‘Niet kennis van de onbevoegdheid, maar kennis van misbruik van bevoegdheid’

Kwade trouw als exceptie onder de Eerste Richtlijn

De Eerste Richtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om voor handelingen die de grenzen van het vennootschapsdoel overschrijden te bepalen dat de vennootschap niet verbonden is “indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn.” Een eerdere post wees erop dat deze uitzondering enkel gebruikt kan worden voor doeloverschrijdende handelingen; niet voor andere statutaire bevoegdheidsbeperkingen. Een andere post pleitte ervoor om de lege ferenda ook voor doeloverschrijdende handelingen terug te vallen op de basisregel van de Eerste Richtlijn: “De grenzen welke door de statuten of door een beslissing van de bevoegde organen aan de bevoegdheden van de organen van de vennootschap worden gesteld, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, zelfs niet indien zij openbaar zijn gemaakt.

Nergens stelt de Eerste Richtlijn (noch de Belgische vennootschapswetgever) dat de kwade trouw van derden i.v.m. een bevoegdheidsbeperking tot gevolg heeft dat de vennootschap er zich toch op kan beroepen t.a.v. die derde te kwader trouw. Niettemin neemt de Belgische rechtsleer aan dat de vennootschap toerekening kan vermijden door het bewijs te leveren van de kwade trouw van de mede-contractant van de vennootschap (J. Ronse, De Vennootschapswetgeving 1973, p. 171, nr. 326; L. Simont, ,,La loi du 6 mars 1973 modifiant la législation relative aux sociétés commerciales”, RPS 1979, p. 43, nr. 44; N. Geelhand, ,,De externe vertegenwoordigingsmacht van de organen van de vennootschap”, TRV 1994, p. 64, nr. 5; S. De Dier, Nietigheid van bestuursbesluiten in een vennootschap, Roularta, Roeselare, 2016, 177, nr. 191). Er wordt hiervoor meestal een grondslag gezocht in het leerstuk van de derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk.

Is dit wel verzoenbaar met het systeem van de Eerste Richtlijn?

Het antwoord is: ja, met dien verstande dat er niet reeds van kwade trouw sprake is indien de derde op de hoogte is van de interne bevoegdheidsbeperking. Voor de niet-toerekening aan de vennootschap is vereist dat de vennootschap het bewijs levert dat de wederpartij wist of behoorde te weten dat de vertegenwoordiger zijn vertegenwoordigingsmacht misbruikte (J. Ronse, De vennootschapswetgeving 1973, p. 172, nr. 327; N. Geelhand, ,,De externe vertegenwoordigingsmacht van de organen van de vennootschap”, TRV 1994, p. 70, nr. 19).

Het is dus niet voldoende dat de tegenpartij wist of behoorde te weten dat de vertegenwoordiger onbevoegd was; de kennis dient te slaan op de benadeling van de vennootschap. Het is dus niet zozeer de kennis van de onbevoegdheid als wel de kennis van de afwending van de vertegenwoordigingsmacht die relevant is (N. Geelhand, ,,De externe vertegenwoordigingsmacht van de organen van de vennootschap”, TRV 1994, p. 70, nr. 21; K Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, “Vennootschapsrecht. Overzicht van rechtspraak (1992-98)”, TPR 2000, 1998, nr. 110; S. De Dier, Nietigheid van bestuursbesluiten in een vennootschap, 178, nr. 191).

Kennis door de wederpartij van de onbevoegdheid is voldoende noch noodzakelijke voorwaarde.  Ook al blijft de vertegenwoordiger binnen de formele wettelijke of statutaire grenzen van zijn bevoegdheid, er is geen toerekening aan de vennootschap indien de derde weet dat de vertegenwoordiger misbruik maakt van zijn vertegenwoordigingsmacht. Een afwending van vertegenwoordigingsmacht veronderstelt immers niet noodzakelijk dat de vertegenwoordiger onbevoegd is (W. Van Gerven, Algemeen deel, p. 499, nr. 152).

Het criterium dat de Belgische wetgever vandaag hanteert voor tegenwerpelijkheid van doeloverschrijdende handelingen (“indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn”), is met nadruk dan ook géén toepassing van deze gemeenrechtelijke kwade trouw-exceptie. De uitzondering voor doeloverschrijdende handelingen is immers ruimer dan de algemene uitzondering voor onbevoegde handelingen (zie daarover helder S. De Dier, Nietigheid van bestuursbesluiten in een vennootschap, 194, nr. 209).

In de rechtsleer werd gesuggereerd om het huidige criterium voor doeloverschrijdende handelingen uit te breiden naar andere statutaire bevoegdheidsbeperkingen (F. Hellemans, “t’Amendement”, TRV 2013, 816, nr. 2). Zulke wetswijziging zou de Eerste Richtlijn schenden. En erger: zou het optreden van vennootschap stroever maken en daarmee de toestand zowel vennootschapsinsiders als derden verslechteren (zie hier). C’est pire qu’un crime, c’est une faute.

Deze blogpost is gebaseerd op K Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, “Vennootschapsrecht. Overzicht van rechtspraak (1992-98)”, TPR 2000, 1998, nr. 110.

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s