Experiments

Vertegenwoordiging

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 8: Vertegenwoordiging)

1  Artikel 1.8. In lengte, blijken de berekening van de termijnen en de vertegenwoordiging veruit de belangrijkste bepalingen van het voorgestelde Boek 1 te zijn. Er kan nochtans worden betwijfeld dat de berekening van termijnen en de vertegenwoordiging complexer of belangrijker zijn dan de rechtshandeling, de openbare orde, de wilsuiting en de overige geldigheidsvoorwaarden van rechtshandelingen of het oogmerk om te schaden. Die vaststelling wijst erop dat die kernbegrippen van het (privaat)recht in Boek 1 onderbelicht en onderschat werden.

2.  De driepartijenverhouding. Artikel 1.8 definieert de vertegenwoordiging[1] en maakt treffend het onderscheid tussen de onmiddellijke[2] en de middellijke vertegenwoordiging[3]. De vertegenwoordiging verwijst steeds naar een driepartijenverhouding, terwijl in de voorgestelde definitie enkel naar de vertegenwoordiger en de vertegenwoordigde wordt verwezen. De voorgestelde definitie geeft aan dat de vertegenwoordiger wordt “belast” met het stellen van een rechtshandeling en lijkt zo vooral te verwijzen naar de lastgeving, hoewel de lastgeving slechts één verschijningsvorm is van de onmiddellijke vertegenwoordiging, zoals de toelichting zelf aangeeft[4].

Continue reading “Vertegenwoordiging”

The Proposed Digital Markets Act’s Effect On Free Internet Services

On 15 December 2020, the European Commission (“Commission”) proposed the “Digital Services Package”. This package comprises proposals for two directly effective regulations, namely the (1) Digital Services Act (“DSA”) and (2) the Digital Markets Act (“DMA”).[1] The objective of these regulations is to create a “digital safe space” and “fair online competition” in the EU.

Due to its far-reaching terms, the DMA would likely require changes to the business models of big tech. Mandatory ‘big tech benevolence’ may well benefit “business users”, i.e. people or companies that use platforms to provide goods or services to internet users. Because, as economist Milton Friedman famously stated “there is no such thing as a free lunch,” however, changes in big tech’s business models prompted by the DMA might also affect free internet services.

This blog post presents a preliminary analysis of the DMA’s possible consequences for ‘the internet as we know it,’ i.e., for ‘big tech’, smaller internet-based competitors, and European users. The analysis is based on the DMA as it was proposed by the Commission on 15 December 2020; the scope and content of the DMA could still be amended during the legislative process. In the first part, the main prohibitions, obligations and rights set forth in the DMA, and the revenue impacts thereof for ‘big tech,’ are analyzed. The DMA’s possible consequences for smaller players and European consumers are discussed in part two. In the third part, the concept of ‘data as currency’ is clarified. The final part lays out the conclusions.

Continue reading “The Proposed Digital Markets Act’s Effect On Free Internet Services”

Tijdsbepaling, voorwaarde en termijnen

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 7: Tijdsbepaling, voorwaarde en termijnen)

1 . Artikelen 1.6 en 1.7. Volgens artikel 1.6 kunnen de gevolgen van een rechtshandeling[1] aan een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verbonden, tenzij de wet of haar aard zich daartegen verzet. Artikel 1.7 gaat, gedetailleerd, in op de berekening van termijnen in dagen, uren of maanden.

2.  Tijdsbepaling of voorwaarde. In de toelichting worden de tijdsbepaling en de voorwaarde gedefinieerd. Die definities horen in de voorgestelde wettekst te worden opgenomen. Ook het onderscheid tussen de schorsende en de uitdovende werking van de tijdsbepaling en voorwaarde zou op zijn plaats zijn in artikel 1.6.

Continue reading “Tijdsbepaling, voorwaarde en termijnen”

Een mededeling is nog geen kennisgeving

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 6: Een mededeling is nog geen kennisgeving)

1. Kennisgeving. Artikel 1.5 is een merkwaardige bepaling. In de eerste alinea wordt de kennisgeving gedefinieerd als een mededeling van een beslissing of feit verricht door een persoon aan een of meer bepaalde personen. In de tweede alinea wordt het tijdstip bepaald waarop de kennisgeving de bestemmeling bereikt[1]. De derde alinea gaat in op elektronische kennisgevingen en het tijdstip waarop zij uitwerking hebben.

2. Beslissing of feit. Artikel 1.5 spreekt niet meer over de rechtshandeling, noch over de wilsuiting, maar heeft een veel ruimer spectrum, namelijk dat van de “beslissingen en feiten”. Naar hun extern bestaan, d.w.z. ten overstaan van andere personen dan degene van wie ze uitgaan, zijn rechtshandelingen en wilsuitingen feiten en berusten ze op beslissingen, maar niet alle feiten of beslissingen zijn rechtshandelingen of wilsuitingen.

Uit de voorgestelde wettekst volgt dat de beslissing of het feit niet noodzakelijk moet zijn toe te rekenen aan de persoon, die tot kennisgeving overgaat.

Continue reading “Een mededeling is nog geen kennisgeving”

Alleen op de wereld, de wilsuiting

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 5 Alleen op de wereld, de wilsuiting)

1. Artikel 1.4 is aan de wilsuiting gewijd. Het eerste lid van dit artikel beperkt zich tot de beschrijving van de vorm van de wilsuiting[1]. Het tweede lid verduidelijkt voor het overige dat een wilsuiting mededelingsplichtig is wanneer zij een bepaalde persoon moet bereiken om uitwerking te hebben. Er wordt aan toegevoegd dat zij kan worden ingetrokken zolang zij de bestemmeling niet heeft bereikt.

2. De geldigheidsvoorwaarden van een rechtshandeling. De toelichting verduidelijkt dat deze bepaling “nog enkele preciseringen geeft over de wilsuiting bedoeld in het artikel 1.3[2].

Continue reading “Alleen op de wereld, de wilsuiting”

Ongeoorloofdheid (wordt een) troef

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 4.c : Ongeoorloofdheid (wordt een) troef – zie hier voor afl. 4.a)

10.  Manke transpositie. Met betrekking tot het geldige voorwerp en de geldige oorzaak is vast te stellen dat de opstellers in de toelichting verwijzen naar Boek 5 (verbintenissen) dat, in zijn huidige stand, betrekking heeft op het contract en op de eenzijdige rechtshandeling (art. 5.125 en 5.126).[1] Het artikel 5.126 van Boek 5 bepaalt dat “elke eenzijdige rechtshandeling (…) onderworpen [is] aan de regels die er eigen aan zijn en, voor zover deze niet ervan afwijken, aan de regels die toepasselijk zijn op de contracten en aan het algemeen regime van de verbintenis”.

De vraag is dus of de rechtshandeling op het vlak van haar voorwerp en oorzaak en hun (on)geoorloofdheid enkel onderworpen is aan de regels die eigen zijn aan de rechtshandeling, dan wel of de rechtshandeling op dit vlak ook onderworpen is aan de regels die toepasselijk zijn op de contracten en aan het algemeen regime van de verbintenis.

In de toelichting bij artikel 1.3, betogen de opstellers dat de regels inzake voorwerp, oorzaak en hun geoorloofdheid met betrekking tot “contracten” ook op rechtshandelingen toepasselijk zijn.[2]

Hun bewering is echter wankel.

Continue reading “Ongeoorloofdheid (wordt een) troef”

Weg met de wettelijke openbare orde, leve de jurisprudentiële openbare orde!

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 4.b : Weg met de wettelijke openbare orde, leve de jurisprudentiële openbare orde! – zie hier voor afl. 4.a)

6.  De recente geschiedenis van de openbare orde. Zowel voor de opstellers van het Burgerlijk Wetboek in 1804[1], als voor Laurent, de vooraanstaande 19e eeuwse privatist[2], waren de wet en de openbare orde kernbegrippen. Zij lieten er niet de minste twijfel over bestaan dat de openbare orde verwijst naar de ordening door de wetgever van het samenlevingsverband, die door de toepassing van de uitgevaardigde wetten wordt bereikt. Wetten, het verzekeren van hun naleving en openbare orde gaan hand in hand: het zijn communicerende vaten. Daarom staat artikel 2 (voormalig artikel 6) oud BW centraal in hun analyse: aan de wetten die de openbare en de goede zeden betreffen, kan door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan.

Tot het disruptieve arrest van 9 december 1948 werd die mening (dura lex sed lex) ook door het Hof van Cassatie gedeeld. Daarbij is te bedenken dat de 19e en vroeg 20e eeuwse samenleving oligarchisch en plutocratisch was, zonder enige democratische verantwoording of onderbouw[3]. De wetten, hun toepassing en, derhalve, de openbare orde waren het werk van een elitaire minderheid[4] die de politieke, economische, financiële en intellectuele macht controleerde en aanwendde om de eigen belangen[5] maximaal te bevorderen. Het economische liberalisme was daarvoor de bakermat[6] en werd door de juristen[7] feilloos door wetten en daaruit afgeleide jurisprudentiële regels in het privaatrecht omgezet.

Continue reading “Weg met de wettelijke openbare orde, leve de jurisprudentiële openbare orde!”

Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat?

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen ( afl. 4.a : Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat)?

1. Rechtshandeling. Artikel 1.3. Volgens de eerste alinea van dit artikel is de rechtshandeling een wilsuiting, waarbij een of meer personen de bedoeling hebben om rechtsgevolgen te doen ontstaan.

De tweede alinea zet in met een opmerkelijke zin: “Er kan niet worden afgeweken van de openbare orde” om daaruit zgn. af te leiden “bijgevolg moet elke rechtshandeling een geoorloofd voorwerp en geoorloofde oorzaak hebben”. De toelichting bij dit artikel is voornamelijk aan de tweede alinea gewijd, wat het belang van het onderscheid tussen rechtshandelingen en rechtsfeiten onderschat.

Volgens de opstellers van het voorgestelde Boek I zou met de eerste alinea van artikel 1.3 alles over de rechtshandeling zijn gezegd omdat zij, naar eigen zeggen, “de algemeen aanvaarde definitie van de rechtshandeling” zouden hebben hernomen[1]. Die bewering staven ze echter met geen enkele bron.

Zij benadrukken dat in de rechtshandeling twee elementen besloten liggen: een wilsuiting en de bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan. [2]

Continue reading “Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat?”

Back to the future?

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen ( afl. 3: Back to the future? )

1. Toepassing van de wet in de tijd Artikel 1.2. Het voorstel van artike 1.2 bestaat uit drie alinea’s die de, door de rechtspraak ontwikkelde principes inzake de toepassing van de wet in de tijd in wetsvoorstellen omzetten. In de eerste alinea wordt bepaald dat de wet alleen voor de toekomst beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Hierop geldt meteen een uitzondering: de terugwerkende kracht kan wel gelden indien de wet dit uitdrukkelijk bepaalt “in het algemeen belang”. Artikel 1 Oud BW bevatte reeds een analoge bepaling[1]. Het voorstel voegt aan de bestaande regel toe dat de wet gebeurlijk terugwerkende kracht kan hebben indien de wetgever dit uitdrukkelijk in het algemeen belang bepaalt. Op de inhoud, zin en draagwijdte van het algemeen belang gaan de ontwerpers niet in.

De tweede en derde alinea zijn grotendeels aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie ontleend en zijn bekend als de onmiddellijke werking van de nieuwe wet, enerzijds, en de eerbiedigende werking van de nieuwe wet, anderzijds.

Continue reading “Back to the future?”

Samengestelde RFR’s en kapitalisatie van interesten naar Belgisch recht

Een post door gastbloggers Eric Blomme en Cécile Odeurs (Simmons & Simmons, Brussel)

Het einde van de LIBOR referentie-interestvoet en de vervanging ervan door risicovrije rentetarieven (RFR’s) is reeds meerdere jaren aangekondigd. Hoewel EURIBOR voorlopig blijft voortbestaan, zal dit verhaal ook in de Belgische kredietpraktijk zijn weerslag vinden. Zo zullen bijvoorbeeld kredieten die opneembaar zijn in Amerikaanse dollar en/of pond sterling moeten worden vergoed op basis van de relevante RFR (bvb. SOFR, SONIA) in plaats van LIBOR.

Deze omschakeling zal een niet te onderschatten impact hebben op de dagelijkse kredietpraktijk, en geeft aanleiding tot bijzonder complexe vragen en moeilijkheden. De meeste van deze problemen stellen zich op identieke wijze in België als in een internationale context.  Er kan dus verwezen worden naar de uitgebreide analyses die hieromtrent zijn gemaakt door bijvoorbeeld de Loan Market Association (LMA).

Dit artikel beperkt zich dan ook tot één specifiek aandachtspunt dat zich slechts in een beperkt aantal landen stelt, met name wettelijke beperkingen op de kapitalisatie van interesten (anatocisme).  Is de “samengestelde RFR” (compounded RFR) verenigbaar met zulke wettelijke beperkingen?

Continue reading “Samengestelde RFR’s en kapitalisatie van interesten naar Belgisch recht”

Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 2: Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht)

1. Bronnen – Artikel 1.1. Volgens het voorgestelde artikel 1.1 zal het Nieuw BW het burgerlijk recht en ruimer het privaatrecht regelen, onverminderd de bijzondere wetten, de gewoonte en de algemene rechtsbeginselen. De gebruiken zijn daarentegen slechts een bron “van recht” indien de wet of het contract ernaar verwijst. Volgens de opstellers, is het Burgerlijk Wetboek “het fundament van onze privaatrechtelijke ordening” dat een “systematische en rationele ordening [bevat] van de rechtsregels die de coherentie bevordert en bijdraagt tot een betere toegankelijkheid van het recht voor de burgers[1]. Zij wekken aldus de indruk dat de coherentie van het privaatrecht en de toegankelijkheid van het recht slechts na te streven doelstellingen en dus geen resultaten zijn die noodzakelijk moeten worden bereikt.

Twee alinea’s verder, wanneer zij pleiten voor de implementatie van Europese instrumenten in het Burgerlijk Wetboek, benadrukken de opstellers echter dat aldus “de coherentie en de gemakkelijke toegankelijkheid van het recht [wordt] verzekerd[2], waardoor ze op het spoor van te bereiken resultaten zitten. De coherentie van het recht en zijn toegankelijkheid zijn onmiskenbaar wezenskenmerken van de rechtsregel en van een rechtsstaat: zij zijn geen na te streven doelstellingen, maar te bereiken resultaten.

Continue reading “Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht”

Van geen kwaad bewust?

Een post door gastbloggers
Prof. Em. L. Cornelis en Prof. R. Feltkamp (VUB)

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (pilot – afl. 1: Van geen kwaad bewust?)

1. De beste stuurlui staan aan wal. In een recente opinie in de Tijd (gevolgd door een artikel in de Juristenkrant[1]) hebben de auteurs van deze bijdrage de boute stelling verdedigd dat er geen duurzame toekomst voorligt met verouderde juridische recepten. Deze recepten betreffen het op 24 februari 2021 in de Kamer[2] ingediende wetsvoorstel houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) (hierna “Boek I”). [3] Het risico met zo een stelling is het deksel op de neus te krijgen.

De plaats ontbrak in de opinie om over te gaan tot een uitgebreidere onderbouwing. Wie op ’t water is moet echter varen. Met deze bijdrage komen wij dan ook graag met onze verdere analyse van wal. 

Continue reading “Van geen kwaad bewust?”

Studieavond ‘grondige studie insolventierecht’ UA op 19 mei 2021 – programma

Naar goede gewoonte organiseren de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen opnieuw een studieavond, onder begeleiding van prof. dr. Stijn De Dier en prof. dr. Melissa Vanmeenen.

Het thema van de (reeds) dertiende editie van deze studieavond is bijzonder actueel. De coronapandemie stelt met name de rol van het insolventierecht in vraag. Niet alleen worden wetgevers gedwongen om allerlei maatregelen in te voeren, al dan niet rechtstreeks het gevolg van de strijd tegen covid-19. De insolventiejurist moet ook over de horizon kijken: elke crisis is een opportuniteit, en zo dringt een grondige reflectie over de rol van het insolventierecht zich op. De studenten neme u hierin graag mee.

De studieavond gaat door op woensdag 19 mei 2021 om 19 u, en dit virtueel. Deelname is gratis en iedereen is welkom.

Wie de studieavond graag meemaakt (en achteraf een documentatiebundel ontvangt), dient zich wel op voorhand te registreren: dat kan hier.

Het progamma is als volgt:

  • Femke Van Duyse – Het moratorium op faillissementen in tijden van crisis: de voorwaarde gelinkt aan staking van betaling als vlucht vooruit dan wel als hindernis voor economische groei
  • Fabian Dierckx – De impact van de tijdelijke steunmaatregelen op de procedure van gerechtelijke reorganisatie
  • Siebe Vinckx – De herlanceringsprocedure: een waardig alternatief voor het faillissementenmoratorium of een fata morgana voor de feitelijk failliete schuldenaar ?
  • Willem Peeters – Wrongful trading in coronatijd: een huzarenstuk voor de curator
  • Nette Buyens – Verruiming van de mogelijkheid tot het aanstellen van een gerechtsmandataris ten gevolge van Covid-19: top or flop ?
  • Tom Maes – De Vlaamse handelshuurlening

Rechtzetting artikel XX.106 WER: verwarring uitklaren met een nog meer verwarrend antwoord

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

1. Eerder had ik (hier) gewezen op enkele foutjes in artikel XX.106 WER dat luidt:

Het vonnis van faillietverklaring wordt op verzoek van de curatoren aan de gefailleerde betekend.. Het exploot van betekening bevat op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen XX.107 en XX.108, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van de artikelen XX.145 en XX.165.

De aldaar opgenomen artikelen XX.107,  XX.108,  XX.145 en XX.165 WER zijn foutief.

In het eerdere blogbericht legde ik uit dat de artikelen XX.107 en XX.108 moesten “gelezen” worden als XX.108 en XX.109. Verder motiveerde ik dat art. XX.145 diende te worden vervangen door art. XX.146.  Over de correcte “vervanging “ van artikel XX.165 WER bestond minder duidelijkheid. Dit kon zowel artikel XX.166 dan wel XX.167 zijn.

2. Volksvertegenwoordiger Florence Reuter heeft over voormelde vaststelling een parlementaire vraag gesteld aan de Minister van Justitie.  (Vr. en Antw. Kamer 2020-2021, 18 februari 2021,  nr. 55/039, 185, Vr. nr. 292  F. REUTER).

Over de foutieve artikelen XX.107, XX.108 en XX.145 vraagt de volksvertegenwoordiger “ Betreft het een vergetelheid en moeten de vermeldingen in de artikelen XX.109 et XX. 148 toch in de exploten opgenomen worden (en zal die fout dus rechtgezet worden)? ”

Met betrekking tot art. XX.165 (zijnde een extra vermelding in vergelijking met het vroegere artikel  13 Fail.W.) wordt aan de minister gevraagd : “Kunt u daarnaast bevestigen dat de wetgever wel degelijk de intentie had om nieuwe vermeldingen aan de exploten toe te voegen ?”

Continue reading “Rechtzetting artikel XX.106 WER: verwarring uitklaren met een nog meer verwarrend antwoord”

Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?

Grondwettelijk Hof – Arrest nr. 62/2021
van 22 april 2021

Een onderneming-natuurlijke persoon kan in een faillissement ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden (met enkele uitzonderingen). Hoewel het WER dat niet zeer expliciet zegt, wordt meestal aangenomen dat de rechter deze kwijtschelding in beginsel moet toekennen, met de ogen dicht en desnoods met de knijper op de neus. De rechter kan enkel (geheel of gedeeltelijk) weigeren indien (i) er een verzoek is in die zin van een belanghebbende (een schuldeisers, de curator, het OM) en (ii) de gefaillisseerde kennelijk groven fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.

Dit werd door de wetgever in de markt gezet als een automatische wissing van de restschulden (A. Van Hoe, S. Brijs en J. Cardinaels, “Het nieuwe insolventierecht: op zoek naar nieuwe evenwichten”, in Curatoren en vereffenaars V, Intersentia, 2020, 20, nr. 24).

Hoewel dit spoort met de hoge procedurele en materiële drempel voor een weigering van kwijtschelding, is dit enigzins misleidend. Art. 173 § 2 WER bepaalt immers dat de gefailleerde deze kwijtschelding moet verzoeken. Daarzonder kan de rechter de kwijtschelding niet toekennen. Dat verzoek kan bij de aangifte van faillissement of later tot uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. Dit werd door de rechtspraak als een vervaltermijn beschouwd (ibid., 22, nr. 44). Deze vervaltermijn werd in een arrest van het Grondwettelijk Hof van vandaag 22 april 2021 in strijd bevonden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel:

Continue reading “Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?”