Cass. 21 oktober 2016: een beding van aanwas is geen verboden beding over een toekomstige nalatenschap

Regels rond conventionele (familiale) onverdeeldheid volgen steeds meer die van maatschap

1.

Een dame  had met haar toenmalige partner  in 2000 een woning aankocht te Mortsel. Beiden kochten dit pand aan in “onderverdeeldheid met een beding van aanwas voor het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de overledene, op voorwaarde van blijvend samenwonen tot aan het vooroverlijden”. De partner overleed in 2009. De dame dagvaardt in 2011 de dochter van haar overleden partner (en diens enige reservataire erfgenaam) ten einde te horen zeggen voor recht dat zij het volledige vruchtgebruik heeft op het onroerend goed. De dochter vorderde de nietigheid of niet-tegenwerpelijkheid van het beding van aanwas en vorderde verder de verdeling van de onverdeeldheden.

Een belangrijk argument van de dochter daarbij was dat het beding een schending inhoudt van art. 1130 BW:

“Toekomstige zaken kunnen het voorwerp van een verbintenis uitmaken. Men kan echter een nalatenschap die nog niet opengevallen is, niet verwerpen en evenmin omtrent zodanige nalatenschap enig beding maken, zelfs niet met toestemming van hem wiens nalatenschap het betreft, tenzij in de gevallen bij wet bepaald.

2.

In een arrest van 21 oktober 2016 (C.15.0457.N) oordeelde het Hof van Cassatie hierover:

  1. Krachtens artikel 1130, eerste lid, Burgerlijk Wetboek kunnen toekomstige zaken het voorwerp van een verbintenis uitmaken. Het tweede lid bepaalt dat men een nalatenschap die nog niet is opengevallen, echter niet kan verwerpen noch omtrent zodanige nalatenschap enig beding maken, zelfs niet met toestemming van hem wiens nalatenschap het betreft.

  2. Een beding over een niet opengevallen nalatenschap is een beding waardoor louter eventuele rechten op een niet opengevallen nalatenschap of op een bestanddeel ervan worden toegekend, gewijzigd of afgestaan.

  3. Een overeenkomst waarbij twee of meer partijen bepaalde goederen of rechten verwerven onder het beding dat de langstlevende eigenaar of houder wordt van het geheel der goederen of rechten, heeft geen eventuele rechten tot voorwerp en valt bijgevolg niet onder het verbod van artikel 1130, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. Dit is evenmin het geval wanneer een dergelijk beding van aanwas een vervalbeding of een ontbindende voorwaarde bevat voor het geval dat aan de samenwoning van de partijen een einde komt, aangezien de partijen tijdens de duur van het samenwonen definitief verbonden zijn.De loutere omstandigheid dat het beding aldus een potestatief element bevat, heeft niet tot gevolg dat het onder het verbod van artikel 1130, tweede lid, valt.Voormelde bedingen zijn te aanzien als ontbindende voorwaarden en vallen evenmin onder het verbod bedoeld in artikel 1174 Burgerlijk Wetboek.

  4. De appelrechters die oordelen dat “het betrokken beding van aanwas een doelvermogen tussen partijen tot stand [brengt] betreffende een welbepaald onroerend goed, in casu het vruchtgebruik van de aangekochte woning in onverdeeldheid en niet een toekomstig open te vallen nalatenschap tot voorwerp [heeft]”, zodat “het ontsnapt aan het toepassingsgebied van artikel 1130 BW” en de voorwaarde van het blijvend samenwonen “ontsnapt aan artikel 1174 BW”, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

3.

Het Hof van Cassatie bevestigt volgens ons hiermee dat een conventionele boedel een boedel – het arrest a quo sprak van een “doelvermogen” – tot stand brengt. De deelgenoot heeft een abstract recht in de boedel. De concrete inhoud van dat recht hangt af van de regels die in de betrokken boedel gelden voor beheer, uitkeringen en vereffening. De erfgenamen van een overleden deelgenoot kunnen geen erfrechten laten gelden ten aanzien van de activa in de boedel; wel ten aanzien van het abstracte recht in de boedel. De concrete inhoud van hun recht hangt ook af van de afspraken binnen de boedel. Zoals een beding van aanwas.

Voor een maatschap wordt dit al lang aanvaard. Een  beding in de statuten van een vennootschap dat de omvang van de (patrimoniale of lidmaatschaps)rechten over de goederen van de vennootschap regelt bij het overlijden van een deelgenoot vennoot, is niet automatisch een verboden beding over een nalatenschap. (Wel kan er sprake zijn van een onrechtstreekse schenking). Het beding regelt immers de rechten binnen de rechtspersoon casu quo de boedel en betreft niet noodzakelijk de nalatenschap.

Dit wordt bevestigd door art. 42 W.Venn (oud art. 1868 BW) :

“Indien bedongen is dat de vennootschap in geval van overlijden van een van de vennoten zal voortduren met zijn erfgenaam, of alleen tussen de overlevende vennoten, moeten deze bepalingen worden nagekomen : in het tweede geval heeft de erfgenaam van de overledene enkel recht op de verdeling van de vennootschap, overeenkomstig de toestand waarin zij zich ten tijde van het overlijden bevond, en hij deelt in de latere rechten slechts voor zover die een noodzakelijk gevolg zijn van hetgeen verricht werd vóór de dood van de vennoot wiens erfgenaam hij is.”

Dit verklaart de civielrechtelijke kant van de populariteit van de maatschap voor estate planning. Het boedelkarakter van de maatschapsgemeenschap laat vermogensregelingen toe die voor goederen in individuele eigendom onmogelijk zijn of niet tegenstelbaar aan derden. De maatschap kan verhinderen dat het familiaal patrimonium versplintert door de vererving met meerdere erfgenamen. Essentieel is immers dat niet de maatschapsgoederen behoren tot het persoonlijk vermogen van de maten, maar wel het onlichamelijke aandeel in de maatschap. Voorwerp van de vererving is dan ook dit aandeel en niet de goederen zelf die als eenheid in het maatschapsvermogen blijven. De inhoud van deze aandelen kan door de maatschapsovereenkomst verregaand worden bepaald op een wijze die aan de erfgenamen kan worden tegengesteld. Zulke bedingen zouden niet mogelijk zijn t.a.v. de goederen zelf:

  • Vooreerst is er een scheiding mogelijk tussen controle (door de zaakvoerder) en de vermogenswaarde (voor alle vennoten volgens de regels in de statuten), waarbij de eigendomstitel van dit vermogen toekomt aan de gezamenlijke vennoten. Juridisch biedt dit meer waarborgen dan wanneer de titel gevestigd is bij de beheerder of bij de beneficiarissen van een vermogen. Het recht op inkomsten dan wel op controle is in dat laatste geval immers louter verbintenisrechtelijk van aard en niet tegenstelbaar aan de schuldeisers van de eigenaar. Voor de maatschap geldt daarentegen dat enkel de vennootschapsschuldeisers met uitsluiting van de persoonlijke schuldeisers van de zaakvoerder of de maten het vennootschapsvermogen kunnen uitwinnen. De scheiding tussen controle en vermogenswaarde wordt hierdoor zakenrechtelijk verankerd.
  • Over het vennootschapsvermogen kan enkel door de zaakvoerder(s) worden beschikt onder de statutaire voorwaarden. Een individuele vennoot kan niet in eigen naam beschikken over een gemeenschappelijk goed of een aandeel daarin. Deze onoverdraagbaarheid heeft in beginsel zakelijke werking. De verschillende goederen van het vermogen kunnen daardoor ook worden samengehouden.
  • Verder kan in de statuten worden voorzien dat bij het overlijden van een maat de maatschap wordt verder gezet tussen de overblijvende maten met aanwas van hun aandeel. Zo wordt vermeden dat bij overlijden van de erflater de begunstigden toch nog successierechten dienen te betalen op zijn aandeel in het maatschapsvermogen. In dit geval gebeurt de overdracht van het vermogen volledig door de werking van de maatschapsovereenkomst, zonder een formele handeling om niet door de erflater. Wel kunnen de bepalingen van de maatschapsovereenkomst eventueel als een onrechtstreekse schenking worden beschouwd.

4.

Dit is het derde cassatie-arrest waarbij de regels omtrent de duurzaamheid van een (familiale of andere) conventionele onverdeeldheid op leest van de maatschap worden geschoeid:

Cass. 20 september 2013 oordeelde dat art. 815 BW (waarvan het eerste lid bepaalt dat niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en dat de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling) niet van toepassing is op de vrijwillige onverdeeldheid in hoofdzaak.

Die oplossing wordt van oudsher niet betwist voor de maatschap.

Cass. 6 maart 2014 oordeelde dat een tontineovereenkomst ophoudt te bestaan wanneer de onderliggende relatie een einde neemt derwijze dat hierdoor aan de verdere uitwerking van de overeenkomst iedere zin wordt ontnomen. Daaruit werd afgeleid dat de onverdeeldheid tussen de deelgenoten rijp werd voor verdeling.

Ook dit kan gezien worden als een toepassing van een regel die voor de maatschap geldt. Art. 39, 2° W.Venn. stelt immers dat een vennootschap wordt ontbonden “door het tenietgaan van de zaak, of door het voltrekken van de handeling.”

De wettelijke bepalingen van de maatschap verschijnen steeds meer als een toepassing van een gemeen ontbindingsrecht.

De specialisten familiaal vermogensrecht en zakenrecht zijn gewaarschuwd: er staan nóg ontbindingsregels in het W.Venn.

Randnummer 3 van deze post is gebaseerd op ons proefschrift Onverdeelde boedel en rechtspersoon, 272 e.v., nr. 367 e.v. Randnummer 4 is gebaseerd op Fifty ways to leave your lover, NFM 2015, 151.

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

2 thoughts on “Cass. 21 oktober 2016: een beding van aanwas is geen verboden beding over een toekomstige nalatenschap”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s