling Doornik) – 18 maart 2026

Gisteren heeft de Ondernemingsrechtbank Henegouwen een tussenvonnis geveld in de zgn. Farmer case. Het vonnis kan hieronder worden geconsulteerd. Voor een beknopte toelichting wordt verwezen naar deze post van Mr Guillaume Croisant.

The Administration of Maritime Insolvencies under the Paradigm of Cooperative Territoriality

A post by Dr Warren de Waegh (University of Cape Town)

The most international kind of insolvency

There is arguably no line of business in which insolvencies are as international as in shipping. By their nature, ships are destined to be mobile and travel the seven seas. At the same time, ships are fictionally immobilised in the country of registration, often in an offshore open registry with faint connections to the shipowner’s country of origin, but with a favourable fiscal and regulatory regime. The choice of this registry is often pushed by ship financiers, who hold strong bargaining powers against the shipowner and enable the building and purchase of ships.

For its operation, shipowners typically resort to charterers, who sometimes may decide to register the ship in yet another country. Seafarers, the most vital links to the daily operation of the ship, are often recruited through shipping agencies in low-wages countries overseas. Along its voyages, the ship can be the object of various commercial and operational dealings in the different countries in which it calls port, e.g. with cargo interests, service providers and suppliers active in the port, pilotage and towage services, and shipyards. In addition, the ship can be faced with more inadvertent creditors, such as salvors, general average contributors, and creditors in tort following a collision or another maritime casualty.

When the shipowner becomes insolvent, all these sundry interests from different parts of the world suddenly face each other off. Against this highly international background, it is somewhat ironic that the administration of insolvencies of shipping companies or maritime insolvencies has proven to be challenging under existing cross-border insolvency instruments, such as the UNCITRAL Model Law on Cross-Border Insolvency (MLCBI) and the European Insolvency Regulation, recast (EIR). Given the pivotal role of shipping to global trade, the resulting chaos to the world economy can be enormous, as was illustrated most strikingly in the insolvency of the South Korean container shipping giant, Hanjin Shipping, now about ten years ago.

Continue reading “The Administration of Maritime Insolvencies under the Paradigm of Cooperative Territoriality”

Flitsbericht: Europese Commissie lanceert EU Inc.

Vandaag stelt de Europese Commissie het zgn. 28ste regime voor, dat voorziet in de introductie van een pan-Europese rechtsfiguur, aangeduid als “EU Inc.” De achtergrond van deze innovatie is genoegzaam gekend. Opeenvolgende rapporten van Europese prominenten hebben blootgelegd dat de beloftes van de interne markt slechts gedeeltelijk gerealiseerd zijn. Een nieuwe, Europese, rechtsfiguur, die vlot opgericht kan worden, en zonder frictie doorheen de Europese Unie kan bewegen, wordt geacht een deel van de oplossing te zijn. Het voorstel van de Europese Commissie is omvangrijk, en zal dra en veelvuldig het voorwerp uitmaken van nadere analyse. Watch this space.

Enkele aandachtspunten kunnen nu reeds worden vermeld:

  • Digitalisering en standaardisering zijn de ordewoorden; transactiekosten moeten lager, hetgeen onmiddellijk de vraag doet rijzen of dit dan ook niet kan/moet voor de nationale rechtsfiguren;
  • EU Inc. moeten worden aangevuld met nationaal vennootschapsrecht. Zal dit de globale doelstelling ondergraven?
  • EU Inc. voorziet in een duidelijk fiscaal regime voor aandelenoptieplan: geen belasting upfront maar bij realisatie van de onderliggende aandelen. Een oud zeer in België. Hoe houdbaar zal het zijn om deze regeling niet ook te voorzien voor nationale rechtsvormen?

Wie het voorstel van de Europese Commissie leest (en zeker kritische juristen), ziet onmiddellijk vele hindernissen. Of EU Inc. de golden bullet wordt ter ontsluiting van de interne markt zal dan ook in belangrijke mate afhangen van het voluntarisme waarmee dit instrument in de praktijk wordt toegepast en door de nationale wetgevers wordt behandeld.    

Europees Parlement keurt Insolventierichtlijn goed

Gisteren keurde het Europees Parlement het voorstel van nieuwe Insolventierichtlijn goed. Waar de Europese wetgever voorheen focuste op IPR (Insolventieverordening) en gerechtelijke reorganisatie (Herstructureringsrichtlijn) zal nu ook het nationaal materieel faillissementsrecht moeten worden aangepast. Komen aan bod:

  • voorwaarden voor het aanvechten van transacties (pauliana);
  • de opsporing van activa over de grens heen door de toegang van insolventiefunctionarissen tot activaregisters te faciliteren;
  • voorbereiding en onderhandeling van een verkoop vóór de formele opening van de insolventieprocedure mogelijk (pre-pack);
  • plicht voor bestuurders om insolventieprocedure aan te vragen;
  • verbetering van de vertegenwoordiging van schuldeisers via schuldeiserscomités.

Verwacht wordt dat de Raad deze tekst in zijn huidige vorm snel zal goedkeuren. De praktijk doet er daarom best aan de komende wijzigingen aan het nationale faillissementsrecht te anticiperen. De omzetting van de Richtlijn komt einde deze maand aan bod op de eerste dag van de internationale conferentie van CERIL te Leuven, op 26 en 27 maart 2026. Inschrijven is nog mogelijk.

Joeri Vananroye

Zekerheden door een VZW of stichting: toets aan het verenigings- of stichtingsbelang

Bij vennootschappen dient een persoonlijke of zakelijke zekerheid die wordt gesteld voor de schuld van een derde en zonder een marktconforme vergoeding verantwoordbaar zijn vanuit het eigen belang van die rechtspersoon.

Daarmee heeft de rechtspersoon een grens aan het beheer van het vermogen die een natuurlijke persoon niet heeft (al zijn er bij natuurlijke personen ook wel een reeks aanvechtingsmogelijkheden voor verarmende handelingen). Dat is de ‘prijs’ die betaald moet worden om te kunnen genieten van vermogenssplitsing (beperkte aansprakelijk en afgescheiden vermogen).

In bv. een vennootschapsgroep zullen activa en passiva worden gecompartimentaliseerd door het oprichten van dochtervennootschappen, waarbij de activa van een entiteit enkel dienen tot verhaal van de schuldeisers van die entiteit en schulden niet kunnen worden verhaald bij andere entiteiten. De prijs die hiervoor betaald moet worden is dat er niet zomaar met activa en schulden geschoven kan worden, bv. door het aangaan van zekerheden. In dat opzicht is de toets aan het vennootschapsbelang een regel van vermogensbescherming die schuldeisers en (eventuele) minderheidsaandeelhouders van een dochtervennootschap wil beschermen.

Dat betekent geenszins dat een zekerheid gesteld voor een andere vennootschap binnen een groep per se strijdig is met het vennootschapsbelang. De rechtspraak erkent dat het individuele vennootschapsbelang op lange termijn gebaat kan met een opoffering op korte termijn in het groepsbelang (zie hierover bv. J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans, “Curb Your Opportunism: Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency in Belgium”, in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, NACIIL Preadviezen, Eleven, Den Haag, 2018, 40 e.v.).

Meestal wordt dit probleem enkel besproken voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Ook andere (privaatrechtelijke) rechtspersonen moeten in principe handelen in hun eigen belang.

Continue reading “Zekerheden door een VZW of stichting: toets aan het verenigings- of stichtingsbelang”

International Conference on European Restructuring and Insolvency Law (26 and 27 March, Leuven, Belgium)

Hosted this year by KU Leuven, CERIL’s 4th International Conference will explore the rapidly expanding landscape of European restructuring and insolvency law. Once an area largely untouched by harmonisation efforts, this field has undergone remarkable transformation in the last years. With reforms driven by the EU’s Capital Markets Union and the prospect of a 28th company and insolvency law regime, change is underway.

This year’s programme will examine the implications of the new EU Insolvency Directive (Insolvency III) for legislators, courts, and practitioners. Building on last year’s CERIL statement, substantive discussions will focus on the European Insolvency Regulation 2015 ahead of the upcoming review. Looking ahead, the conference will explore what the next phase of development may bring — from the design of a 28th EU insolvency regime to the growing impact of digitalisation on restructuring and insolvency practice.

This year, we are pleased to welcome as key note speaker: Prof. René Repasi. He is a Member of the European Parliament, in this capacity he has acted as the shadow rapporteur for the new EU Insolvency Directive. In addition, he is currently the rapporteur for the EU 28th Regime for Innovative Companies, including the rules on insolvency law.

See for the program and registration, see here.

The venue of the conference is the Irish College of St. Antony in Leuven, in a 17th century chapel converted into a modern auditorium.

Additional certification/registration information for Belgian participants:

  • OVB – Orde van Vlaamse Balies (7 points, requested)
  • IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (8 points)
  • IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26143)