Ook de hoofdelijk aansprakelijke bestuurder heeft recht op verweer

Hof van Justitie 16 juli 2026, C-158/25

1. In een arrest van 16 juli 2026[1] heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over de hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor niet-betaalde btw schulden van een vennootschap en, meer bepaald, over de vraag in welke mate die bestuurder nog kan opkomen tegen de definitief vastgestelde belasting in hoofde van de vennootschap. Het arrest is interessant omdat het een aantal principes herhaalt die ook op andere vlakken van bestuurdersaansprakelijkheid relevant – of niet relevant – kunnen zijn (zie verder randnummer 6). Bovendien is dit arrest een aanleiding tot reflectie over de doeltreffendheid van de bestaande regel (zie randnummer 8).

Continue reading “Ook de hoofdelijk aansprakelijke bestuurder heeft recht op verweer”

Het Grondwettelijk Hof ziet een schending van de Grondwet in art. XX.3 WER

GwH 9 juli 2026, nr. 85/2026

1. In een arrest van 9 juli 2026 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel XX.3, tweede lid  WER de Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat artikel 55 Ger.W. niet van toepassing is op het hoger beroep dat wordt ingesteld op grond van artikel XX.232 WER.

2. Op grond van artikel XX.229, §1 WER kan de insolventierechtbank een zogenoemd beroepsverbod opleggen indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement.

Het tussengekomen vonnis waarbij een beroepsverbod wordt opgelegd, wordt met toepassing van artikel XX.231 WER bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en de griffier geeft er kennis van bij gerechtsbrief aan de gefailleerde.

De gefailleerde en het openbaar ministerie kunnen hoger beroep instellen. Krachtens artikel XX.232,eerste lid loopt de termijn van hoger beroep vanaf de kennisgeving.

Boek XX WER voorziet geen specifieke beroepstermijn, zodat voor deze vonnissen de gemeenrechtelijke beroepstermijn van artikel 1051, eerste lid Ger.W. geldt, namelijk één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving.

Tot hier geen probleem.

3. Volgens artikel 1051, vierde en vijfde lid Ger.W. wordt de termijn van hoger beroep echter verlengd overeenkomstig artikel 55 Ger.W. wanneer de partij aan wie het vonnis ter kennis is gebracht, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft.

Continue reading “Het Grondwettelijk Hof ziet een schending van de Grondwet in art. XX.3 WER”