Bijna 50, en nog alle tanden (over de Eerste Richtlijn)

Europese kapitaalvennootschappenrichtlijn (codificatie) gepubliceerd

In het Publicatieblad van de Europese Unie verscheen onlangs de codificatie van de Europse richtlijnen rond kapitaalvennootschappen: Richtlijn 2017/1132 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht. Dit is een mooie gelegenheid om te reflecteren over de betekenis daarvan, met name n.a.v. de voorgenomen modernisering van het Belgische vennootschapsrecht.

Bij een bespreking van de Europese harmonisatie wordt soms makkelijk smalend gedaan over de verwezenlijkingen van de Eerste Richtlijn uit 1968 (en nu Titel 1 van de Europese Kapitaalvennootschappenrichtlijn). Deze Richtlijn is van toepassing op NV en BVBA. Openbaarmaking en hoe derden daar kunnen op vertrouwen; het beperken van de middelen van aanvechtbaarheid van vertegenwoordigingshandelingen of, godbetert, de beperking van de gevallen en de effecten van nietigheid, is dàt waar Europa zich heeft mee bezig gehouden, luidt het dan al snel.

Het hoofdbewijs van het mineur belang van deze regels? Nietigheid van vennootschappen of niet-tegenwerpelijkheid van vertegenwoordigingshandelingen komt toch bijna nooit voor in rechterlijke uitspraken!

De jurist die al eens een legal opinion heeft moeten afleveren – of belangrijker: de cliënt die hiervoor de ereloonnota heeft gekregen – over de afdwingbaarheid van een verrichting namens een vennootschap die niét valt onder het regime van de Eerste Richtlijn (bv. een maatschap) zal echter de weldaden van deze regels appreciëren. Een waslijst assumpties, uitzonderingen en caveats wordt door de zekerheid waarmee het vennootschapsrechtelijk publiciteitssysteem is omgegeven, gereduceerd tot een beperkt aantal en eenvoudig te beantwoorden vragen.

Dat deze regels zelden of nooit tot uitspraken leiden, bewijst net dat ze trefzeker en goedkoop hun doel bereiken.

Regels omtrent de niet-tegenwerpelijkheid van ­beperkingen en nietigheidsgronden worden door de bijziende jurist misbegrepen als louter ter bescherming van derden die met de vennootschap handelen. Daarnaast, en misschien zelfs in de eerste plaats, zijn deze regels ook in het belang van de vennootschap zelf. Zij faciliteren het optreden van een rechtspersoon in het rechtsverkeer. Derden zullen hierdoor immers minder snel de bevoegdheid van de vertegenwoordiger in vraag stellen en kunnen makkelijker een legitimatie krijgen.

De premisse van de Eerste Richtlijn is simpel: op een derde wordt de last gelegd om de wet te kennen, maar niet de last om de statuten na te kijken. Men leze artikel 9:

Handelingen van de organen van een vennootschap en haar vertegenwoordiging

1.   De vennootschap is ten opzichte van derden gebonden door de handelingen welke door haar organen zijn verricht, ook al vallen die handelingen niet onder het vennootschapsdoel, tenzij door genoemde handelingen de bevoegdheden worden overschreden welke volgens de wet aan die organen toekomen of kunnen worden toegekend.

De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat de vennootschap niet is gebonden als die handelingen de grenzen van het vennootschapsdoel overschrijden, indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn. Openbaarmaking van de statuten alleen is hiertoe echter geen voldoende bewijs.

2.   De grenzen welke door de statuten of door een beslissing van de bevoegde organen aan de bevoegdheden van de organen van de vennootschap worden gesteld, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, zelfs niet indien zij openbaar zijn gemaakt.

3.   Indien de nationale wetgeving bepaalt dat de bevoegdheid om de vennootschap te vertegenwoordigen, in afwijking van de wettelijke regel op dat gebied, door de statuten aan een enkele persoon of aan meerdere, gezamenlijk handelende personen kan worden verleend, kan in die wetgeving worden voorgeschreven dat die bepaling van de statuten aan derden kan worden tegengeworpen, op voorwaarde dat zij betrekking heeft op de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid; artikel 16 regelt de tegenwerpelijkheid aan derden van een dergelijke statutaire bepaling.

Deze oplossing is geniaal. Problemen rond de interpretatie van bevoegdheids-beperkingen worden op deze wijze louter interne problemen, een zaak tussen vennootschap en vertegenwoordiger. De derde hoeft er niet van wakker te liggen en zal daardoor sneller en goedkoper met vennootschap handelen. Dat is meteen ook winst voor de vennootschap en haar aandeelhouders: het vergroot risico van misbruik door deze niet-tegenwerpelijkheid weegt niet op tegen de winst die wordt gemaakt op vlak van vertegenwoordigingsgemak.

Daarom is het wijs dat de wetgever deze regel niet heeft uitgebreid naar vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid (ook niet als zij aan publiciteit zijn onderworpen). De onbeperkte aansprakelijkheid maakt vennoten immers risico-avers: ze zullen een stroever optreden namens de vennootschap graag aanvaarden als dat het risico op onbevoegd handelen indijkt.

Voor overschrijdingen van het vennootschapsdoel, laat artikel 9 de optie – maar niet de verplichting – open om een uitzondering te voorzien op de niet-tegenwerpelijkheid van louter statutaire bepalingen: “indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn“.

De tekst van artikel 9 laat geen twijfel mogelijk: deze uitzondering kan enkel worden ingevoerd voor doeloverschrijdingen. Voor alle andere statutaire beperkingen geldt dat grenzen welke door de statuten of door een beslissing van de bevoegde organen aan de bevoegdheden van de organen van de vennootschap worden gesteld, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, zelfs niet indien zij openbaar zijn gemaakt. Punctum.

Met andere woorden: het Europese recht laat niet toe dat dit criterium wordt gebruikt om statutaire bevoegdheidsbeperkingen toch uitzonderlijk tegenwerpelijk te maken; het Europese recht laat niet toe dat dit criterium wordt gebruikt om een statutaire uitbreiding van de bevoegdheid van de algemene vergadering uitzonderlijk tegenwerpelijk te maken; het Europese recht laat niet toe dat dit criterium wordt gebruikt om een interne taakverdeling binnen het bestuursorgaan tegenwerpelijk te maken. En maar goed zo.

Deze tekst is gedeeltelijk gebaseerd op passages uit het voorwoord bij Proactief Ondernemingsrecht (Antwerpen, Intersentia, 2013).

Joeri Vananroye

 

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

3 thoughts on “Bijna 50, en nog alle tanden (over de Eerste Richtlijn)”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s