Bestuursaansprakelijkheid bij nakende insolventie – video van presentatie door Professor M. Wyckaert

Video 15 oktober 2020

Het aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders wordt des te nijpender in de schemerzone voor insolventie. De kans neemt dan immers aanzienlijk toe dat schuldeisers (of een faillissementscurator namens hen) de bestuurders persoonlijk verantwoordelijk zullen stellen voor het ontstane tekort. In hoeverre moeten bestuurders werkelijk aansprakelijkheid vrezen voor bv. wrongful trading, onrechtmatige selectieve betaling of kennelijk grove fout?

Deze actuele kwesties werden besproken door Prof. Dr. Marieke Wyckaert op de studiedag aan de KU Leuven op 15 oktober over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan haar presentatie hier bekijken (30 min.).

Meer info over de band tussen het vennootschapsbelang, het schuldeisersbelang en andere normen vindt u in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon

Pand op levende bankrekeningen: Swedbank arrest “revisited”

Een post door gastbloggers Ivan Peeters en Sean Jonckheere

Collateral Richtlijn

1.         De invoering van de Richtlijn 2002/47/EG (de “Collateral Richtlijn”)[1] beoogde een communautaire, geharmoniseerde regeling te bewerkstelligen ter versterking van de positie van de gewaarborgde schuldeiser van een financiële zekerheidsovereenkomst en om systeemrisico’s in de financiële markten beter te kunnen beheersen. De omzetting van de Collateral Richtlijn naar Belgisch recht vond plaats in 2004 middels de befaamde Wet financiële zekerheden[2] (“WFZ”).

2.         De Collateral Richtlijn voorziet in een gunstregime voor de financiële zekerheidsovereenkomsten die onder haar toepassingsgebied vallen. EU-lidstaten zijn onder meer verplicht om bepaalde formaliteiten inzake de totstandkoming, derdenwerking en uitvoering van financiële zekerheidsovereenkomsten te versoepelen en bepalingen inzake insolventierecht van hun nationaal recht niet toepasselijk te verklaren om de afdwinging van financiële zekerheidsovereenkomsten te bevorderen.

Verschaffingscriterium

3.         Een essentiële voorwaarde om als financiële zekerheidsovereenkomsten onder het toepassingsgebied van de Collateral Richtlijn te vallen, is dat de financiële activa (contanten, of financiële instrumenten) die als zekerheid moeten dienst doen worden “verschaft”. Recital (10) bepaalt dat de Collateral Richtlijn enkel handelt over “financiëlezekerheidsovereenkomsten die voorzien in een vorm van het doen van afstand van de controle, d.w.z. de verschaffing als zekerheid van financiële activa, en waarbij de verschaffing als zekerheid van financiële activa schriftelijk of door middel van een duurzaam medium kan worden aangetoond, waardoor de traceerbaarheid van die activa wordt gewaarborgd”. Bijkomend stelt artikel 2 van de Collateral Richtlijn: “Verwijzingen in deze richtlijn naar het „verschaffen” of de „verschaffing” als zekerheid van financiële activa hebben betrekking op een situatie waarin de als zekerheid verschafte financiële activa daadwerkelijk worden geleverd, overgedragen, gehouden, ingeschreven in een register of anderzijds gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of onder de controle komen van de zekerheidsnemer of een persoon die namens de zekerheidsnemer optreedt”. Voor alle duidelijkheid, naar nationaal recht kan een zekerheid geldig zijn zonder deze verschaffing, maar deze zal dan niet kunnen genieten van het gunstregime van de Collateral Richtlijn.

Arrest Swedbank

4.         Net de preciese draagwijdte van deze vereiste van “verschaffing” stond centraal in het Swedbank-arrest.[3] Continue reading “Pand op levende bankrekeningen: Swedbank arrest “revisited””

Do corporate acts always count as some person’s actions?

A post by guest blogger Prof. Lisa Siraganian (Johns Hopkins University)

Scholars of corporate legal finance tend not to spend a lot of time worrying about how the corporation relates to novels, poems, literary movements. Or to political cartoons, like Udo Keppler’s fascinating 1910 magazine illustration of the shadowy corporation (more on that one below). But maybe they should. That’s what I argue in my new book, Modernism and the Meaning of Corporate Persons, out just now as part of the Law and Literature series from Oxford University Press, edited by Professors Robert Spoo and Simon Stern.  

Udo J. Keppler, “Get after the substance, not the shadow,” Puck 68, no. 1757 (November 2, 1910). Library of Congress Prints and Photographs division, Washington, D.C.

The story begins with the fateful US Supreme Court decision, Santa Clara v. Southern Pacific Railroad, which legitimatized the American legal fiction of corporate personhood in 1886. After that decision, the development of the idea that law could endow a nonhuman entity with certain rights expanded into American culture. And, not surprisingly, the notion that an eerie, insubstantial corporation could be considered similar to persons bothered many actual people throughout the first decades of the twentieth century.

In the book, I explore how and why the possibility that large collective organizations might mean to do what they do—and might mean like us, like persons—both excited and worried American creative writers, artists like Keppler, and theorists of the corporation. In roughly the first half of the twentieth century, these ideas stimulated new thoughts about what it means to act as a person or as a group. It also sparked new thoughts on what it means to intend to act at all. Of course, versions of that conversation continue today, most often as debates on blogs, scholarship, and in heated media discussions, whether on legal personhood, corporate social responsibility, veil-piercing, or corporate criminal liability. But the earlier deliberations on similar issues have remained, until now, an untapped resource to understand corporate action, worked out in entirely different forms. 

For example, consider the law reviews and treatises on contracts and agency law by US Supreme Court Justice Oliver Wendell Holmes, Jr. and law professor Ernst Freund. Or, alternatively, take the inventive modernist poems of Gertrude Stein and the novels of F. Scott Fitzgerald, author of The Great Gatsby and The Love of the Last Tycoon. Whichever you choose, you can find each writer trying to work out the following problem. Namely, if you can’t be sure how to represent or describe a corporate entity, or who exactly intended what a corporation said or acted, then how can you really know what that corporation meant when it “said” something or acted in a certain way? But knowing, or not knowing, mattered. It would determine what you might fairly expect from the various human persons when they work for a corporation. And it would impact how society should treat (or regulate) these corporate entities and what they did in the world. Continue reading “Do corporate acts always count as some person’s actions?”

Het vennootschapsbelang in de aanloop naar insolventie

Presentatie door Professor Sofie Cools (KU Leuven)

Krijgt het vennootschapsbelang een andere invulling in de aanloop naar insolventie? En in welke remedies krijgt dit vennootschapbelang concreet gestalte?

Deze actuele vraag werd besproken door Prof. Dr. Sofie Cools op de studiedag aan de KU Leuven op 15 oktober over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan haar presentatie hier (her)bekijken.

Meer info over de band tussen het vennootschapsbelang, het schuldeisersbelang en andere normen vindt u in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon

De pauliana in het kader van de vennootschapsgroep

Presentatie door meester Arie Van Hoe

De pauliaanse vordering beschermt vennootschapsschuldeisers tegen opportunistisch gedrag van insiders. Het risico op dergelijk opportunistisch gedrag is acuut in de bijzondere context van de vennootschapsgroep, waarbij insiders de lakens uitdelen in verschillende groepsvennootschappen. De toepassing van de actio pauliana in het kader van de vennootschapsgroep werd onderzocht door Arie Van Hoe (UA, advocaat bij NautaDutilh) op de studiedag aan de KU Leuven op 15 oktober over Schuldeisers en Rechtspersonen. Hierbij staat de vraag centraal of de pauliaanse vordering de vennootschapsgroep slaat of zalft. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon

Hét verschil tussen ‘corporate governance’ en ‘human governance’: een meer stringente schuldeisersbescherming

Presentatie door Prof. Dr. J. Vananroye (15 oktober 2020)

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is artikel 544 BW: “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De eigenaar kan naar eigen inzicht uti, frui et abuti: gebruikmaken van zijn goederen, er het genot van hebben en zelfs de waarde ervan uithollen. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Continue reading “Hét verschil tussen ‘corporate governance’ en ‘human governance’: een meer stringente schuldeisersbescherming”

De tegenwerpelijkheid van de inpandgeving van intellectuele eigendomsrechten: ik zie, ik zie wat jij niet ziet?

Een post door gastblogger Nils Wills (master in de rechten, UA)

Op 1 januari 2018 trad na lang wachten de wet zakelijke zekerheden op roerende goederen (kortweg “de nieuwe pandwet”) in werking. Eén van de krachtlijnen hiervan is de afschaffing van de verplichte buitenbezitstelling van de in pand gegeven goederen. Vandaag vormt de buitenbezitstelling niet langer een totstandkomingsvereiste voor het vestigen van een pand. Zo werd de jarenlange onduidelijkheid over de inpandgeving van onlichamelijke goederen in één keer weggewerkt. Daarnaast werd tevens een nationaal pandregister in het leven geroepen waarin elke pandhouder zijn pandrecht kan registeren.

Dit laatste kan echter voor verwarring zorgen bij de geregistreerde intellectuele eigendomsrechten, gezien er voor hen reeds geruime tijd registers bestaan. Een pand (of enig ander zakelijk zekerheidsrecht) op deze rechten, dient krachtens de verschillende bepalingen op de intellectuele eigendomsrechten ook in deze registers ingeschreven te worden om de tegenwerpelijkheid te verzekeren.

De vraag rijst nu in hoeverre de algemene bepalingen van de nieuwe pandwet kunnen worden toegepast op intellectuele eigendomsrechten. Continue reading “De tegenwerpelijkheid van de inpandgeving van intellectuele eigendomsrechten: ik zie, ik zie wat jij niet ziet?”

De actio pauliana als onderschatte remedie voor schuldeisers van rechtspersonen

Video van presentatie door dr. Gillis Lindemans (KU Leuven)

De actio pauliana kwam in het verleden in de context van het vennootschapsrecht vooral ter sprake als beschermingsmechanisme voor persoonlijke schuldeisers van een vennootschap bij een inbreng.

De actio pauliana is echter ook een krachtige remedie waarmee de vennootschapsschuldeisers hun verhaalspositie kunnen veiligstellen. Zo kan de pauliana schuldeisers beschermen tegen excessieve uitkeringen, benadelende fusies en splitsingen, onrechtmatige financiering enz.

De mogelijkheden en limieten van deze remedie werden vorige week besproken door Dr. Gillis Lindemans (KU Leuven, advocaat bij Quinz) op de studiedag over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u in zijn boek over hetzelfde thema.

Grondwettelijke Hof vernietigt twee bepalingen uit WVV – draagwijdte beperkt

Met het arrest nr. 135/2020 van vandaag 15 oktober 2020 vernietigt het Grondwettelijk Hof twee bepalingen uit het WVV: Continue reading “Grondwettelijke Hof vernietigt twee bepalingen uit WVV – draagwijdte beperkt”

De curator en de fiscale attesten

V. Verlaeckt, “Stalken van de curator voor fiscale attesten heeft geen nut”,  Juristenkrant 2020-21, nr. 414, 11

In de laatste editie van Juristenkrant roept mr. Verlaeckt schuldeisers op om hun “fiscaal-attest-queeste” te staken (V. VERLAECKT , “Stalken van de curator voor fiscale attesten heeft geen nut”,  Juristenkrant 2020-21, nr. 414, 11.).

Een fiscaal attest wordt gevraagd door schuldeisers in een faillissement om hun vorderingen op gefailleerde “af te boeken”. De schuldeiser beoogt met dit fiscaal attest zijn vordering op de gefailleerde als beroepsverlies te kunnen aftrekken van zijn belastbaar resultaat of de geboekte waardevermindering fiscaal vrij te stellen.

Verlaeckt stelt dat een curator niet wettelijk verplicht is tot het afleveren van dergelijke attesten en deze praktijk zelfs onnodige risico’s inhoudt: Continue reading “De curator en de fiscale attesten”

‘Rechtsreeks’: een rijk digitaal archief van juridische boeken en tijdschriften

Bewindsbevoegdheid en het Algemeen Deel van Van Gerven, Obligatoire verhoudingen van Dirix, het Précis van Fredericq, het Algemeen Deel of Schade en Schadeloosstelling van Ronse, de ganse De Page, … ze staan natuurlijk al in uw bibliotheek. Maar wist u dat u deze klassiekers, en zo veel andere evergreens, gratis kan consulturen op rechtsreeks.be ?

De onvolprezen Leuvense faculteitsbibliotheek digitaliseert sinds enige jaren grotere en kleinere tijdschriftarchieven en sinds corona ook oudere juridische boeken, met als doel deze vrij beschikbaar te maken in open access

Met heel wat bronnen die de lezer van deze blog zullen interesseren: DAOR, NFM, Pas., RW, RCJB, RPS, TBH, TRV, T.Fin.R., TPR, V&F, de Beginselen en de Algemene Theorie van Cornelis, Belangenconflicten van Ernst, Vennootschapbelang van François, Ontbinding van Stijns, Bestuur van Tilleman, Kapitaal van Wyckaert, en zo veel meer.

Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie

Cass. 18 september 2020 (C.18.0353.N)

In een arrest van vandaag 18 september 2020 (C.18.0353.N) vernietigt het Hof van Cassatie het Reglement betreffende de advocaat en insolventie van de Orde van Vlaamse Balies. Het Hof acht de ambtshalve weglating  als gevolg van het loutere faillissement kennelijk onredelijk.

De motivering van het arrest spreekt voor zich: Continue reading “Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie”

Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective

A guestpost by Prof. Dr. Reinhard Bork (Universität Hamburg)

 

The financial shipwreck of a company is a customary event in nearly all states of the world. Most jurisdictions have special statutes addressing this topic and they are – beyond terminological issues – all dealing with the same questions: how is the term “insolvency” defined? How are insolvency proceedings commenced? What are the responsibilities of the court on the one hand and of the Insolvency Practitioner on the other hand? Are there various classes of creditors and what are their procedural and substantive rights? How is the insolvency estate determined? What are the effects of the opening of insolvency proceedings on the estate? What are the consequences for executory contracts or rights to set-off? Can transactions performed prior to the opening of insolvency proceedings be reversed to the benefit of the general body of creditors? What is the legal position of secured creditors? Is restructuring of an insolvent company a possible scenario and what are the differences between liquidation and restructuring proceedings? Which rules apply to cross-border affairs, e.g. to assets located in a foreign jurisdiction? Continue reading “Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective”

European Financial Regulation: Levelling the Cross-sectoral Playing Field

Oxford Webinar on Sep. 25th.

The KU Leuven Jan Ronse Institute, the Oxford Commercial Law Centre and the Nijmegen Radboud Business Law Institute are co-organising a webinar on the book “European Financial Regulation: Levelling the Cross-sectoral Playing Field”, edited by Veerle Colaert, Danny Busch and Thomas Incalza.

The event takes place on the 25th of September, from 3.45-6pm CET (2.45-5pm London time).

Participation in the webinar is free of charge, but prior registration is required, via the following link.

At the webinar, internationally renowned scholars in financial regulation, including John Armour, Danny Busch and Georg Ringe, will discuss key topics such as FinTech, corporate governance, conflicts of interest and the suitability test, all from a cross-sectoral perspective. They will show that very similar rules apply in banking, securities and insurance regulation and will discuss whether and why differences are necessary, or whether, on the contrary, a more cross-sectoral approach would be beneficial.

This innovative approach is aimed at informing law and policymakers on potential improvements to EU financial regulation whilst also supporting legal and compliance professionals applying the current framework or looking to streamline compliance processes.

Programme

2:45 Welcome and introduction
Professor Kristin van Zwieten (Chair of Sessions)
Clifford Chance Associate Professor of Law and Finance, University of Oxford; Fellow and Tutor in Law, Harris Manchester College, University of Oxford

3:00  Levelling the cross-sectoral playing field
Professor Veerle Colaert
Financial Law Chair, Jan Ronse Institute for Company and Financial Law, KU Leuven University 

3:20 Towards European harmonisation of know-your-customer obligations for investment products
Professor Danny Busch
Financial Law Chair, Director, Financial Law Centre, Radboud University Nijmegen; Research Fellow, Harris Manchester College, and a Fellow of the Commercial Law Centre at Harris Manchester College, University of Oxford

3:40 Reflections on Governance in the Financial Sector
Professor John Armour
Professor of Law and Finance, University of Oxford

4:00 How to regulate Fintech in the EU?
Professor Wolf- Georg Ringe
Chair for Law & Finance, University of Hamburg
Visiting Professor, University of Oxford

4:20 Conflicts of interest and inducements: a cross-sectoral analysis of a fragmented reality  
Professor Thomas Incalza
Research Fellow, KU Leuven University; University of Hasselt

4:40 Discussion

5:00 Closing remarks by Professor Kristin van Zwieten

Kan een “taxatiebureau” überhaupt het ereloon van een curator wettelijk gezien taxeren ?

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Iedereen die optreedt als curator, komt – meer dan hem lief is – in aanraking met zogenaamde “pro-deo faillissementen”.  De “lege dozen” waarbij er onvoldoende actief is om zelfs bv. het minimumereloon van de curator te voldoen. In een zeer nabij verleden beschikte elke afdeling van een Ondernemingsrechtbank over een “potje werkingsmiddelen” waaruit pro-deo staten van curatoren en voorlopige bewindvoerders werden betaald. De staat van ereloon en kosten werd bij vonnis begroot door de rechtbank waarbij de kosten ten laste van de Belgische Staat werden gelegd en op basis van dit vonnis, betaalde de griffie – afhankelijk van rechtbank – redelijk vlot uit.

Echter, sinds 1 januari 2020 zijn de zogenaamde arrondissementele taxatie – en vereffeningsbureau ’s in werking getreden. Dit klinkt gewichtig, doch in wezen betreft het “taxatiebureau” een griffier op het niveau van de hoofdzetel van de rechtbank van eerste aanleg die voortaan de prestaties van de curator in een pro-deo faillissement zal taxeren. Na deze taxatie, moet de curator zich vervolgens wenden tot het “vereffeningbureau”, zijnde een ambtenaar van de Stafdienst Begroting en Beheerscontrole van de FOD Justitie die de pro deo kostenstaten opnieuw verifieert en daadwerkelijk “vereffent”  (betaalt).

U leest het goed. Een griffier (geen rechter) van een rechtbank van eerste aanleg (geen Ondernemingsrechtbank) zal de staat van ereloon en kosten van een curator voortaan “taxeren”. Onder “taxeren” wordt m.i. toch nog steeds begrepen “het appreciëren  van prestaties en verifiëren van uitgaven en hieraan een gepast ereloon en kostenstaat koppelen”. Deze gehele herstructurering zou moeten leiden tot een snellere betaling (sic).[1]

Continue reading “Kan een “taxatiebureau” überhaupt het ereloon van een curator wettelijk gezien taxeren ?”