De bescherming van de rechten van de mens door een rechtspersoon: een nieuwe rechtsvordering in het collectief belang

Art. 17 Ger.W. gewijzigd en de rechtsvorderingen ter bescherming van collectieve belangen op mekaar afgestemd

Artikel 137 van de Wet van 21 december 2018  houdende diverse bepalingen betreffende justitie (Staatsblad 31 december 2018) vult artikel 17 van het Ger.W. (vereiste van hoedanigheid en belang)  aan met de volgende alinea:

“De rechtsvordering van een rechtspersoon, die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, is eveneens ontvankelijk onder de volgende voorwaarden:
1° het maatschappelijk doel van de rechtspersoon is van bijzondere aard, onderscheiden van het nastreven van het algemeen belang;
2° de rechtspersoon streeft op duurzame en effectieve wijze dit maatschappelijk doel na;
3° de rechtspersoon treedt op in rechte in het kader van dat maatschappelijk doel, met het oog op de verdediging van een belang dat verband houdt met dat doel;
4° de rechtspersoon streeft met zijn rechtsvordering louter een collectief belang na.”

Deze bepaling is geïnspireerd op gelijkaardige vorderingsbevoegdheden in o.m. de Wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden en de Wet an 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu (zie meer bij K. Geens, M Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, “Vennootschappen. Overzicht van rechtspraak (1992-98)”, TPR 2000, p. 206-212).

De Wet van 21 december 2018 past overigens ook deze en andere wettelijke bepalingen aan i.v.m. het vorderingsrecht van rechtspersonen met betrekking tot een belang dat niet hun eigen belang is in de zin van art. 17 al. 1 Ger.W.  De bedoeling is een “gemeenrechtelijk regime van vordering ter bescherming van collectieve belangen.” Daarmee wordt bedoeld dat de regels op mekaar worden afgestemd. Een gemeen recht in de formele zin is er met de nieuwe regels niet.

Deze vorderingen wijken af van de gewone regels waarbij het belang van een  rechtspersoon alleen datgene omvat wat zijn bestaan, zijn materiële goederen en morele rechten inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam raakt. Het enkele feit dat een rechtspersoon of een natuurlijke persoon een doel, ook al is het statutair, nastreeft, doet geen eigen belang doet ontstaan (Cass. 19 september 1996).

De Memorie van Toelichting stelt hierover:

“Deze Titel heeft tot doel de wijziging van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek en van bijzondere wetten om een gemeenrechtelijk regime van vordering ter verdediging van collectieve belangen op te richten met het oog om tegemoet te komen een arrest van het Grondwettelijk Hof nr 133/2013 van 10 oktober 2013. Volgens het Hof wordt een rechtspersoon die een gerechtelijke vordering instelt die overeenstemt met een van zijn statutaire doelen, om een einde te maken aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM, die onontvankelijk wordt verklaard omdat zij geen betrekking heeft op het bestaan van de rechtspersoon, de vermogensgoederen of de morele rechten ervan, gediscrimineerd ten opzichte van verenigingen die een beroep kunnen doen op de bijzondere wetgeving inzake kansengelijkheid en de bestrijding van xenofobie en racisme. Het Hof oordeelde als volgt: “Het komt echter aan de wetgever toe te preciseren onder welke voorwaarden een vorderingsrecht kan worden toegekend aan de rechtspersonen die een vordering wensen in te stellen die overeenstemt met hun statutair doel en de bescherming beoogt van de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale Verdragen waarbij België partij is.” (GwH, 10 oktober 2013, nr.°133/2013, § B.11).”

Zie over deze nieuwe bepaling o.a. de interventie van Professor Benoît Allemeersch (KU Leuven), expert in de Kamercommissie Justitie (hier, p. 106-110). Hij maakt daarin o.a. duidelijk dat deze bepaling ook toelaat om een schadevergoeding te vorderen.

Elders hebben we geargumenteerd dat een schadevergoeding, andere dan een louter symbolische, bij een vordering tot verdediging van collectieve belangen problematisch is (TPR 2000, 211-212, nr.  132). Minstens heeft zulke schadevergoeding een andere doelstelling en aard dan de klassieke schadevergoeding uit het private aansprakelijkheidsrecht:

“Neem b.v. een V.Z.W die zich tot doel stelt om de belangen van gevangenen te verdedigen en die een schadevergoedingsvordering instelt de de Belgische Staat wegens de onrechtmatige toestand waarin gevangenen zich bevinden. Aan wie dient deze schadevergoedingsvordering toe te komen indien de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard? De schadelijders zijn uiteraard de gevangenen, niet de vereniging die geen eigen recht heeft. De vergoeding haart daarom niet thuis in het vermogen van de vereniging, terwijl zijn nochtans, als partij in eigen naam, de enige executiegerechtigde zal zijn. Het is niet meteen duidelijk hoe het technisch te realiseren valt het procesrechtelijke voordeel van de vordering over te maken aan de werkelijke schadelijders en hoe zij daarbij ingedekt kunnen worden tegen de insolvabiliteit van de vereniging.” (TPR 2000, 2, nr. 125)

Het probleem van de allocatie van een schadevergoeding stelt zich niet indien het voorwerp van de vordering strekt het bekomen van een declaratoir of constitutief vonnis, of een vonnis dat een bevel of een verbod inhoudt (TPR 2000, 208, nr. 127).

*  *  *

Ook nog dit. Het vereiste van een “eigen belang” als ontvankelijkheidsvereiste is één van de manieren waarop in ons bestel het domein van de rechterlijke macht wordt ingesnoerd ten voordele van de wetgevende. Vooral de rechtspraak en doctrine in de VS brengt standing in verband met de scheiding der machten (zie bv. hier).

De uitbreiding van de actieradius van de rechtelijke macht met betrekking tot mensenrechten is vandaag maatschappelijk minder onomstreden dan vroeger en werd politiek al wel eens een issueHet is in dat licht opmerkelijk dat het wetsontwerp met daarin deze uitbreiding van het ius standi m.b.t. mensenrechten door de Kamer op 20 december 2018  werd goedgekeurd zonder één tegenstem en met slechts vijf onthoudingen.

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s