De stichting: het ideale middel om goederen te ‘beschermen’ tegen schuldeisers?

Hoge Raad brengt in herinnering hoe een stichting gebruikt kan worden om schuldeisers te benadelen.  

Een stichting laat toe om een goed in een afgescheiden vermogen onder te brengen. Dat impliceert dat de schuldeisers van de begunstigden van de stichting de stichtingsgoederen niet kunnen uitwinnen. Evenmin hebben ze makkelijke opties om het stichtingsvermogen open te breken door een ontbindingsvordering.

Dat nijpt vooral indien de ‘inbrenger’ van de goederen ook  de controle heeft over deze goederen (als bestuurder of op een andere wijze) en bovendien ook nog eens de begunstigde is van de stichting. De achterman van de stichting heeft dan de voordelen van het vermogen zonder de nadelen. Net zoals een eigenaar kan hij het economisch voordeel plukken (als begunstigde) en heeft hij zeggingschap (als bestuurder). Anders dan een eigenaar is hij echter niet aansprakelijk en strekken de goederen niet tot verhaal van zijn schuldeisers.

Een arrest van Nederlandse Hoge Raad van 7 oktober 2016 geeft een voorbeeld van zo’n situatie. Een villa werd door een natuurlijke persoon om niet ingebracht in een stichting naar het recht van Sint-Maarten. Die overdracht gebeurde op een ogenblik dat een zware claim boven het hoofd van de natuurlijke persoon hing. Die natuurlijke persoon had feitelijk ook de volledige zeggingschap over de stichting.  Het stichtingsdoel bestond uit het beheren van de villa in het belang van de natuurlijke persoon.

De Hoge Raad wijst een brute vereenzelviging tussen de natuurlijke persoon en de stichting af. Dit gaat immers verder dan nodig is om de schuldeisers te herstellen in hun verhaalsbenadeling. Dit gaat beter door middel van de actio pauliana, door een vordering op grond van verrijking zonder oorzaak of door een onrechtmatige daadsvordering tegen de stichting zelf of haar bestuurders. Het oogmerk van de natuurlijk persoon die de stichting feitelijk beheerst wordt daarbij makkelijk toegerekend aan de stichting zelf. De Hoge Raad overweegt daarbij o.m. dat :

“De omstandigheid dat de verrijking van een rechtspersoon haar oorzaak vindt in een handelwijze die valt binnen de grenzen van de doelomschrijving van die rechtspersoon, welke doelomschrijving op zichzelf niet verboden, onbehoorlijk of ongebruikelijk is, is – ook bij een stichting particulier fonds – niet onverenigbaar met het oordeel dat die verrijking ongerechtvaardigd is.”

Dit is ook belangrijk voor de Belgische praktijk. Dat een stichting opereert in overeenstemming met de Verenigingen & Stichtingen Wet of fiscale regels, vormt géén waterdicht verweer tegen schuldeisers die claimen in hun verhaalsbelangen te zijn benadeeld.

Dat een stichting opereert in overeenstemming met de Verenigingen & Stichtingen Wet of fiscale regels, vormt géén waterdicht verweer tegen schuldeisers die claimen in hun verhaalsbelangen te zijn benadeeld. 

Dit is geen theoretisch probleem. Art. 27 V&S-Wet laat uitkeringen toe voor zover die kaderen in de verwezenlijking van het belangeloos doel.  “Belangeloos” werd in de parlementair voorbereiding echter dusdanig uitgerekt dat elke stichting, ook één die werd opgericht in het belang van de stichter zelf of van een kleine kring rond hem, eronder valt.

De praktijk heeft dankbaar van deze mogelijkheid gebruik gemaakt voor stichtingen in het kader van estate planning. Bij die laatste verschijningsvorm van stichtingen zien we typisch een gemengd doel in de statuten. Er is een eerste reeks doelstellingen die duidelijk ideëel zijn. Cosmetisch staan deze ideële doelstellingen voorop; in de praktijk gelden er strenge kwantitatieve limieten aan wat aan deze doelstellingen kan worden besteed. Daarnaast bestaat de doelstelling erin om door uitkeringen in het levensonderhoud te voorzien van met naam geïdentificeerde personen, zéér vermoedelijk descendenten van de stichter. Daarbij wordt zorg gedragen deze uitkeringen omstandig op te sommen, op dusdanige wijze dat nagenoeg elke mogelijk uitgave eronder kan vallen, zelfs bij een wat bovengemiddelde train de vie. Typische voorbeelden zijn: huishoudelijke hulp ter beschikking stellen in de meest ruime zin van het woord, bv. de terbeschikkingstelling van een schoonmaker, van één of meerdere tuinmannen, van een dienster of butler, van een conciërge, van een klusjesman; het materiële onderhoud van woning en tuin; sociale activiteiten van de familieleden bevorderen door het bekostigen van bijvoorbeeld: bezoeken aan musea, groepsreizen en individuele reizen, lidmaatschap van verenigingen en kringen, familiefeesten, enz.; ter beschikking stelling van een woning, een personenwagen of enig ander vervoermiddel…

Bij het ideële karakter van die laatste reeks doelstellingen kunnen vragen worden gesteld. Het schoolvoorbeeld van een stichtingsdoel in de doctrine is het kind met een handicap. Het verwende kind komt in de werkelijkheid als stichtingsdoel echter significant meer voor.

Het arrest van de Hoge Raad brengt in herinnering hoe zo’n familie- of patrimoniumstichting gebruikt kan worden om schuldeisers te benadelen.

Èn dat er buiten het stichtingsrecht middelen bestaan voor schuldeisers om tegen zo’n benadeling op te komen.

Deze post is gedeeltelijk gebaseerd op J. Vananroye, “Le bel excès: een voorstel voor hervorming van het recht voor VZW’s en stichtingen met minder regels en een strengere handhaving “, TRV 2015, 275 e.v.

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s