De vrije beroeper kan van twee insolventiewalletjes eten; nog vier maanden

Tot 1 november 2018 overlap tussen Boek XX en collectieve schuldenregeling

Zoals bekend zijn de insolventieprocedures van Boek XX WER (faillissement en gerechtelijke reorganisatie) sinds 1 mei van toepassing op (i) elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, (ii) elke privaatrechtelijke rechtspersoon en (iii) elke vennootschap.

Voor natuurlijke personen is er ook een insolventieprocedure in het Gerechtelijke Wetboek: de collectieve schuldenregeling (art. 1675/2 e.v. Ger.W.).  Deze procedure is van toepassing op “elke natuurlijke persoon, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel” (art. 1675/2 al. 1 Ger.W).

De logica van de wetgever bij de invoering van de collectieve schuldenregeling in 1999 was dat voor natuurlijke personen óf het faillissement en gerechtelijke reorganisatie geldt óf de collectieve schuldenregeling. Er is geen overlap en elke natuurlijke persoon valt onder het toepassingsgebied van één van de procedures.

Aan deze logica werd afbreuk gedaan door de toevoeging van landbouwers aan het toepassingsgebied van de Wet Continuïteit Ondernemingen (oud art. 3 WCO zoals gewijzigd bij Wet 27 mei 2013). Landbouwers hadden hierdoor een keuze tussen zowel een gerechtelijke reorganisatie onder de WCO als een collectieve schuldenregeling onder het Ger.W.

Dit probleem is nog uitgebreid na de invoering van Boek XX.  Alle ondernemingen-natuurlijke personen vallen onder Boek XX, maar de uitsluiting in art. 1675/2 al. 1 Ger.W. verwijst nog altijd naar de “koopman”. Een landbouwer, vrije beroeper of iedere “burgerlijke” onderneming-natuurlijke persoon heeft hierdoor de keuze tussen zowel een collectieve schuldenregeling als een faillissement of gerechtelijke reorganisatie. Er is geen verantwoording waarom bepaalde natuurlijke personen die keuze hebben en andere niet.

De Wet Hervorming Ondernemingsrecht herstelt hier weer de logica met ingang van 1 november 2018. Art. 254 van deze wet, bevat immers een “zoek-en-vervang”-bepaling: in alle wetten dient in principe “handelaar” of “koopman” in de zin van art. 1 W.Kh. te worden verstaan als “onderneming” in de zin van art. I.1, 1° WER.  Art. 255 machtigt de Koning om de terminologie en de verwijzingen van de geldende wetten daarmee in overeenstemming te brengen.

Met ingang van 1 november 2018 moet art. 1675/2 al. 1 dan ook als volgt gelezen worden: elke natuurlijke persoon, die geen onderneming is in de zin van artikel I.1,1° van het Wetboek Economisch Recht kan, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.

Het is te verwachten dat vrije beroepers of andere “burgerlijke” ondenemingen niet gretig gebruik zullen maken van deze tijdelijke optie. De ‘fresh start’ komt in het faillissement immers sneller dan die in de collectieve schuldenregeling.

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s