Experiments

Misbruik van vennootschapsgoederen: doe het niet – Cassatie 9 mei 2024

Een kat in het nauw maakt rare sprongen. Een bestuurder in het nauw doet dit best niet. Zo leert een cassatiearrest van 9 mei 2024.

Vennootschap X verkeert in ernstige financiële moeilijkheden, die nopen tot het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie. In het kader van die procedure ontvangt vennootschap X een betaling van ongeveer 1.500.000 EUR op haar vennootschapsrekening. Nog dezelfde dag verdwijnt dit geld van de rekening van vennootschap X, middels een overschrijving naar verbonden vennootschap Y (aangeduid als “storting in R/C”). Een deel van “het” (juridisch heeft het geen zin om te spreken over het geld) geld zet vervolgens de weg verder en belandt op de rekening van nog twee andere verbonden vennootschappen (A en B).

Continue reading “Misbruik van vennootschapsgoederen: doe het niet – Cassatie 9 mei 2024”

Remuneration of independent directors in shares

A post by guest blogger Pieterjan Heynen

Based on the annual reports of Belgian listed companies, Guberna and VBO recently conducted a study in order to determine to what extent the recommendations of the Belgian Corporate Governance Code are being observed. Particular attention was paid to Recommendation 7.6, a relatively new provision which was introduced into the Code in 2020. This Recommendation states that non-executive directors should receive part of their remuneration in shares. However, the Guberna and VBO study showed that this provision is currently one of the least complied with in the Code, since only 15% of Belgian listed companies include shares in the remuneration package of their non-executive directors.

In response to the low level of application of this recommendation, we conducted a more in-depth empirical study, complemented by theoretical and comparative findings. The results of our analysis will be presented at a conference on “Recent Trends in the Remuneration of Executives and Directors”, which will take place at the University of Antwerp on 23 May 2024 (see also here). Our focus was on the compensation of independent directors, who, as non-executive directors, also fall within the scope of Recommendation 7.6. At first glance, this may sound surprising. The “explanations” of companies that do not comply with this recommendation sometimes state that they do not provide for remuneration in shares, precisely because they do not want to jeopardize the independence of their independent directors…

Is this skepticism justified? Does equity compensation inevitably impair a director’s independence? Answering this question requires a good understanding of the role and functions of independent directors. After all, they are key players in Belgian listed companies and form a de facto majority on most boards. Moreover, the Belgian Code for Companies and Associations (CCA) assigns them specific roles in related parties transactions and audit, remuneration and nomination committees.

From these specific legal tasks, it can be inferred that independent directors have a role to play as “mediators” in two of the three well-known principal-agent conflicts of corporate law. On the one hand, they should act as a buffer between the executive management of the company and its shareholders, as a kind of additional control mechanism. This follows, among other things, from their presence on the audit and remuneration committee. On the other hand, they also appear to mediate the second principal-agent conflict, between the controlling shareholder and minority shareholders, which follows from their involvement in related party transactions.

Taking these tasks as a starting point, it may indeed be interesting to remunerate independent directors in shares. In this way, they are no longer merely mediators in the principal-agent problems mentioned above, but instead they become principals themselves. An independent director who is also a (small) shareholder may experience an important additional incentive to look after the interests of all small shareholders.

However, not everyone will agree with this view. For example, it could also be argued that independent directors should not only look after the interests of minority shareholders, but that because of their independence, they are rightly positioned to take into account a broader, societal interest as well. According to this view, their role includes the observation of the interests of all the company’s stakeholders. Consequently, remuneration in shares could be counterproductive in such a case, because it could narrow the focus of independent directors to the interests of shareholders, while overlooking other stakeholders.

Thus, the question of whether independent directors have a narrow or a broad role, focusing on the interests of shareholders or of all stakeholders, respectively, cannot be answered unambiguously. Moreover, a comparative law analysis shows that legal systems often provide different answers to this question. In our presentation we examine these different approaches that can be found in Belgium, France, the Netherlands, Germany, the UK and the US. We will also look at results from economic research. Does equity compensation incentivize independent directors to better perceive their role? Or does it have only a minor impact on their attitude on the board?

Based on these theoretical, comparative law and empirical findings, we take stock of Recommendation 7.6 of the Belgian Corporate Governance Code regarding equity compensation for independent directors.

This blogpost is based on a joint research project with Pieterjan Heynen, Tom Vos and Theo Monnens.

Pieterjan Heynen
Jan Ronse Institute
KU Leuven

De termijn tot aangifte van een schuldvordering in een faillissement kan niet omzeild worden langs de achterdeur (Cass. 12 april 2024)

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

1. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 12 april 2024 (C.23.0415.F/1) bevestigd dat de aangiftetermijn tot het indienen van schuldvorderingen niet kan omzeild worden door een schuldvordering op te nemen in een proces-verbaal van verificatie dat wordt neergelegd na de aangiftetermijn van 1 jaar met het doel deze schuldvordering via de betwistingsprocedure alsnog te laten opnemen in het passief middels een vonnis.

Continue reading “De termijn tot aangifte van een schuldvordering in een faillissement kan niet omzeild worden langs de achterdeur (Cass. 12 april 2024)”

Two lectures by Professor Steven L. Schwarcz (Duke) at KU Leuven – on financial innovation and on relative and absolute priority in reorganization

16 and 17 May

On May 16th and May 17th Prof. Steven Schwarcz will (virtually) give two lectures at KU Leuven (Belgium):

  • On May 16th from 2 to 4 pm (Belgian time) he will be a guest lecturer in the course of “European Banking and Investment Services Law”, currently taught by Prof. Filippo Annunziata, to give a lecture on “Regulating Financial Innovation: FinTech, Crypto-assets, DeFi, and Beyond”. You can join either online, or in room DV3 01.07 (where the online lecture will be streamed).
  • The day after, on May 17th from 9 to 11 am (Belgian time), he will be a guest lecturer in Prof. Joeri Vananroye’s class on Economic Analysis of Law, to speak about “Comparing relative priority under the EU Restructuring Directive with absolute priority under U.S. Chapter 11 as a default rule to achieve creditor consensus” (online only).

Prof. Steven L. Schwarcz is the Stanley A. Star Distinguished Professor of Law & Business at Duke University and Founding Director of Duke’s interdisciplinary Global Capital Markets Center (later renamed the Global Financial Markets Center). His areas of research and scholarship include insolvency and bankruptcy law, international finance, capital markets, systemic risk, corporate governance, and commercial law.

You are very welcome to take the opportunity to join those lecture. Please register here by May 15th.

Duurzaamheid beoordelen kan binnenkort niet langer zonder vergunning

Een post door gastbloggers Chloë De Somviele & Lisa Nelis

Toegang tot kwalitatieve duurzaamheidsdata is al langer een pijnpunt wanneer beleggers rekening willen houden met de ecologische, sociale en governance (ESG) factoren van bedrijven.[1] Correcte informatie over ESG-factoren neemt aan belang toe in de financiële sector om de risico’s en investeringsopportuniteiten ten gevolge van de energietransitie, klimaattransitie en sociale uitdagingen accuraat in rekening te brengen. Bedrijven die ondernemingen op basis van ESG-factoren beoordelen en rangschikken, ook wel ESG-ratingagentschappen genoemd, zijn daarin essentieel maar ook problematisch, aangezien bijvoorbeeld onduidelijk is welke ESG-criteria zij hanteren, welke ESG-criteria zwaarder doorwegen, en hoe ESG-informatie wordt verzameld.  

De Europese Unie regelt reeds bepaalde delen van de beleggingsketen die uitvoerig op deze blog werden besproken, zoals wanneer een economische activiteit ecologisch duurzaam is, over welke duurzaamheidsinformatie bedrijven moeten rapporteren, hoe informatie over duurzaamheid in precontractuele en periodieke documenten van financiële producten moeten worden opgenomen, en hoe in de distributie van financiële instrumenten gevraagd moet worden naar duurzaamheidsvoorkeuren. Uitgevers van ESG-ratings bleven voorlopig buiten schot. Woensdag 24 april keurde het Europees Parlement een compromistekst van februari 2024 goed. Daarmee ligt nu de verordening van toepassing op ESG-ratings ter stemming voor bij de Europese Raad. Hieronder bespreken we de tekst van het akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad zoals die door het Parlement werd goedgekeurd.[2]

Continue reading “Duurzaamheid beoordelen kan binnenkort niet langer zonder vergunning”

ESG, (bestuurders)aansprakelijkheid en verzekering – TPR Lezing door prof. dr. Wim Weterings

TPR – Wisselleerstoel

Wouter Devroe, decaan van de Faculteit Rechtsgeleerdheid en Criminologische Wetenschappen, Prof. dr. Caroline Van Schoubroeck en prof. dr. Joeri Vananroye, Onderzoekseenheid Economisch recht,
Prof. dr. Matthias E. Storme en prof. dr. Vincent Sagaert, directeuren TPR,
hebben het genoegen u uit te nodigen op de  

Inaugurale lezing van prof. dr. Wim Weterings
“ESG, (bestuurders)aansprakelijkheid en verzekering”  

op maandag 10 juni 2024 om 17.00
in de Oude Valk, aula Zeger Van Hee, Tiensestraat 41 te Leuven.  
Na de lezing wordt u een receptie aangeboden in de Laga Lounge vanaf 18.30  

De toga wordt gedragen. 1 OVB-punt toegekend.
PROGRAMMA
17.00 Verwelkoming en voorstelling TPR-Wisselleerstoeldoor prof. dr. Matthias E. Storme en prof. dr. Vincent Sagaert
17.15 Inleiding prof. dr. Wim Weterings, Tilburg University, door prof. dr. Caroline Van Schoubroeck
17.30 Inaugurale rede TPR: “ESG, (bestuurders)aansprakelijkheid en verzekering”
18.30 Receptie    

Gelieve uw aanwezigheid te bevestigen vóór 3 juni via deze link.

Recent trends in the remuneration of executives and directors

Conference organized by the Jean-Pierre Blumberg Chair on 23 May

Over the last few years, remuneration in public companies has received considerable attention in both academic and public discourse. Several national and international initiatives have reformed remuneration practices to achieve various objectives, including improving shareholder engagement, encouraging active monitoring by (independent) directors, achieving corporate sustainability, and incentivising long-term value creation. Although these trends have had a significant impact on practice, large differences in remuneration practices still exist.

On the afternoon of 23 May 2024, the Jean-Pierre Blumberg Chair organizes a conference on the topic of “Recent trends in the remuneration of executives and directors”. The conference aims to improve the understanding in Belgium and Europe of the dynamic topic of remuneration of executives and directors. The conference brings together theory and practice through academic presentations that contain empirical evidence on remuneration practices, and through a panel discussion of prominent practitioners (moderated by Charles-Antoine Leunen, Linklaters). 

More information and registration can be found via this link. Below follows a brief teaser of what conference participants may expect.

Continue reading “Recent trends in the remuneration of executives and directors”

Jura Falconis studiedag 25 april 2024 (almost last call)

Is het onderscheid tussen CSRD en CS3D u nog niet volledig duidelijk? Wenst u de laatste stand van zaken te vernemen inzake climate litigation? Vraagt u zich af wat het verbintenissen-en goederenrecht kunnen betekenen voor een duurzamere wereld? Deze (en andere) vragen krijgen een antwoord op de jaarlijkse studiedag van het sympathieke tijdschrift Jura Falconis.

Plaats en datum van afspraak: Leuven, 25 april 2024.

De studiedag is bedoeld voor een breed publiek, van juridische professionals tot studenten en iedereen die geïnteresseerd is in de evolutie van het recht met betrekking tot het ruime thema “ESG en aansprakelijkheid”.

Het programma ziet er uit als volgt:

09:10 – 09:25Introductie door voorzitster prof. dr. Sofie Cools, KU Leuven, Jan Ronse Instituut voor Vennootschaps- en Financieel Recht:“Duurzaamheid in alle (rechts)domeinen”.
09:30 – 10:15Prof. dr. Hans De Wulf, UGent, Financial Law Institute: “Climate Litigation tegen ondernemingen in Europa”
10:20 – 11:05Arie Van Hoe, Hoofd Juridische Dienst VBO: “Voorbij de vennootschapsgroep: the chain als onderneming 2.0”
11:10 – 11:55Steffie De Backer, Senior Attorney Freshfields Bruckhaus Deringer: “Duurzaamheidsrapportering en aansprakelijkheid”
12:00 – 12:20Q&A
12:30 – 13:00(Lunch)pauze
13:00 – 13:45Prof. dr. Ilse Samoy, KU Leuven, Instituut voor Verbintenissenrecht, UHasselt: “De duurzame gereedschapskoffer van het verbintenissenrecht”
13:50 – 14:35Prof. dr. Dorothy Gruyaert, KU Leuven, Leuven Centre for Public Law/Instituut voor goederenrecht: “Aansprakelijkheid wegens burenhinder als hefboom voor meer duurzaamheid”
14:40 – 15:25Prof. dr. Christina Hiessl, KU Leuven, Instituut voor arbeidsrecht: “Aansprakelijkheid voor schending van duurzaamheidsclausules in trade agreements
15:30 – 16:00Q&A

Meer informatie en mogelijkheid tot inschrijving: hier.

Jura Falconis is een schitterend tijdschrift (blader gerust eens door de archieven – waar u de eerste geschriften van talrijke gerenommeerde juristen kan terugvinden), rustend op de sterke schouders van jonge juristen in spe. Uw aanwezigheid zal hen zeker verheugen.

Hof van Justitie 11 april 2024: kwijtschelding na faillissement

De Herstructureringsrichtlijn voorziet o.a. in maatregelen met het oog op efficiëntere procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld (zie artikel 1). De tweede kans gedachte is zeer nadrukkelijk aanwezig in deze richtlijn.

Artikel 23, lid 4 Herstrucuteringsrichtlijn bepaalt in dit verband dat de lidstaten specifieke categorieën schulden kunnen uitsluiten van kwijtschelding indien die uitsluitingen naar behoren zijn gerechtvaardigd. Vervolgens lijst de richtlijn een aantal voorbeelden op (“bijvoorbeeld in het geval van”).

Bij de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn is België spaarzaam (in lijn met de voorbeelden) geweest met uitzonderingen op de kwijtschelding (zie art. XX. 173, § 1: “Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of een derde. De kwijtschelding heeft geen gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft“).

Spanje, daarentegen, was iets gieriger. Alle publiekrechtelijke schuldvorderingen werden (herhaaldelijk) uitgesloten. Enkele failliete Spanjaarden vonden dit om begrijpelijke redenen niet zo leuk en trokken naar Luxemburg.

Inzet van de vraag: wie is meester over (de uitzonderingen op) de kwijtschelding? Antwoord van het Hof: de lidstaten, mits voldoende motivering.

“Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van specifieke categorieën schuldvorderingen niet uitputtend is en dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om andere dan de in deze bepaling genoemde specifieke categorieën van schuldvorderingen van de kwijtschelding uit te sluiten, mits een dergelijke uitsluiting naar nationaal recht naar behoren is gerechtvaardigd.”

Flitsbericht – Grondwettelijk Hof 11 april 2024: wet financiële zekerheden en collectieve schuldenregeling

Een arrest dat veel nadere analyse verdient (i.h.b. wat de eventuele doorwerking naar andere insolventieprocedures betreft) en zich als een bommetje aankondigt in de wereld van financieringen.

“De artikelen 8 en 9 van de wet van 15 december 2004 « betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten » schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij van toepassing zijn wanneer de schuldenaar die een pand op financiële instrumenten of contanten heeft verschaft, een natuurlijke persoon is die werd toegelaten tot een collectieve schuldenregeling.”

Een agency-theorie voor vennootschappen met sociaal doel

Een belangrijke, of zelfs de belangrijkste stroming in de rechtseconomische analyse van het vennootschapsrecht is de “agency-theorie”. Zij gaat terug tot de jaren 1970 en biedt een nuttig kader voor het begrip van vennootschappen met enkel een winstverdelingsdoel, m.a.w. de (klassieke) vennootschappen die ernaar streven hun aandeelhouders rechtstreekse of onrechtstreekse vermogensvoordelen te bezorgen. Met vennootschappen die ook een sociaal (niet op aandeelhouderswaarde gericht) doel nastreven, heeft de agency-theorie meer moeite.

Continue reading “Een agency-theorie voor vennootschappen met sociaal doel”

Het FUN ‘flitsfaillissement’: enkele praktijkervaringen van een beoogd curator

Een post door gastblogger meester Jens Vrebos

Op 16 februari 2024 verklaarde de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge de NV FUN Belgium en 6 van haar dochtervennootschappen failliet. Daags nadien wist de pers al dat Toychamp, Dreamland en Yysk 11 van de 26 door de gefailleerde vennootschappen uitgebate speelgoedwinkels hadden overgenomen.

De buitenstaander  zou denken dat de aangestelde curatoren over amper één nacht ijs zijn gegaan met deze overdracht, maar in realiteit waren de curatoren bij beschikking van diezelfde rechtbank van 21 december 2023 al aangesteld als beoogd curatoren in toepassing van de artikelen XX.97/1 tot XX.97/6 WER.

De aanstelling van de beoogd curatoren gold voor dertig dagen, derhalve aflopend op 20 januari 2024 en werd tot tweemaal toe verlengd om uiteindelijk te eindigen per 15 februari 2024. Op 15 februari deden de vennootschappen van de FUN-groep aangifte van faillissement.

Continue reading “Het FUN ‘flitsfaillissement’: enkele praktijkervaringen van een beoogd curator”

Hoger beroep klimaatzaak – Shell

Deze week vonden de pleidooien plaats in de klimaatzaak tegen Shell in Nederland (hoger beroep). Komende vrijdag staan de slotpleidooien gepland (en die kondigen zich interessant aan, omdat het Gerechtshof in dialoog zal/wil gaan met de raadslieden van de partijen, om bepaalde zaken beter te begrijpen). Deze procedure wordt wereldwijd met bijzonder veel aandacht gevolgd. Voor juristen is de zaak buitengewoon fascinerend. Om maar één punt op te werpen: kan via het onrechtmatigedaadsrecht (op grote schaal) aan maatschappelijke regulering worden gedaan? Of is dit een irrelevante vraag, vanuit het recht bekeken?

Wie de pleidooien niet heeft kunnen volgen, kan de pleitnota’s van de partijen consulteren. Anders dan in België, waar een pleitnota al eens in de rapte én vroegte durft geschreven te worden, liefst in een (onvermijdelijk) groezelig cafeetje aan de overkant van het desbetreffende Justitiepaleis (om vervolgens als geheugensteuntje te dienen tijdens een pleidooi dat alle richtingen kan uitgaan), zijn pleitnota’s in Nederland de effectieve weerslag van hetgeen ter zitting aan de rechters wordt verteld. Iets meer structuur dus.

De pleitnota’s in de zaak Shell zijn om twee redenen interessant. Ten eerste worden de juridische en maatschappelijke vragen op scherp gesteld (het pleidooi is immers de laatste kans de rechter te overtuigen dan wel op een reeds gevormde overtuiging te doen terugkomen). Ten tweede bieden zij, voor jonge/oudere pleiters, inzicht in hoe een effectief pleidooi (in een omvangrijke en technische zaak) kan worden opgesteld en opgebouwd, los van welke “kant” men “kiest”. Gratis lesmateriaal dus, voor wie het zoekt.

Wat de uitkomst van de zaak betreft, beperk ik me tot de woorden waarmee de voorzitster de pleidooien deze week afsloot: “het is geen gemakkelijke zaak“. Alvast daarover is iedereen het waarschijnlijk eens.

Bestuurders na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: wat kan de rechtspersoon doen om zijn bestuurders te beschermen?

Als een bestuurder van een rechtspersoon een fout maakt in de uitvoering van een overeenkomst tussen die rechtspersoon en een derde, wordt die bestuurder vandaag beschermd door de immuniteit van de uitvoeringsagent.  Die bescherming valt weg na de inwerkingtreding van Boek 6 BW, waarbij we hiervoor hebben opmerkt dat dit niet betekent dat de bestuurder automatisch aansprakelijk wordt voor elke wanprestatie die hem materieel toerekenbaar is.

We hebben er daar ook op gewezen dat het aansprakelijkheidsrisico van bestuurders materieel wel degelijk uitbreidt: ze zullen in de toekomst buitencontractuele aansprakelijkheid riskeren voor gevallen waar ze nu intern niet aansprakelijk zijn.

Wat kan de rechtspersoon (en we veronderstellen dat de rechtspersoon gestuurd wordt door de bezorgde bestuurders) doen om het verhoogde aansprakelijkheidsrisico van bestuurders te beperken? We bekijken dit vanuit het exoneratie- en vrijwaringsverbod van art. 2:58 WVV.

Continue reading “Bestuurders na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: wat kan de rechtspersoon doen om zijn bestuurders te beschermen?”

Bestuurders en werknemers na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: de relativiteit van fouten

De wereld na Boek 6 BW

Als een bestuurder van een rechtspersoon een fout maakt in de uitvoering van een overeenkomst tussen die rechtspersoon en een derde, wordt die bestuurder vandaag beschermd door de immuniteit van de uitvoeringsagent. Zelfs als de bestuurder een onrechtmatige daad begaat in de uitvoering van die overeenkomst, kan de derde de bestuurder in de regel niet buitencontractueel aanspreken. De bestuurder kan contractueel eventueel wel bestuursaansprakelijkheid oplopen t.a.v. de rechtspersoon.

Uiteraard zal niet elke wanprestatie door de vennootschap een bestuursfout uitmaken, ook niet als de betrokken wanprestatie materieel aan de betrokken bestuurder kan worden toegerekend. De betrokken bestuurder kan immers de wanprestatie in het contract met de derde hebben gepleegd in het belang van de vennootschap.

Een civilist heeft het er misschien moeite mee dat een onrechtmatige daad niet per se als onrechtmatig in een contractuele verhouding geldt. Voor een commercialist lijkt het echter evident dat een bestuurder zijn taak goed vervult en toch onrechtmatige daden kan plegen. Meer zelfs: een bestuurder die geen onrechtmatige daden pleegt is wellicht zijn job niet goed aan het uitoefenen.

De bescherming van de immuniteit van de uitvoeringsagent zal na de inwerkingtreding van boek 6 BW wegvallen voor de bestuurder. Soms hoort men wel eens dat dit niet leidt tot een uitbreiding van aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten, dat dit enkel leidt tot een uitbreiding van het aantal eisers dat deze aansprakelijkheid kan inroepen. Dat is niet correct.

Continue reading “Bestuurders en werknemers na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: de relativiteit van fouten”