Over business angels, B-bestuurders en bestuurdersaansprakelijkheid

Ook tijdens de vakantieperiode vergast de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent de geïnteresseerde lezer met de regelmaat van de klok op interessante uitspraken. Vorige week werd een vonnis op Juportal geplaatst (ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260805.1) dat verplichte lectuur vormt voor wie een bestuursmandaat opneemt als “vertegenwoordiger” van een aandeelhouder (denk bv. aan venture capital, maar ook wel private equity).

De aan het vonnis onderliggende relevante feiten laten zich kort als volgt samenvatten: eind 2014 wordt een vennootschap opgericht. In 2022 verwerven 6 externe investeerders 25% van de aandelen, welke het statuut van B-aandelen krijgen. Eén van de investeerders – komende uit een netwerk van zgn. “business angels” wordt op dat ogenblik bestuurder. Tegelijk wordt een derde bestuurder benoemd, die geen aandeelhouder is en als onafhankelijk wordt beschouwd. Samen maken de drie bestuurders (A: oprichter; B: vertegenwoordiger B-aandeelhouders; C: onafhankelijk) een collegiaal bestuursorgaan uit.

De zaak zou niet voor de insolventierechter belanden mocht alles goed zijn blijven gaan. In augustus 2024 doet de vennootschap aangifte van staking van betaling. Enige tijd later stelt de curator een vordering bestuurdersaansprakelijkheid in tegen alle bestuurders (A, B en C).

Lezing van het vonnis maakt zeer duidelijk dat de oprichter-bestuurder weinig correct heeft gehandeld jegens de vennootschap én zijn collega-bestuurders. Belangrijke informatie werd stelselmatig achter gehouden of verkeerd voorgesteld. For the sake of the argument kan er vanuit worden gegaan dat A een weinig betrouwbaar sujet was.

Het vonnis bevat twee relevante lessen voor toekomstige bestuurders B.

Initieel bedrog is geen permanente verdediging

Bestuurder B bevond zich in een weinig benijdenswaardige situatie. Samen met andere bestuurders heeft hij geïnvesteerd in een vennootschap, waarvan nadien blijkt dat de oprichter-bestuurder voor geen haar te vertrouwen is. De rechtbank erkent deze situatie, maar maakt tegelijk kristalhelder dat deze pijnlijke vaststelling geen permanente verdediging biedt tegen een latere bestuurdersaansprakelijkheid. Eens de realiteit inzinkt, dienen de bestuurders te handelen op basis van de informatie waarover zij op dat ogenblik beschikken (overweging 5.10.7.: “Aanvankelijk konden tweede en derde verweerder wijzen naar eerste verweerder die kennelijk correcte informatie achterhield, doch dit is eindig.”).

Bestuurders die desondanks verderzetten, mede gelet op hun positie als aandeelhouder, riskeren aansprakelijk te worden gesteld, ook al werden zij initieel misleid (overweging  5.3: “Begin 2024 maakten nieuwe tegenvallende resultaten en de reeds bestaande schuldenlast evenwel duidelijk dat de insolventie van de vennootschap onafwendbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank had het uitzichtloos karakter op dat ogenblik voor iedere zorgvuldig handelende bestuurder gekend moeten zijn. Enkel de derde verweerder, als enige bestuurder zonder aandeelhoudersbelang, heeft deze realiteit tijdig onderkend en zijn bestuursmandaat neergelegd op 23 januari 2024, nadat hij op 16 januari 2024 de onverbloemde financiële rapportage ontving. Tweede verweerster heeft de onderneming wel verder gezet omdat zij als investeerder tegen beter weten in, te lang de hoop heeft gekoesterd om haar investering niet te verliezen en heeft kennelijk niet meer rationeel gehandeld.”).  

B-bestuurder maakt geen B-verantwoordelijkheid    

Bestuurder B maakt deel uit van een collegiaal bestuursorgaan, waarin bestuurder A buiten de lijntjes kleurt. Biedt het “statuut” als B-bestuurder, ter vertegenwoordiging van B-aandeelhouders, enige bescherming aan B? De centrale overweging (overweging 5.10.6) van de rechtbank ter zake verdient volledig geciteerd te worden.

“In conclusie stelt tweede verweerster onder meer nog dat zij “uiteindelijk een rol opnam als investeerder-bestuurder (enig B-bestuurder)”. Tweede verweerster lijkt zich onvoldoende rekenschap te hebben gegeven dat zij deel uitmaakte van een collegiaal bestuur en dat zij net zoals de “founder” (oprichter) een eigen verantwoordelijkheid had als bestuurder. Ongeacht of men A-bestuurder of B-bestuurder was. Het uitgangspunt dat eerste verweerder als “founder” of oprichter een andere bestuurstaak of verantwoordelijkheid zou hebben gehad dan tweede en derde verweerder, kan niet worden gevolgd. Binnen een collegiaal bestuursorgaan rust niet alleen op iedere bestuurder een eigen verantwoordelijkheid voor het bestuur van de vennootschap. De collegialiteit verplicht de individuele bestuurder toezicht te houden op de medebestuurders. Tweede verweerder bouwt een argumentatie op alsof eerste verweerder een gedelegeerd bestuurder zou zijn, wat geenszins het geval was. Het bestuur van [SPEL] werd toevertrouwd aan een collegiaal bestuursorgaan. Er werd geen gedelegeerd bestuurder aangesteld of dagelijks bestuur geïnstalleerd. Conform de statuten had een zogenoemde “B-bestuurder” dezelfde bevoegdheden en verantwoordelijkheden als de overige bestuurders. Uit de stukken blijkt dat tweede verweerster zich overwegend als afgevaardigde van de investeerders heeft gedragen, eerder dan als bestuurder. Als een zogenoemde ‘business angel’ na haar inbreng toetreedt tot een collegiaal bestuur, dan is zij volwaardig bestuurder met alle daarbij horende verantwoordelijkheden. Van een bestuurder mag worden verwacht dat zij zich actief informeert over de toestand van de vennootschap. Zij kan zich niet beperken tot het passief afwachten van de informatie die door een medebestuurder of ‘founder’ wordt verstrekt. Zeker niet wanneer eerdere anomalieën werden vastgesteld en wanneer duidelijk is dat de mede-bestuurder onbetrouwbaar blijkt. De curator stelt dan ook volkomen terecht dat het bestuur “te licht over de precaire situatie [ging]”.

Besluit

Bestuurders kunnen om diverse redenen aan boord komen van een vennootschap. Wanneer zij deel uitmaken van een collegiaal bestuursorgaan is er geen plaats voor A, B, C, … bestuurders, althans niet wanneer het aankomt op het bepalen van de aansprakelijkheid ervan betreft. Bestuurder is bestuurder. Wanneer een overige bestuurder het spel niet correct speelt, kan dit niet als permanent excuus dienen (uit het uiteindelijke “resultaat” van het vonnis kan wel worden afgeleid dat de rechter enige “sympathie” had voor het lot van bestuurder B, m.n. bij de begroting van de concrete schadevergoeding – desalnniettemin blijven voorgaande principes hoogst relevant). Op dat ogenblik dienen onmiddellijk de maatregelen worden getroffen die zich opdringen, redenerend vanuit het vennootschapsbelang. In die zin is de ene bestuurder de andere wel (speling op L. Cornelis, “De ene bestuurder is de andere niet, ook niet in vennootschappen”, Liber Amicorum Eddy Wymeersch, 2008, 239- 258, die afsluit met volgende woorden: “Net zoals het sturen op openbare weg is het besturen van een vennootschap een risicovolle activiteit.”)

Het Grondwettelijk Hof ziet een schending van de Grondwet in art. XX.3 WER

GwH 9 juli 2026, nr. 85/2026

1. In een arrest van 9 juli 2026 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel XX.3, tweede lid  WER de Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat artikel 55 Ger.W. niet van toepassing is op het hoger beroep dat wordt ingesteld op grond van artikel XX.232 WER.

2. Op grond van artikel XX.229, §1 WER kan de insolventierechtbank een zogenoemd beroepsverbod opleggen indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement.

Het tussengekomen vonnis waarbij een beroepsverbod wordt opgelegd, wordt met toepassing van artikel XX.231 WER bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en de griffier geeft er kennis van bij gerechtsbrief aan de gefailleerde.

De gefailleerde en het openbaar ministerie kunnen hoger beroep instellen. Krachtens artikel XX.232,eerste lid loopt de termijn van hoger beroep vanaf de kennisgeving.

Boek XX WER voorziet geen specifieke beroepstermijn, zodat voor deze vonnissen de gemeenrechtelijke beroepstermijn van artikel 1051, eerste lid Ger.W. geldt, namelijk één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving.

Tot hier geen probleem.

3. Volgens artikel 1051, vierde en vijfde lid Ger.W. wordt de termijn van hoger beroep echter verlengd overeenkomstig artikel 55 Ger.W. wanneer de partij aan wie het vonnis ter kennis is gebracht, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft.

Continue reading “Het Grondwettelijk Hof ziet een schending van de Grondwet in art. XX.3 WER”

Exit Faillissement? Een juridische denkoefening over de afwikkeling van lege doos vennootschappen

Een blogpost door Andreas De Fonseca

De wetgever heeft met de wet van 7 juni 2023 de gerechtelijke ontbinding verder verruimd. Het is vanaf nu een volwaardig alternatief voor het faillissement van bepaalde rechtspersonen. Dit kan gezien worden als een verderzetting van de trend die ten grondslag ligt aan de wet van 17 mei 2017. Hiermee werd het nog eenvoudiger om inactieve vennootschappen, die het economisch verkeer kunnen ‘besmetten’, op te ruimen via gerechtelijke ontbinding. De wetgever wenst deze ‘lege dozen’ tegen zo laag mogelijke kosten te verwijderen. De gerechtelijke ontbinding lijkt hiervoor het uitgelezen instrument aangezien er, in tegenstelling tot het faillissement, niet steeds een vereffenaar moet worden aangesteld.  Vele lege dozen kwamen echter alsnog terecht in de faillissementsprocedure, die de Staat opzadelde met allerlei kosten. Vooral de pro deo forfaitaire vergoeding voor de curator werd door de wetgever bestempeld als een inefficiënte aanwending van algemene middelen.  De wet van 7 juni 2023 moet het mogelijk maken om die besparingen te realiseren, door de gerechtelijke ontbinding onder bepaalde omstandigheden mogelijk te maken.

In deze blogpost is het de bedoeling om een denkoefening uit te voeren over dit thema. In het eerste deel van de blogpost gaan we ervan uit dat de wetgever moet gevolgd worden. Lege dozen ontbinden zonder aanstelling van een vereffenaar is de correcte piste. Hierbij wordt nagegaan hoe de wetgever dit nu heeft ingevuld met de wet van 7 juni 2023 en hoe dit anders/beter had kunnen worden vormgegeven. Het tweede deel gaat ervan uit dat de wetgever niet moet gevolgd worden. Dat de gerechtelijke ontbinding geen alternatief mag worden voor het faillissement. Hoe kan men er dan alsnog voor zorgen dat het verwijderen van lege dozen geen buitensporig dure operatie wordt, die geen baten oplevert voor stakeholders, waaronder de overheid? Voor beide pistes zal gebruik gemaakt worden van rechtsvergelijkende aspecten om alternatieven binnen de piste aan te dragen

Continue reading “Exit Faillissement? Een juridische denkoefening over de afwikkeling van lege doos vennootschappen”