Meer dan de helft van de faillissementen eindigt met ontoereikend actief: nieuwe cijfers over lege boedels

Een post door Gauthier Vandenbossche (UGent)

Uit het antwoord op een recente parlementaire vraag van Koen Van den Heuvel (cd&v) blijkt dat meer dan de helft van alle afgesloten faillissementen in België eindigt wegens ontoereikend actief. In 2025 liep dat aandeel zelfs op tot bijna 60% en betaalde de Belgische Staat ruim 4,6 miljoen euro aan forfaitaire curatorvergoedingen in lege boedels. De nieuwe cijfers maken de omvang van de problematiek voor het eerst concreet en vormen tegelijk een aanleiding om breder na te denken over de functie en financiering van het faillissement, het alternatief van de gerechtelijke ontbinding en de bijzondere positie van natuurlijke personen voor wie het faillissement ook de toegangspoort tot kwijtschelding vormt.

De problematiek van lege boedels in het insolventierecht is bekend. De klassieke faillissementsprocedure vertrekt van een vermogen dat door de curator wordt beheerd en vereffend, waarna de opbrengst onder de schuldeisers wordt verdeeld. Wanneer nauwelijks of geen actief aanwezig is, valt precies die klassieke vereffenings- en verdeellogica grotendeels weg.

Eén manier om de omvang van de legeboedelproblematiek te benaderen, is door faillissementen die worden afgesloten wegens ontoereikend actief als proxy te gebruiken. Wanneer de curator vaststelt dat het actief ontoereikend is om de vermoedelijke kosten van beheer en vereffening te dekken, kan hij de rechtbank verzoeken het faillissement wegens ontoereikend actief te sluiten (art. XX.135 WER).[1]

Over het aandeel van faillissementen dat wegens ontoereikend actief wordt afgesloten, was tot dusver weinig publieke informatie beschikbaar. Dat is opmerkelijk, aangezien in beleidsdocumenten al werd gesteld dat dergelijke dossiers het “leeuwendeel van de faillissementen[2]” uitmaken. Het antwoord op een recente parlementaire vraag maakt het nu mogelijk om daar concrete cijfers op te kleven.[3]

Algemeen beeld

Meer bepaald blijkt dat meer dan de helft van alle afgesloten faillissementen eindigt wegens ontoereikend actief. Tussen 2021 en juni 2026 werden volgens de meegedeelde cijfers 48.012 faillissementen afgesloten. Daarvan eindigden er 26.592, of 55,39%, wegens ontoereikend actief.[4]

Niet alleen vormen de faillissementen die wegens ontoereikend actief worden beëindigd in elk afzonderlijk jaar de meerderheid, ook neemt hun relatieve belang duidelijk toe. Het aandeel stijgt van 51,99% in 2021 tot 59,70% in 2025, of bijna zes op de tien afgesloten faillissementen. Dat is een stijging met 7,71 procentpunt. Lege boedels lijken in de faillissementspraktijk dus steeds meer gewicht te krijgen.

De klassieke verdeelfunctie van het faillissement kan in een bijzonder groot deel van de dossiers dus slechts beperkt worden gerealiseerd. Dat roept minstens drie vragen op: wie betaalt de curator, welke controle blijft noodzakelijk en wanneer is een eenvoudiger alternatief voor het faillissement aangewezen?

In de analyse van die vraagstukken is het nuttig om een onderscheid te maken tussen rechtspersonen en natuurlijke personen.

Rechtspersonen

Voor rechtspersonen is het beeld in wezen hetzelfde als bij de totale cijfers. Ook hier blijkt dat meer dan de helft (54,62%) van de afgesloten faillissementen eindigt wegens ontoereikend actief. Rechtspersonen maken in absolute aantallen veruit het grootste deel van de waargenomen faillissementen uit, waardoor zij in belangrijke mate het algemene patroon bepalen.

Wie betaalt de curator?

Een faillissement dat wegens ontoereikend actief wordt afgesloten, leidt doorgaans niet of nauwelijks tot een uitdeling aan schuldeisers. Tegelijk vereist ook zo’n procedure de aanstelling van een curator, die op zijn beurt moet worden vergoed.

Het ereloon van de curator wordt in beginsel gedragen door de boedel. Wanneer het actief daarvoor echter ontoereikend is, geldt een forfaitaire vergoeding (zie art. 9 KB 26 april 2018). Eventuele beschikbare netto-opbrengsten worden daarop aangerekend. Het resterende tekort wordt door de Belgische Staat gedragen. Dat verklaart waarom legeboedelfaillissementen in het beleidsdebat geregeld als “kostelijk” of “te duur” worden voorgesteld.[5]

Ook over de omvang van die staatsfinanciering waren nauwelijks concrete cijfers voorhanden. De parlementaire vraag brengt daar voor het eerst meer duidelijkheid in. In 2025 verrichtte de Belgische Staat 3.713 overschrijvingen in het kader van deze forfaitaire vergoeding, voor een totaal van 4.662.066,74 euro. In de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2026 ging het al om 2.062 overschrijvingen, samen goed voor 2.735.442,48 euro.

Gedeeld door het aantal overschrijvingen komt dat neer op gemiddeld ongeveer 1.255,61 euro in 2025 en 1.326,60 euro in de eerste helft van 2026 – hetgeen te verklaren is door de indexatie van de forfaitaire vergoeding. Die bedragen illustreren dat de resterende bijdrage uit de boedel in veel gevallen zeer beperkt moet zijn.[6]

Hier kan ook een voorzichtige vergelijking gemaakt worden met voormelde sluitingscijfers. In 2025 werden 5.295 faillissementen wegens ontoereikend actief afgesloten, terwijl datzelfde jaar 3.713 overschrijvingen voor forfaitaire curatorvergoedingen plaatsvonden. Dit illustreert mooi het verschil tussen de legeboedelproblematiek in brede zin (d.i. onvoldoende actief om de vermoedelijke procedurekosten te dragen) en de engere categorie waarin de resterende boedel zelfs onvoldoende is voor het forfaitaire curatorereloon.

Een dure procedure?

Daarmee is zeker nog niet gezegd dat het faillissement voor zulke boedels te duur is, laat staan dat de uitgaven nutteloos zouden zijn.

In eerder empirisch onderzoek heb ik geprobeerd om die vraag vanuit het perspectief van de curator te benaderen. Aan de hand van een Time-Driven Activity-Based Costing-model werd voor 145 legeboedelfaillissementen van rechtspersonen geraamd welke kost de standaardwerkzaamheden van de curator daadwerkelijk meebrengen. De mediane geraamde kost bedroeg 1.620,78 euro (voor 11,35 uur). In 131 van de 145 dossiers, of 90,34%, lag de geraamde kost hoger dan het toen toepasselijke forfait.

De tussenkomst van de Staat is vanuit dat perspectief dus niet eenvoudigweg een “betaling voor niets”. Ook zonder betekenisvolle uitdelingswaarde moeten curatoren in principe onder meer een inventaris opmaken, schuldvorderingen verifiëren en het faillissementsdossier samenstellen. Die drie activiteiten alleen vertegenwoordigden in het kostenmodel bijna de helft van de gemiddelde kost.

Bovendien mag een andere kernfunctie van het faillissement niet vergeten worden: informatie en controle. Juist bij rechtspersonen krijgt dat een bijzondere dimensie door de vermogensafscheiding. De curator kan nagaan of de boedel werkelijk leeg is, de boekhouding onderzoeken, mogelijke verdwenen activa opsporen, de oorzaken van het faillissement reconstrueren en signalen van onregelmatigheden of mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid detecteren. Dat het beschikbare actief uiteindelijk ontoereikend blijkt, betekent niet dat die werkzaamheden zonder waarde zijn. Het kan relevant blijven te onderzoeken waarom een rechtspersoon zonder actief achterblijft.

Als de wetgever van oordeel is dat ook bij lege boedels een dergelijke onafhankelijke controle moet plaatsvinden en dat de curator daarvoor de geschikte actor is, dan hebben dergelijke dossiers wel degelijk een plaats binnen het faillissement en is ook een gegarandeerde basisvergoeding te verantwoorden.

Maar wie hoort voor die controle te betalen?

Een andere vraag is wie de kost van die controlefunctie uiteindelijk moet dragen.

Dat de Belgische Staat tussenkomt, is op zichzelf verdedigbaar wanneer bepaalde curatorwerkzaamheden vooral een maatschappelijk controlebelang dienen. Maar het huidige model roept ook vragen op. Voor zover curatorvergoedingen tevens door andere dossiers (rijkere boedels) worden gedragen, financieren schuldeisers daar indirect de werking van het systeem. En vooral valt op dat net de bestuurders van leeg achtergelaten boedels niet (noodzakelijk) bijdragen aan de kost van het curatoronderzoek.

Een essentiële ontbrekende schakel is evenwel dat we voorlopig de maatschappelijke opbrengst van de controlefunctie niet kennen. Mijn kostenonderzoek meet welke werkzaamheden worden verricht en wat zij kosten, maar niet hoeveel onregelmatigheden worden ontdekt, hoeveel aansprakelijkheidsvorderingen worden ingesteld, hoeveel activa daardoor worden gerecupereerd, hoeveel strafrechtelijke meldingen volgen of welk preventief effect de controle heeft. Dat is een belangrijke piste voor verder empirisch onderzoek.

Gerechtelijke ontbinding: goedkoper, maar wanneer?

Die onzekerheid maakt ook duidelijk waarom voorzichtig moet worden omgesprongen met de gerechtelijke ontbinding in faillissementstoestand.[7]

Het zou bijzonder interessant zijn om te weten hoe vaak artikel XX.100 WER daadwerkelijk wordt gebruikt als alternatief voor een faillissement. Net daar loopt de parlementaire vraag echter ‘vast’ op een gebrek aan gegevens. Volgens het antwoord is het “wegens de huidige staat van de statistieken en het beschikbare detailniveau” niet mogelijk betrouwbare cijfers te geven over het aantal verzoeken of inwilligingen.

Een dergelijk gegevensgebrek is jammerlijk. Een recent Graydon-rapport toont wel dat de gerechtelijke ontbinding als algemene procedure een hoge vlucht heeft genomen: van 979 uitspraken in 2018 naar 5.329 in 2024 en 4.714 in 2025.[8]

Natuurlijke personen

Bij natuurlijke personen-ondernemers is het aandeel faillissementen dat wordt afgesloten wegens ontoereikend actief nog iets hoger (57,86%) dan in de algemene cijfers en bij rechtspersonen. Hoewel natuurlijke personen in absolute aantallen een veel kleinere groep vertegenwoordigen, is de legeboedelproblematiek er proportioneel duidelijk nog uitgesprokener.

Rol van kwijtschelding

Bij natuurlijke personen ligt de functie van het faillissement deels anders. Zij verdwijnen na de sluiting niet uit het rechtsverkeer, maar de afsluiting van het faillissement gaat in beginsel gepaard met de kwijtschelding van hun restschulden (art. XX.173 WER). Naar Belgisch recht is de fresh start van de natuurlijke persoon-ondernemer daardoor rechtstreeks in de faillissementsprocedure ingebouwd. Het faillissement krijgt voor natuurlijke personen daardoor een hybride karakter. Het is niet alleen een liquidatieprocedure waarin het bestaande vermogen wordt afgewikkeld, maar tegelijk de ‘toegangspoort’ tot schuldbevrijding en een nieuwe start. De geringe omvang van het aanwezige vermogen maakt die tweede functie niet minder relevant – integendeel.

Waar de controlefunctie bij rechtspersonen vooral retrospectief is, zou deze voor natuurlijke personen eerder toekomstgericht moeten zijn, met name gericht op de vraag of er reële aflossingscapaciteit bestaat. Dat het Belgische faillissementsrecht daarbij van de natuurlijke persoon-ondernemer geen enkele bijdrage verwacht vanuit zijn toekomstige inkomsten[9], is op zich opmerkelijk en contrasteert niet alleen met de consument, maar ook met Nederland en Duitsland.

Nederland organiseert de ‘schone lei’ via de afzonderlijke Wsnp, die voor natuurlijke personen een gestandaardiseerd saneringstraject vormt. Daar moeten ook inkomsten boven het vrij te laten bedrag ten behoeve van schuldeisers worden afgedragen (achttien maanden). Duitsland koppelt de Restschuldbefreiung aan de insolventieprocedure, maar laat na de liquidatiefase eveneens een periode van inkomstenafdracht doorlopen (drie jaar). In beide systemen staat dus niet alleen het reeds aanwezige vermogen, maar ook de toekomstige aflossingscapaciteit gedurende een begrensde periode centraal.

De recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof toont bovendien een nadeel van de zeer nauwe koppeling tussen faillissement(safsluiting) en kwijtschelding. In arrest nr. 55/2026 oordeelde het Hof dat een gefailleerde niet noodzakelijk tot de formele sluiting mag blijven wachten wanneer de termijn waarbinnen nog weigering van de kwijtschelding kan worden gevorderd reeds verstreken is. Dit arrest illustreert dat beide functies niet noodzakelijk hetzelfde tijdspad hoeven te volgen.

Een mogelijke hervormingsrichting is daarom om de liquidatie van het bestaande vermogen en het traject naar kwijtschelding conceptueel sterker van elkaar te onderscheiden. Het faillissement kan dan doen waarvoor een faillissement in de eerste plaats geschikt is (d.i. activa lokaliseren, controleren en vereffenen), terwijl de kwijtschelding volgens een afzonderlijke, wettelijk genormeerde saneringslogica kan verlopen.

Ook relevant voor de consument

De problematiek van schuldenaren zonder betekenisvol vermogen of aflossingscapaciteit is uiteraard niet beperkt tot ondernemers. Natuurlijke personen die geen ondernemer zijn, vallen in België onder de collectieve schuldenregeling. Die procedure gaat uit van een (minnelijke) aanzuiveringsregeling.

Mijn empirisch onderzoek naar 118 minnelijke aanzuiveringsregelingen bij de arbeidsrechtbank Gent maakt de heterogeniteit van deze dossiers zichtbaar. Van de 78 regelmatig beëindigde regelingen duurden 32 dossiers zeven jaar of langer. Slechts één van die 32 leidde tot volledige terugbetaling. In 11 van de 78 beëindigde regelingen (14,1%) lag de gemiddelde jaarlijkse vergoeding van de schuldbemiddelaar zelfs hoger dan het gemiddelde jaarlijkse bedrag dat aan de schuldeisers werd uitgekeerd.

Naar een uniforme(re) kwijtscheldingslogica

Het lijkt mij weinig overtuigend om de kwijtschelding van natuurlijke personen fundamenteel verschillend te blijven organiseren louter naargelang zij op het relevante ogenblik al dan niet ondernemer zijn.

Een uniformere kwijtscheldingslogica betekent niet dat ondernemers en consumenten noodzakelijk in exact dezelfde insolventieprocedure moeten worden ondergebracht. Evenmin betekent zij onmiddellijke of onvoorwaardelijke kwijtschelding. Wel zouden voor alle natuurlijke personen dezelfde fundamentele parameters kunnen gelden: structurele insolventie, eerlijke en loyale medewerking, correcte informatieverstrekking, bescherming van een menswaardig bestaansminimum en een redelijke bijdrage uit de reële aflossingscapaciteit gedurende een beperkte, wettelijk genormeerde periode.

Onder andere deze vraagstukken komen aan bod in mijn proefschrift “Het toepassingsgebied van Belgische insolventieprocedures getoetst aan hun doelstellingen en kenmerken. Een juridisch en empirisch onderzoek”. De publieke verdediging gaat door op donderdag 24 september 2026 (om 17 uur in de Foyer van NTGent). Inschrijven kan hier.

Gauthier Vandenbossche


[1] Een belangrijke nuance is dat “ontoereikend actief” niet hetzelfde betekent als “geen actief”. Ook een boedel waarin nog bepaalde activa (potentieel) aanwezig of gerealiseerd zijn, kan ontoereikend zijn zodra die middelen onvoldoende zijn om de vermoedelijke beheers- en vereffeningskosten te dragen. In mijn onderzoek gebruik ik daarom ook een enger begrip van de lege boedel: de categorie waarin zelfs het wettelijke forfaitaire ereloon van de curator niet uit de netto-opbrengst kan worden gefinancierd en de bijzondere forfaitaire vergoedingsregeling speelt.

[2] MvT, wetsvoorstel houdende diverse wijzigingen inzake insolventie van ondernemingen, Parl.St. Kamer 2020- 21, nr. 55-1591/001, 4.

[3] Zie https://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=qrva&language=nl&cfm=qrvaXml.cfm?legislat=56&dossierID=56-Bxxx-1446-1184-2025202611041.xml. De statistieken zijn gebaseerd op een data-extractie van 20 juni 2026. Het jaar 2026 betreft bijgevolg geen volledig kalenderjaar. De aantallen “afgesloten wegens ontoereikend actief” omvatten zowel afsluitingen op grond van art. XX.135 WER als dossiers die nog op grond van de vroegere Faillissementswet werden afgesloten. Volgens het antwoord zijn de statistieken afkomstig uit de gegevens ingevoerd in EEOU (TCKH); de cel Statistieken ontvangt geen gegevens uit RegSol.

[4] Tijdens deze periode werden er ook nog faillissementen afgesloten wegens ontoereikend actief op basis van de Fw.

[5] Zie MvT, Wetsontwerp omzetting Insolventierichtlijn, KAMER, 2022-2023, 20 maart

2023, nr. 55-3231/001, 10. Zie ook Verslag van de eerste lezing, Wetsontwerp omzetting Insolventierichtlijn,

KAMER, 2022- 2023, 27 april 2023, nr. 55-3231/004, 34.

[6] Voorzichtigheid blijft wel nodig: het antwoord spreekt over overschrijvingen, zodat zonder bijkomende gegevens niet kan worden aangenomen dat elke overschrijving met exact één uniek faillissementsdossier overeenstemt.

[7] Sinds 1 september 2023 kan een rechtspersoon die aan de faillissementsvoorwaarden voldoet onder de voorwaarden van artikel XX.100 WER gerechtelijk worden ontbonden in plaats van failliet te worden verklaard. De rechtbank spreekt de ontbinding uit wanneer geen significante activa voorhanden zijn en het algemeen belang dat vereist. Er wordt dan geen klassieke faillissementsprocedure geopend en dus ook geen curator aangesteld om het gebruikelijke faillissementsonderzoek te voeren.

[8] Dat rapport kan de ontbrekende statistieken over artikel XX.100 WER evenwel niet vervangen. Niet elke gerechtelijke ontbinding betreft immers een insolvente vennootschap of toepassing van artikel XX.100.

[9] Opbrengsten van bijvoorbeeld arbeidsprestaties geleverd na de opening van het faillissement blijven buiten de boedel, zie ook Cass. 31 maart 2022, AR C.21.0160.N.

Continue reading “Meer dan de helft van de faillissementen eindigt met ontoereikend actief: nieuwe cijfers over lege boedels”