Experiments

Het hek van Chesterton, de dode hand en het regeerakkoord-De Wever

Liquiditeit als de motor van de geschiedenis van en de breuklijnen in het organisatierecht

Een Leuvense professor rechten heeft het voorrecht in vele steden in Vlaanderen en Brussel te mogen doceren. Zo geef ik in Kortrijk onder meer college over het overzicht van rechtsvormen en de grote breuklijnen in het organisatierecht.

Op weg naar dit college zag ik vanuit het raam van de trein, ergens voorbij Harelbeke wanneer de trein al afremt en dus de aangelanden van het spoor goed kunnen worden begluurd, een ideale pedagogische illustratie van hoe ons landschap van vennootschaps- en ondernemingsvormen eruit ziet. Ik deel de foto hier graag:

Continue reading “Het hek van Chesterton, de dode hand en het regeerakkoord-De Wever”

Twee vacatures insolventierecht (KU Leuven): doctoraatsbursaal (100%) en onderwijsassistent (20%)

Aan het Instituut voor Handels- en Insolventierecht zijn er twee vacatures:

  • Voltijds doctoraatsbursaal om onderzoek te verrichten in het insolventierecht in ruime zin (uitwinning, zekerheden, faillissement, gerechtelijke reorganisatie), juridische aspecten van corporate finance en/of economische analyse van het recht (promotor: J. Vananroye);
  • Onderwijsassistent (20%) die gedurende één dag per week (zelf in te vullen, maar in principe wel op de campus) wil meewerken met het onderwijsteam insolventierecht onder leiding van prof. Joeri Vananroye. Dit omvat het meewerken aan een nieuwe editie van het studieboek insolventierecht en ander studiemateriaal, aan werkcolleges, onderwijsgroepen, seminaries en geschreven werkstukken (in functie van de voorkeuren van de kandidaat en de noden van het instituut).

De reactietermijn is 6 maart 2025. Contacteer me gerust bij interesse of als er meer vragen zijn.

Joeri Vananroye

‘It’s the liquidity, stupid’ – over de nadelen van vermogensafscheiding voor persoonlijke schuldeisers van aandeelhouders

Belang van liquiditeit voor derden

Vermogensafscheiding en bescherming tegen vereffening (capital lock-in) behoren, naast beperkte aansprakelijkheid, tot de belangrijkste juridische attributen van de vennootschapstechniek. Aandeelhouders, hun rechtsverkrijgers en hun persoonlijke schuldeisers kunnen hierdoor zelf niet over de vennootschapsgoederen beschikken noch ze uitwinnen of terugnemen.

Deze kenmerken komen met een maatschappelijke kost: de aandeelhouders, hun rechtsverkrijgers en de persoonlijke schuldeisers verliezen liquiditeit. Daarbij gaat onze aandacht vooral naar de persoonlijke schuldeisers van aandeelhouders. Zij ondergaan deze attributen zonder dat ze hiervoor vrijwillig kozen of er redelijkerwijze hun positie op konden afstemmen.

Belang van persoonlijke schuldeisers

De persoonlijke schuldeisers zijn nochtans belangrijk in de praktijk. Ze zijn de schuldeisers van de holdingmaatschappij bekeken vanuit de dochtervennootschap waar de inkomsten binnenkomen; de schuldeisers van de familie die haar vermogen in een patrimoniumvennootschap heeft gestopt; of de schuldeisers van de ondernemer die haar ganse professionele activiteit via een eenpersoonsvennootschap uitoefent. Hun positie werd terecht bestempeld als de meest miskende uitdaging voor het organisatierecht (H. Hansmann, R. Kraakman en R. Squire, “Law and the rise of the firm”, Harvard Law Review 2006, 1403).

Continue reading “‘It’s the liquidity, stupid’ – over de nadelen van vermogensafscheiding voor persoonlijke schuldeisers van aandeelhouders”

Reflectie over de grondwettigheid van de regels omtrent het recht op terugvordering van eigendom voorzien in boek XX WER.

Een post door gastblogger Vincent Verlaeckt

1. Zoals gekend, voorziet artikel XX 194 WER in een procedure dewelke een eigenaar moet volgen om zijn goederen in het bezit van de gefailleerde terug te vorderen.  Op straffe van verval moet de rechtsvordering tot terugvordering worden ingesteld voor de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Deze regel wordt ervaren als een pijnlijke hakbijl. De revindicatietermijn is kort – soms maar 35 dagen – en het gevolg van laattijdigheid volgens sommigen fataal.

2. Op deze blog (hier) werd reeds kundige duiding verschaft bij het cassatie-arrest van 20 september 2024. Middels voormeld arrest heeft het Hof van Cassatie volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld:

‘Schendt artikel XX.194, tweede lid, WER artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit van de gefailleerde zijn, vervallen is van zijn recht op terugvordering van deze goederen wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen?’

Er wordt met andere woorden de vraag gesteld of de regeling zoals die op vandaag is neergelegd in artikel XX.194 WER wel bestaanbaar is met het grondwettelijk verankerd recht op (het ongestoord genot en gebruik van) eigendom.

Continue reading “Reflectie over de grondwettigheid van de regels omtrent het recht op terugvordering van eigendom voorzien in boek XX WER.”

PhD Workshop on European/International Insolvency Law | 7th edition

Following six successful editions, the Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection (BWILC) is pleased to announce its 7th PhD Workshop on European/International Insolvency Law. PhD students are invited to present their research ideas in the area of European/ International Insolvency Law, and discuss the challenges and questions they face.

The two-day workshop will be held on Wednesday 7 and Thursday 8 May 2025 at Leiden University (Leiden, the Netherlands).

Continue reading “PhD Workshop on European/International Insolvency Law | 7th edition”

Het scheidingsaandeel bij de statutaire uittreding en uitsluiting in BV en CV: één van de grootste anomalieën in het vennootschapsrecht

Het wettelijke uitgangspunt voor de begroting van het scheidingsaandeel bij een uitsluiting en uittreding lastens het vennootschapsvermogen in BV of CV is dat een aandeelhouder zijn werkelijk gestorte en niet terugbetaalde inbreng krijgt tenzij deze hoger ligt dan de netto-actiefwaarde van de aandelen zoals die blijkt uit de laatst goedgekeurde jaarrekening. In die laatste hypothese wordt de begroting gebaseerd op de netto-actiefwaarde. (art. 5:154-5:165 en 6:120-6:123 WVV)

Deze suppletieve berekeningswijze is strenger dan onder het W. Venn. waar de uittredende of uitgesloten aandeelhouder recht had op de netto-actiefwaarde van zijn aandelen. Zowel een waardering tegen netto-actiefwaarde als tegen de historische inbrengwaarde zijn bovendien statische waarderingsmethodes: zij brengen de goodwill niet in rekening.

Dit wettelijke uitgangspunt leidt dan ook tot een absurd laag scheidingsaandeel. Waarom is dit een probleem en hoe kan dit probleem opgevangen worden?

Continue reading “Het scheidingsaandeel bij de statutaire uittreding en uitsluiting in BV en CV: één van de grootste anomalieën in het vennootschapsrecht”

Wanneer fiscalisten méér zien in rechtspersoonlijkheid dan vennootschapsjuristen

Een post door gastblogger professor Sofie Cools (KU Leuven)

1. De vennootschapsjurist die observeert hoe andere juridische disciplines vennootschapsrechtelijke concepten hanteren, doet soms merkwaardige vaststellingen. Een treffend voorbeeld daarvan is de manier waarop het fiscaal recht omgaat met het begrip rechtspersoonlijkheid, met nochtans verstrekkende gevolgen.

2. Rechtspersoonlijkheid is een notoir onduidelijk begrip in het vennootschapsrecht. Oorspronkelijk gaf het concept rechtspersoonlijkheid vooral aanleiding tot theoretische discussies, waarbij de rechtspersoon als een fictie dan wel als een realiteit werd beschouwd. Vandaag rijzen er vooral vragen over de concrete, praktische betekenis van het begrip rechtspersoonlijkheid en over de relativering ervan (bijv. in de vorm van enterprise liability en in zekere zin ook in de Corporate Sustainability Due Diligence Directive).

Op het eerste gezicht lijkt het onderscheid tussen vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en deze zonder rechtspersoonlijkheid duidelijk. Art. 1:5 WVV stipuleert expliciet dat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft en dat de VOF, de CommV, de BV, de CV, de NV, de SE, de SCE en het EESV dat wél hebben. Anders dan de maatschap vormen deze laatste vennootschappen dus een apart rechtssubject, dat drager kan zijn van rechten en plichten en m.a.w. rechtsbekwaam is.

Praktisch bekeken blijken er echter nog weinig verschillen te bestaan tussen een maatschap en een VOF. Weliswaar is de maatschap zelf geen rechtssubject dat een afgescheiden vermogen kan hebben, toch is er in de maatschap een afgescheiden vermogen, waarvan de maten gezamenlijk eigenaar zijn (art. 4:13 WVV). Weliswaar kan de maatschap bij gebrek aan rechtssubjectiviteit geen materiële procespartij zijn in rechtsgedingen en zijn de maten dat, toch volstaat de vermelding van de benaming, de zetel en het KBO-nummer van de maatschap om te doen blijken van de identiteit van de maten (art. 703, § 2, eerste lid Ger.W.).

Continue reading “Wanneer fiscalisten méér zien in rechtspersoonlijkheid dan vennootschapsjuristen”

Schadeverrekening bij de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders: non bis in idem in het vennootschapsrecht

Eén van de basisbeginselen van het strafrecht is het non bis in idem principe: niemand mag tweemaal gestraft worden voor dezelfde fout. In het vennootschapsrecht, en in het bijzonder bij de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders, speelt dit principe echter eveneens.

Een veel voorkomend voorbeeld kan dit verduidelijken. Een dienstverlenings- of managementovereenkomst tussen de vennootschap en een operationele aandeelhouder wordt beëindigd omwille van een (vermeende) fout van de operationele aandeelhouder. Als gevolg van de wanprestatie vordert de vennootschap een schadevergoeding van de operationele aandeelhouder.

Deze beëindiging heeft echter niet alleen gevolgen voor de aandeelhouder in zijn operationele hoedanigheid maar ook in zijn hoedanigheid van aandeelhouder. De aandeelhouders hebben in een aandeelhoudersovereenkomst namelijk een bad leaver clausule opgenomen, op grond waarvan de aandeelhouder wiens dienstverlenings-/managementovereenkomst wordt beëindigd wegens een wanprestatie ook uitgesloten kan worden op basis van een call-optie. De uitgesloten aandeelhouder krijgt hierbij niet de prijs die hij normaal zou ontvangen wanneer de uitsluitingsgrond zou kwalificeren als een “good leaver” hypothese (bv. een opzeg van de dienstverleningsovereenkomst zonder fout van de aandeelhouder-dienstverlener) maar slechts een prijs met verrekening van een disconto als een vorm van schadebeding (bv. 60% van de prijs in de good-leaver hypothese).

Continue reading “Schadeverrekening bij de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders: non bis in idem in het vennootschapsrecht”

De ‘economische eenheid’ in het mededingingsrecht: oeverloze aansprakelijkheid, oeverloos toepassingsgebied? (II/II)

Van vermogensvereenzelviging naar procedurele vereenzelviging: een kleine stap

In een eerdere blogpost werd het arrest Sumal, gebaseerd op de leer van de economische eenheid, besproken. Het arrest introduceert een ongeziene vorm van enterprise liability. Die (beperkte) vermogensvereenzelviging is het ‘logische’ gevolg van regulatoire vereenzelviging: wie adressaat is van een rechtsnorm, draagt de gevolgen (van een schending) ervan. Het arrest is niettemin verregaand en lokte veel kritiek uit.

Minder verregaand is procedurele coördinatie of procedural consolidation’.[1] In het insolventierecht s.s. duidt dat bijvoorbeeld op het centraliseren van de bevoegde insolventierechtbank voor de procedures van verschillende groepsvennootschappen of het aanstellen van eenzelfde insolventiefunctionaris in de verschillende procedures van verbonden rechtspersonen (art. XX.13 WER). De economische realiteit wordt dan juridisch weerspiegeld, maar aan de interne vermogenssplitsing wordt niet geraakt. Dat verhoogt efficiëntie en draagt bij tot het behoud van de going concern waarde.

Continue reading “De ‘economische eenheid’ in het mededingingsrecht: oeverloze aansprakelijkheid, oeverloos toepassingsgebied? (II/II)”

De ‘economische eenheid’ in het mededingingsrecht: oeverloze aansprakelijkheid, oeverloos toepassingsgebied? (I/II)

De intrede van enterprise liability met het arrest Sumal

Al langer is duidelijk dat het mededingingsrecht kan fungeren als katalysator voor ontwikkelingen in andere rechtstakken. Ook is duidelijk dat het mededingingsrecht de rechtstak bij uitstek is die zich richt op de economische veeleer dan de juridische realiteit. Het concept van de ‘economic unit’ of ‘economische eenheid’ bewijst dat. In het Sumal-arrest, eerder besproken op deze blog, bracht het Hof van Justitie (Grote Kamer) de leer van de economische eenheid materieelrechtelijk tot zijn logisch eindpunt. In essentie werd het volgende beslist (ro. 44, 51, en 52):

  • de ‘undertaking’ (‘onderneming’) op zich, abstractie makend van de verschillende rechtspersonen waaruit deze kan bestaan, is normadressaat van het (Europese) mededingingsrecht;
  • het is de onderneming die een inbreuk op het mededingingsrecht pleegt, niet één of meerdere van de rechtspersonen waaruit zij bestaat, ook indien formeel (bv. in de boetebeslissing) slechts een inbreuk in hoofde van één of meerdere rechtspersonen werd vastgesteld;
  • de onderneming op zich is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een inbreuk; hetgeen van rechtswege impliceert dat de rechtspersonen die deel uitmaken van de onderneming en waarvan de activiteiten een concrete band hebben met de beboete activiteit hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade veroorzaakt door een inbreuk.

Continue reading “De ‘economische eenheid’ in het mededingingsrecht: oeverloze aansprakelijkheid, oeverloos toepassingsgebied? (I/II)”

Permanente vorming insolventierecht

De wet van 7 juni 2023 bevatte de nodige innovaties op het vlak van het insolventierecht. Ondertussen zijn de eerste ervaringen een feit. Om een stand van zaken op te maken, worden een aantal webinars georganiseerd, waar praktische aspecten van het nieuwe insolventierecht worden behandeld.

Volgende relevante onderwerpen passeren de revue:

  • De besloten procedures (Jens Benoot en Arie Van Hoe) – 10/01/2025
  • Uitbreiding van verhaal in de praktijk, voor en tijdens het faillissement (Stijn De Dier en Gillis Lindemans) – 31/01/2025
  • Waarderingsvragen in het insolventierecht (Frederik De Leo en Olivier Van Nes) – 21/02/2025
  • Distressed M&A | Overnemen of overlaten van een onderneming in moeilijkheden (Philippe Mulliez en Dominique De Marez) – 14/03/205

De webinars worden op voorhand opgenomen. Tijdens de uitzending zijn de docenten aanwezig om vragen via de chat te beantwoorden.

Voor nadere informatie evenals mogelijkheid tot inschrijven, wordt verwezen naar: https://kmocampus.be/course/type/2502_INS1 (onder webinars).

Misbruik van de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders – studiemiddag 27 februari 2025 (Leuven en online)

De uittreding en uitsluiting van aandeelhouders is één van de onderwerpen die in de Belgische rechtsleer en rechtspraak het meeste aandacht krijgt. Deze aandacht blijft echter in de meeste gevallen beperkt tot de wettelijke geschillenregeling. In praktijk rijzen er zowel vanuit een litige- als een adviesperspectief minstens evenveel vragen bij andere uittredings- en uitsluitingsmogelijkheden, in het bijzonder statutaire (traditioneel in CV en maatschap – sinds het WVV ook in de BV) en contractuele uittredings- en uitsluitingsmogelijkheden.

Tijdens een studienamiddag op donderdag 27 feb. 2025 zullen enkele experten enkele klassiek minder belichte maar in praktijk zeer relevante topics rond de uittreding en uitsluiting voor u toelichten vanuit een praktische invalshoek. [inschrijflink]

Rode draad doorheen deze lezingen is de commerciële versie van het proefschrift van Olivier Roodhooft  over misbruik van de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders dat in januari 2025 verschijnt bij Lea Uitgevers. In dit proefschrift wordt de uittreding en uitsluiting geanalyseerd vanuit de twee kernbegrippen liquiditeit en misbruik, met bijzondere aandacht voor de vraag wanneer er sprake is van misbruik van de uittreding en uitsluiting en hoe dit in praktijk aangevochten kan worden.

PROGRAMMA

13u30-13u35

Korte introductie door de voorzitter

Prof. Dr. Sofie Cools (Co-directeur Jan Ronse Instituut, KU Leuven)

13u35- 14u00

It’s the liquidity, stupid: vermogensafscheiding, liquidatiebescherming en liquiditeit in het organisatierecht

Prof. Dr. Joeri Vananroye (KU Leuven, advocaat)

14u00 – 14u25

Strategie bij aandeelhoudersconflicten en de rol van de uittreding en uitsluiting

Prof. Dr. Robbie Tas (KU Leuven, advocaat)

14u25 – 14u50

Misbruik van de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders: de brug tussen feit en recht bij exit-regelingen

Dr. Olivier Roodhooft (KU Leuven, advocaat)

14u50-15u20

Pauze

15u20-15u45

Inzichten uit een vergelijking tussen de ontbinding en de uittreding

Dr. Jasper Van Eetvelde (KU Leuven, advocaat)

15u45-16u10

Subsidiair karakter van de geschillenregeling : van ondergeschikt belang ?

Prof. Dr. Stijn De dier (KU Leuven, advocaat)

16u10-16u35

De ene geschillenregeling is de andere niet: de combinatie van de gerechtelijke geschillenregeling en de statutaire en conventionele geschillenbeslechtingsmechanismen

Prof. Dr. Dominique De Marez (KU Leuven, advocaat) en mr. Anouk Vantomme (advocaat)

16u35-16u55

Vragensessie

16u55-17u

Afsluiting door voorzitter

Prijs

De inschrijvingsprijs van 240 EUR omvat het boek Misbruik van de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders, dat op de studiemiddag zelf wordt overhandigd (winkelprijs EUR 95). De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld aan deelnemers. [inschrijflink]

Inschrijvingsprijs zonder boek: 190 EUR. [inschrijflink]

Erkenningen (in aanvraag)

OVB – 3 punten

IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding

IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen – 3 punten

[inschrijflink]

AmAI: knelpunten in het insolventierecht – heeft AI antwoorden? (studieavond UA – gratis)

Naar goede gewoonte organiseren de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen een studieavond onder begeleiding van prof. Melissa Vanmeenen.

Tijdens deze zeventiende editie geven studenten toelichting bij een aantal actuele knelpunten in het insolventierecht. De sprekers staan tevens stil bij de vraag of AI mogelijkheden biedt om deze knelpunten aan te pakken.

De studieavond gaat door op dinsdag 17 december 2024 om 19u, in lokaal C.103, Stadscampus UAntwerpen. (let op: nieuwe locatie: ingang via gebouw E, aan Agora, Grote Kauwenberg 2, doorlopen langs sporthal tot aan gebouw C – 1e verdieping – C.103).

Iedereen is welkom, gratis registreren kan via deze link.

Vanaf 10 januari 2025 is de opname van deze studieavond gratis te bekijken via Nexus Library.

Meer info: mail naar melissa.vanmeenen@uantwerpen.be

Na enige periode van stilte over hypothecaire volmachten bij faillissement: Hof van beroep Brussel 11 juni 2024

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

1. In faillissementsmiddens is enige reuring ontstaan in gevolge een arrest van het Hof van Brussel van 11 juni 2024 met betrekking tot de problematiek van het omzetten van  hypothecaire volmachten bij insolventie. Op sommige websites wordt dit arrest omschreven als een “ommekeer in het faillissementsrecht”.  Zulk nieuws (en arrest) verspreidt zich snel en thans worden curatoren geconfronteerd met kredietinstellingen die het voormelde arrest graag aanwenden.

Een korte bespreking van het arrest is nuttig gezien het niet te onderschatten belang ervan voor de dagdagelijkse insolventiepraktijk.

2. De feiten zijn eenvoudig:

Vennootschap X wordt failliet verklaard op 14.01.2021. Bij notariële akte van 22.01.2021 wordt een eerder verleend hypothecair mandaat omgezet in een hypotheek tot zekerheid van 266.000,00 €. De omgezette hypotheek wordt  ingeschreven op  27.1.2021. De wettelijke hypotheek genomen ten name van de failliete boedel door de curatoren wordt (pas) ingeschreven op 20.05.2021. Bij de opmaak van de rangregeling door de notaris ontstaat discussie of er rekening moet gehouden worden met de op 27.01.2021 ingeschreven (omgezette) hypotheek ter zekerheid van 266.000,00 € in hoofdsom en of deze hypotheek primeert op de wettelijke hypotheek van de curatoren voor de massa van schuldeisers.

3. Het Hof oordeelt dat in de rangregeling wel degelijk rekening moet gehouden worden met de na het faillissement omgezette hypothecaire volmacht en de na het faillissement ingeschreven hypotheek. “De hypotheek in tweede rang van 22 januari 2021 [is] tegenstelbaar aan de boedel” luidt het eindoordeel. 

Continue reading “Na enige periode van stilte over hypothecaire volmachten bij faillissement: Hof van beroep Brussel 11 juni 2024”

Video: de zaak Shell – een eerste (collectieve) analyse

Samen met het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht organiseerde Corporate Finance Lab gisteren een eerste (collectieve) analyse van het Shell-arrest.

De aanwezigen konden zich laven aan een levendige en fijnmazige analyse, verzorgd door volgende eminente sprekers:

Professor Harm-Jan de Kluiver (Universiteit van Amsterdam en Radboud Universiteit Nijmegen)
Professor Hans De Wulf (UGent);
Professor (en voormalig minister van Justitie) Koen Geens (KU Leuven);
Mr. Stefanie François (Stibbe);
Dr. Pieter Gillaerts (Quinz & KU Leuven).

De afwezigen kunnen het debat herbekijken via deze link.

Ter inleiding van het debat werden volgende slides gebruikt.