De advocaat van de curator : een keuze onder dubbel toezicht

Een post door gastblogger Dr. Sven Sobrie

Iedereen is vrij om zijn verweer in rechte naar eigen goeddunken te organiseren. Die vrijheid omvat onder meer de vrije keuze van advocaat en de vrije keuze om überhaupt een advocaat onder de arm te nemen. Terwijl ook de faillissementscurator in beginsel van deze keuzevrijheid geniet, worden de keuzes die hij maakt wel nauwlettend in het oog gehouden. Hij zal zich tweemaal moeten verantwoorden.

De  eerste controlepost is de rechter-commissaris. Hij is belast met het algemeen toezicht op het beheer van de boedel door de curator. Wanneer de curator op kosten van de boedel een beroep wil doen op de diensten van een externe deskundige, dient hij zich daartoe door de rechter-commissaris te laten machtigen. Het gaat dan om gespecialiseerde prestaties die de curator niet zelf kan realiseren of die niet gewoonlijk deel uitmaken van zijn takenpakket. De rechter-commissaris neemt dienaangaande een beslissing bij beschikking, die in het faillissementsdossier wordt gevoegd. Hij zal zijn beslissing laten afhangen van de mate waarin het beroep op de derde, en de daarmee gepaard gaande kost, verantwoord is. Op die manier wordt vermeden dat de curator bepaalde kosten via ‘outsourcing’ afwentelt op de boedel, terwijl die kosten c.q. prestaties eigenlijk in zijn ereloonforfait begrepen zijn. Bij een weigering door de rechter-commissaris staat het de curator nog steeds vrij om op de diensten van de derde een beroep te doen, maar dan zal hij dat met eigen middelen moeten financieren.

Wanneer aldus het faillissement vanuit juridisch oogpunt weinig complex is, zal de curator (die zelf advocaat is en dus weet hoe hij een procedure moet voeren) in de regel geen toelating krijgen om op kosten van de boedel een externe advocaat in te schakelen. Ook wanneer de curator een beroep wil doen op een confrater van het eigen kantoor, zal in principe geen machtiging worden verleend, en dat overigens ongeacht diens expertise en ongeacht de complexiteit van het dossier. Immers, de kosten van de medewerkers van de curator worden geacht inbegrepen te zijn in diens forfaitaire ereloon, zodat die kosten niet afzonderlijk moeten worden vergoed. Een kantoorgenoot van de curator is geen ‘derde’, maar een ‘medewerker’. Zijn honorarium kan dus nooit ten laste van de boedel komen, net zomin als pakweg de loonkost van het secretariaatspersoneel van de curator. Daarmee worden ook deontologische problemen vermeden. Wanneer een curator de omzet van zijn kantoor(genoten) zou kunnen verhogen op kosten van de boedels die hij beheert, loert het belangenconflict om de hoek.

Naast deze a priori controle door de rechter-commissaris, wordt de keuze van advocaat ook a posteriori gecontroleerd door de casusrechter. Dat gebeurt via de rechtsplegingsvergoeding (RPV). Indien de tussenkomst van de advocaat niet noodzakelijk was in het licht van de complexiteit van het concrete dossier, dan zal de casusrechter geen RPV toekennen aan de curator, ook al wordt hij in het gelijk gesteld. Deze praktijk heeft geen wettelijke basis – zij is zelfs contra legem, gelet op de duidelijke tekst van art. 1022 Ger.W. – maar wordt door het Hof van Cassatie onderschreven. De curator moet, wanneer hij aanspraak wil maken op een RPV, de casusrechter ervan overtuigen dat “het specifieke karakter van de materie of van de rechtspleging bijzondere deskundigheid en, bijgevolg, een beroep op een gespecialiseerd advocaat vereisen”.

Waarom deze tweede controle a posteriori, die grotendeels neerkomt op dezelfde toetsing als die door de rechter-commissaris? De reden is gelegen in een onwelvoeglijke praktijk die was ontstaan, waarbij curatoren een kantoorgenoot louter in naam lieten opdraven als ‘raadsman’ in een procedure. Dat gebeurde weliswaar zonder machtiging van de rechter-commissaris (cfr. supra), maar dat was geen punt: de kantoorgenoot kostte de curator toch niets – hij was een loutere stroman – en zorgde voor easy money in de vorm van een RPV. Die RPV werd dan door de curator en zijn confrater netjes onder elkaar verdeeld, met de tegenpartij als kind van de rekening. Dat was natuurlijk niet de bedoeling.

De controle a posteriori via de rechtsplegingsvergoeding is erop gericht dergelijke misbruiken tegen te gaan. Gelet op deze ratio mag er dan ook van worden uitgegaan dat, als er wél een a priori toetsing is gebeurd (machtiging van de rechter-commissaris), de casusrechter a posteriori geen probleem zal maken van de RPV. Niet enkel omdat hij daarmee in het vaarwater zou komen van zijn collega-rechter, maar ook omdat hij daarmee niet de curator treft doch wel de boedel. Eens de rechter-commissaris machtiging heeft verleend, vallen de kosten van de advocaat immers hoe dan ook ten laste van de boedel. De boedel heeft er dan alle belang bij dat er een RPV wordt toegekend als gedeeltelijke delging van die kosten, ook wanneer (en net dan!) die kosten bij nader inzien niet verantwoord waren in het licht van de complexiteit van het dossier.

We kunnen besluiten: wanneer de faillissementscurator een beroep wil doen op een confrater, denkt hij daar best tweemaal over na. Hij wordt er in elk geval tweemaal op gecontroleerd.

De auteur schreef meer over dit onderwerp in S. Sobrie, Procederen qualitate qua (Intersentia),  en in B. Van Den Bergh en S. Sobrie, De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten (Kluwer).

Sven Sobrie
Advocaat Omega Law
Research fellow Leuven Centre for Public Law

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

One thought on “De advocaat van de curator : een keuze onder dubbel toezicht”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s