Ook paulianeuze onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens faillissement valt onder Brussel I-verordening

Conclusie van AG Bobek in de zaak C‑535/17

Op 18 oktober 2018 concludeerde de advocaat-generaal van het Hof van Justitie dat de Nederlandse Peeters/Gatzen-vordering, ingesteld in een geschil met een Belgische verweerder onder het toepassingsgebied van de Brussel I-verordening valt en dus niet onder de Insolventieverordening. Dit zou impliceren dat de rechterlijke bevoegdheid inzake de onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens een faillissementsprocedure beheerst wordt door de regels van de Brussel I-verordening, die als centraal uitgangspunt de bevoegdheid van de lidstaat van de verweerder hanteert,  en dus niet door het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend.

De Peeters/Gatzen-vordering komt grosso modo overeen met de Belgisch vordering tot vergoeding van collectieve schade.

De curator van een failliete Nederlandse gerechtsdeurwaarder en diens eveneens failliete kantoor (ondergebracht in een BV) vorderde de veroordeling van een Belgische bank tot betaling van een bedrag dat de deurwaarder vóór faillissement had opgenomen van een Belgische bankrekening van de BV. De curator meende dat de bank onrechtmatig handelde jegens de gezamenlijke schuldeisers door “zonder slag of stoot” en zonder te voldoen aan haar wettelijke verplichtingen, mee te werken aan de geldopnames waardoor de schuldeisers schade hebben geleden.

De zaak kwam uiteindelijk bij de Hoge Raad terecht. De Belgische bank argumenteerde dat de door de curator ingestelde vordering wordt beheerst door de Brussel I-verordening en niet onder de Insolventieverordening valt, omdat die vordering haar grondslag vindt in de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en niet rechtstreeks voortvloeit uit de specifieke, afwijkende regels voor faillissementsprocedures. De curator betwistte dat.

Prejudiciële vragen

De Hoge Raad legde de kwestie  voor aan het Hof van Justitie:

  1. Valt een vordering tot schadevergoeding die de curator namens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde instelt tegen een derde, op de grond dat deze derde jegens de schuldeisers onrechtmatig heeft gehandeld, onder de uitzondering van art.1, lid 2 b) Brussel-I Verordening?
  2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, wordt deze vordering dan beheerst door het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend krachtens art. 4, lid 1 Insolventieverordening, zowel wat betreft de bevoegdheid van de curator tot het instellen van deze vordering als wat betreft het op deze vordering toepasselijke materiële recht?

Kenmerken Peeters/Gatzen-vordering

In geval van benadeling van de schuldeisers door de gefailleerde voorafgaand aan het faillissement, is een curator bevoegd op te komen voor het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Volgens de Hoge Raad kan de curator ook een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad instellen tegen een derde die bij die benadeling betrokken was, ook al kwam een dergelijke vordering niet aan de gefailleerde zelf toe (arrest van 14 januari 1983, Peeters q.q./Gatzen). Dit type vordering staat in Nederland daarom bekend als de Peeters/Gatzen-vordering (hierna: PGV). Net als bij de faillissementspauliana valt de opbrengst van de PGV in de failliete boedel.

De curator ontleent zijn bevoegdheid tot het geldend maken de PGV aan zijn wettelijke opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel (art. 68, lid 1 Nederlandse Faillissementswet). Die bevoegdheid staat er niet aan in de weg dat individuele schuldeisers zelf een vordering in onrechtmatige daad instellen. Het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement kan niettemin meebrengen dat indien de curator (op grond van hetzelfde feitencomplex) een vordering instelt tegen de derde, eerst op deze vordering en vervolgens op die van de individuele schuldeiser wordt beslist.

Bij de beoordeling van de door de curator ingestelde vordering is er geen plaats voor een onderzoek naar de individuele positie van de schuldeisers: vooreerst gaat het om het herstel van de schade die de schuldeisers gezamenlijk hebben geleden. Voorts wettigt het collectieve belang dat de curator beoogt te beschermen dat de derde in zo’n geval geen gebruik kan maken van alle verweren die hem wellicht tegenover bepaalde individuele schuldeisers wel ten dienste zouden hebben gestaan.

De bevoegdheid van de curator ziet meer in het algemeen op de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers door de onrechtmatige daad van een derde die bij die benadeling betrokken is geweest. Het succes van de PGV staat los van het feit dat de derde de benadeling heeft veroorzaakt of daaruit voordeel heeft gehaald; Het volstaat dat de derde de schade van de gemeenschappelijke schuldeisers had kunnen voorkomen.

Conclusie advocaat-generaal

De advocaat generaal wijst er om te beginnen op dat inzake de uitsluiting vervat in art. 1, lid 2, b) van de Brussel I-verordening, het Hof van Justitie in het verleden consequent heeft geoordeeld dat alleen vorderingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen buiten het toepassingsgebied van de Brussel I-verordening vallen. Alleen die vorderingen vallen derhalve binnen het toepassingsgebied van de Insolventieverordening.

Na toepassing van die criteria op de belangrijkste kenmerken van de PGV, meent de advocaat-generaal dat dit een vordering uit onrechtmatige daad is en derhalve niet onder de uitzondering valt van art. 1, lid 2, b) van de Brussel I-verordening. Kortom, de PGV valt binnen het toepassingsgebied van Brussel I. Hieronder de voornaamste grondslagen waarop die conclusie is gebaseerd:

1- Ofschoon de PGV bepaalde voor insolventie specifieke kenmerken vertoont, blijft het een feit dat zij voortvloeit uit een onrechtmatige daad.

2- De omstandigheid dat de curator die bevoegdheid ontleent aan nationale faillissementswetgeving en het gegeven dat de opbrengst van de vordering in de boedel valt, zijn op zichzelf niet doorslaggevend, aangezien dat ertoe zou leiden dat de Insolventieverordening van toepassing is op vrijwel alle vorderingen die door een curator worden ingesteld.

3- Het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement kan meebrengen dat eerst op de PGV wordt beslist in geval van samenloop met een individuele onrechtmatige daadsvordering ingesteld door een schuldeiser. Uit dit element blijkt volgens de advocaat-generaal inderdaad een samenhang tussen dit specifieke type vordering en de insolventieprocedure, aangezien de (mogelijke) voorkeursbehandeling van de PGV haar grondslag zou vinden in het bestaan van die procedure. Toch lijkt de samenhang niet zo nauw dat dit de beoordeling aan de hand van de aard van de vordering terzijde kan stellen, omdat de voorkeursbehandeling niet automatisch lijkt te worden toegekend (de Hoge raad oordeelde immers dat het noodzakelijk “kan” zijn dat eerst op de PGV wordt beslist)

4- Het feit dat de derde tegenover de curator geen gebruik kan maken van alle verweermiddelen die hij wellicht tegenover bepaalde schuldeisers wel had kunnen inroepen, vloeit volgens de advocaat-generaal eerder voort uit de collectieve aard van de PGV dan uit de samenhang met de insolventieprocedures.

Omdat het antwoord op de eerste vraag negatief is, hoeft de advocaat-generaal de volgende vragen van de Hoge Raad niet te beantwoorden. Maar voor het geval het Hof van Justitie de eerste vraag toch positief zou beantwoorden, gaat hij ook in op de tweede vraag naar het toepasselijke recht. In dat verband stelt hij dat art. 3 en 4 van de Insolventieverordening in hun onderlinge samenhang, als algemene regel, gelijkheid van forum (internationaal bevoegde rechterlijke instantie) en ius (toepasselijk recht) beogen. De advocaat-generaal verwijst daarvoor naar overweging 17 van het Kornhaas-arrest van 10 december 2015 (C‑594/14, EU:C:2015:806). Hij voegt er tot slot aan toe dat de Insolventieverordening geen uitzonderingsbepaling bevat die zou kunnen rechtvaardigen dat ten gronde ander recht dan de lex concursus zou worden toegepast op een vordering als de PGV, mocht een dergelijke vordering worden beheerst door de Insolventieverordening.

Besluit

Het zou verbazen indien het Hof van Justitie dat (sterk onderbouwde) advies niet volgt. Hoewel het in deze zaak een aansprakelijkheidsvordering naar Nederlands recht betreft, zal de uitspraak van het Hof wellicht ook op veel belangstelling van Belgische curatoren kunnen rekenen. Ook het Belgische Hof van Cassatie aanvaardt immers dat de curator een paulianeus geïnspireerde onrechtmatige daadsvordering kan instellen voor (verhaals)benadeling van de gezamenlijke schuldeisers, al lijkt die bij ons minder geproblematiseerd te zijn dan in Nederland.[1]

Roel Verheyden

 

[1] Zie daarover J. VANANROYE, G. LINDEMANS & R. VERHEYDEN, “Vorderingen tot reconstructie van de boedel: (bestuurs)aansprakelijkheid en actio pauliana” in Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen, IV, Antwerpen, Intersentia, 2017, (111) 134 e.v.

One thought on “Ook paulianeuze onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens faillissement valt onder Brussel I-verordening”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s