RPS-TRV Prijs naar Michiel D’herde voor masterproef over de toekomst van de vennootschap met sociaal oogmerk

“Apologie voor een miskende vennootschapsvorm” (master vennootschapsrecht, KU Leuven)

De TRV-RPS Prijs 2017 voor de beste meesterproef in het vennootschapsrecht aan een Belgische universiteit is toegekend aan meester Michiel D’herde voor zijn thesis “Apologie voor een miskende vennootschap”. Deze masterproef werd gemaakt in het kader van de aanvullende master vennootschapsrecht van de KU Leuven (campus Brussel). Promotor van de masterproef was Prof. Dr. Marleen Denef.

Zijn masterproef verdedigt de Belgische vennootschap met sociaal oogmerk (“VSO”) en benadert deze vanuit een rechtsvergelijkend perspectief, gecombineerd met een case study van drie ondernemingen. De volledige tekst van de masterproef is hier te lezen. Een geactualiseerde, herwerkte versie zal worden gepubliceerd in het TRV-RPS. U las eerder hier een blogpost van de bekroonde auteur over de VSO.

Over de gelauwerde auteur

michielMichiel D’herde heeft gestudeerd aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven (Bachelor 2011-2014; Master 2014-2016), waar hij afstudeerde magna cum laude (major: economisch recht; minor: sociaal recht). In 2017 behaalde hij een Master-na-Master in het Vennootschapsrecht aan de KU Leuven (magna cum laude). Sindsdien werkt hij als advocaat bij Quinz, binnen het departement Corporate, M&A en Life Sciences.

Over de masterproef

De masterproef vertrekt vanuit de vaststelling dat, hoewel de VSO op maat is gemaakt voor het zgn. sociaal ondernemerschap, ze veelal stiefmoederlijk wordt behandeld, en kan worden beschouwd als het zwarte schaap in het Belgisch vennootschapsrecht: het is een relatief onbekende, onderbenutte en – aldus de auteur – miskende vennootschapsvorm. De vennootschap met sociaal oogmerk werd in 1995 ingevoerd om tegemoet te komen aan de nood voor een specifieke vennootschapsvorm die sociaal ondernemerschap ondersteunt. Samengevat kunnen we sociaal ondernemerschap begrijpen als ondernemerschap dat niet zozeer is gericht op het maken van monetaire winst, maar bovenal een positieve sociale impact beoogt. De laatste decennia kent deze vorm van ondernemerschap een steile opmars, en deze kan op vandaag worden beschouwd als een belangrijke alternatieve manier van ondernemen.

Echter, de Belgische wetgever heeft na 28 jaar overwogen om de VSO als bijzondere vennootschapsvorm af te schaffen.

In de masterproef onderzoekt de auteur de oorsprong en redenen voor het invoeren van de VSO, en zoekt hij naar een verklaring voor het matige succes er van. Hierbij maakt hij een evaluatie van de vele verplichtingen die de wet aan een VSO oplegt. Bovendien toetst hij de werkelijke invloed van deze verplichtingen in de praktijk af door middel van een case study.

De auteur verdedigt dat de VSO moet behouden blijven omwille van verschillende redenen. Zo wijst hij er op dat wetgevers over de hele wereld de realiteit van sociaal ondernemerschap beginnen te onderkennen, en het nut van een bijzondere vennootschapsvorm inzien. Door de VSO af te schaffen zou België zich onttrekken aan het breder wordend level playing field dat zich aan het ontwikkelen is op internationaal vlak. Ten tweede haalt hij aan dat het bestaan van een bijzondere vennootschapsvorm een duidelijke wettelijke erkenning van de waarde van sociaal ondernemerschap inhoudt. De auteur argumenteert dat de afschaffing van de VSO de bevordering en groei van sociaal ondernemerschap zou ondermijnen, en afbreuk zou doen aan het unieke karakter er van. Zowel op intern als op extern vlak verleent een wettelijke erkende, bijzondere vennootschapsvorm een sterke merkwaarde aan een onderneming: ze laat toe haar bijzondere aard te internaliseren, doordat het sociaal oogmerk statutair de overheersende drijfveer van de onderneming wordt, en deze naar buiten toe uit te dragen zowel naar klanten als naar investeerders. Bovendien laat ze toe om deze aard voldoende te vrijwaren, veel meer dan louter private initiatieven.

Na een rechtsvergelijkende analyse van de Belgische VSO met haar buitenlandse evenknieën in Luxemburg, het Verenigd koninkrijk en de Verenigde Staten, merkt de auteur op de implementatie van sociaal ondernemerschap sterk verschilt van land tot land. Op basis van deze analyse suggereert de masterproef dat het matige succes van de VSO te wijten is aan de zeer strikte wettelijke vereisten, en doet ze enkele voorstellen tot hervorming van het huidige wettelijk kader.

Zo is de auteur van oordeel dat de vereiste werknemersparticipatie in de algemene vergadering van een VSO haar doel mist, en dat de wettelijke stemkrachtbeperking beter zou worden afgeschaft ten voordele een stakeholderparticipatie in de vorm van een bijzonder vorderingsrecht in geval van onvoldoende nastreven van het sociaal oogmerk en een meervoudig stemrecht voor bepaalde groepen van aandeelhouders.

Bovendien wordt onderstreept dat een adequate rapportering en monitoring met betrekking tot de realisatie van het sociaal oogmerk noodzakelijk is om de merkfunctie te vrijwaren. Hiertoe zou het gebruik van specifieke objectief verifieerbare indicatoren, vastgesteld door een onafhankelijke derde een belangrijk middel kunnen zijn, mits een performant sanctiemechanisme.

Tot slot besluit de auteur dat ondersteunende maatregelen onontbeerlijk zijn voor het succes van de VSO. Belastingsvoordelen, evenals het oprichten van incubatoren etc. worden aangehaald, naar het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg.

De volledige tekst van de masterproef kan hier worden geraadpleegd.

 

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s