1. In een arrest van 9 juli 2026 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel XX.3, tweede lid WER de Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat artikel 55 Ger.W. niet van toepassing is op het hoger beroep dat wordt ingesteld op grond van artikel XX.232 WER.
2. Op grond van artikel XX.229, §1 WER kan de insolventierechtbank een zogenoemd beroepsverbod opleggen indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement.
Het tussengekomen vonnis waarbij een beroepsverbod wordt opgelegd, wordt met toepassing van artikel XX.231 WER bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en de griffier geeft er kennis van bij gerechtsbrief aan de gefailleerde.
De gefailleerde en het openbaar ministerie kunnen hoger beroep instellen. Krachtens artikel XX.232,eerste lid loopt de termijn van hoger beroep vanaf de kennisgeving.
Boek XX WER voorziet geen specifieke beroepstermijn, zodat voor deze vonnissen de gemeenrechtelijke beroepstermijn van artikel 1051, eerste lid Ger.W. geldt, namelijk één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving.
Tot hier geen probleem.
3. Volgens artikel 1051, vierde en vijfde lid Ger.W. wordt de termijn van hoger beroep echter verlengd overeenkomstig artikel 55 Ger.W. wanneer de partij aan wie het vonnis ter kennis is gebracht, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft.
Continue reading “Het Grondwettelijk Hof ziet een schending van de Grondwet in art. XX.3 WER”