De wetgever heeft met de wet van 7 juni 2023 de gerechtelijke ontbinding verder verruimd. Het is vanaf nu een volwaardig alternatief voor het faillissement van bepaalde rechtspersonen. Dit kan gezien worden als een verderzetting van de trend die ten grondslag ligt aan de wet van 17 mei 2017. Hiermee werd het nog eenvoudiger om inactieve vennootschappen, die het economisch verkeer kunnen ‘besmetten’, op te ruimen via gerechtelijke ontbinding. De wetgever wenst deze ‘lege dozen’ tegen zo laag mogelijke kosten te verwijderen. De gerechtelijke ontbinding lijkt hiervoor het uitgelezen instrument aangezien er, in tegenstelling tot het faillissement, niet steeds een vereffenaar moet worden aangesteld. Vele lege dozen kwamen echter alsnog terecht in de faillissementsprocedure, die de Staat opzadelde met allerlei kosten. Vooral de pro deo forfaitaire vergoeding voor de curator werd door de wetgever bestempeld als een inefficiënte aanwending van algemene middelen. De wet van 7 juni 2023 moet het mogelijk maken om die besparingen te realiseren, door de gerechtelijke ontbinding onder bepaalde omstandigheden mogelijk te maken.
In deze blogpost is het de bedoeling om een denkoefening uit te voeren over dit thema. In het eerste deel van de blogpost gaan we ervan uit dat de wetgever moet gevolgd worden. Lege dozen ontbinden zonder aanstelling van een vereffenaar is de correcte piste. Hierbij wordt nagegaan hoe de wetgever dit nu heeft ingevuld met de wet van 7 juni 2023 en hoe dit anders/beter had kunnen worden vormgegeven. Het tweede deel gaat ervan uit dat de wetgever niet moet gevolgd worden. Dat de gerechtelijke ontbinding geen alternatief mag worden voor het faillissement. Hoe kan men er dan alsnog voor zorgen dat het verwijderen van lege dozen geen buitensporig dure operatie wordt, die geen baten oplevert voor stakeholders, waaronder de overheid? Voor beide pistes zal gebruik gemaakt worden van rechtsvergelijkende aspecten om alternatieven binnen de piste aan te dragen