Impact van de afschaffing van het begrip handelaar op de onverenigbaarheden van vrije beroepers

Communicatie van het IBR

Op 1 november worden de noties ‘handelaar’, ‘koopman’ of ‘handelsvennootschap’ opgeheven. Art. 254 al. 1 van de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht bevat in dit verband een legistieke “zoek-en-vervang”-bepaling: vanaf 1 november dienen in alle wetten in principe de begrippen ‘handelaar’ of ‘koopman’ in de zin van artikel 1 van het W.Kh. te worden gelezen als ‘onderneming’ in de zin van het gewijzigde art. I.1 WER.

Hierop voorziet het tweede lid van art. 254 een uitzondering: de Wet van 15 april 2018 laat de toepassing onverlet van wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen die met verwijzing naar ‘handelaar’, ‘koopman’ of afgeleide begrippen beperkingen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen.

Anders gezegd: na 1 november worden de beperkingen strenger noch lakser.

Een Mededeling (2018/17) van het Instituut van Bedrijfsrevisoren past deze bepaling toe op de onverenigbaarheden van bedrijfsrevisoren. Art. 29 §2, 2° van Wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren luidt:

“Het is de bedrijfsrevisor niet toegestaan om revisorale opdrachten uit te voeren in de volgende omstandigheden: [..]

2° rechtstreeks of onrechtstreeks een handelsactiviteit uitoefenen, onder andere in de hoedanigheid van bestuurder van een handelsvennootschap; het uitoefenen van een mandaat van bestuurder in burgerlijke vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, wordt niet geviseerd door deze onverenigbaarheid;”

Voornoemde Mededeling stelt hierover terecht: “Het verdwijnen van de burgerlijke vennootschap houdt echter niet dat men voortaan zou moeten beschouwen dat alle vennootschappen handelsvenootschappen zijn in de zin van artikel 29, § 2, 2° van de wet van 7 december 2016.

De bedrijfsrevisor kan dus – uiteraard – bestuurder blijven van zijn bedrijfsrevisorenvennootschap.

Art. 254 al. 2 blijft uiteraard een weinig elegante plakbandoplossing. Hoewel geen overgangsbepaling, staat het op zijn plaats tussen de overgangsbepalingen. Het ligt op de weg van de wet- en deontologiegever op de onverenigbaarheden van vrije beroepers te omschrijven zonder te verwijzen naar ‘handelaar’ of ‘handelsvennootschap’.

Joeri Vananroye

De studienamiddag Nieuw Ondernemingsrecht te Leuven (19 oktober 2018) en Brussel (5 november 2018) gaat in meer detail in op de Wet van 15 april 2018. Voor magistraten, gerechtelijke stagiairs en leden van de rechterlijke orde wordt het inschrijvingsgeld ten laste genomen door het IGO. De folder vindt u hier. Opgelet: voor de studiemiddag te Leuven zijn nog slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar. 

 

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s