Het lijden van de scheidende vennoot

Het scheidingsaandeel in CV en BV onder het WVV: ook aanvullend recht is bindend

In het editoriaal van het recentste nummer (2019/3, p. 343 e.v.) van het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht bespreek ik de positie van de persoonlijke schuldeisers van een aandeelhouder als ondergeschoven kind van het vennootschapsrecht.

Het schoolvoorbeeld van een vennootschap is de beursgenoteerde vennootschap met één handelsfonds en ettelijke aandeelhouders. In zo’n voorbeeld is het evident dat de belangen van een persoonlijke schuldeiser van een vennoot weinig gewicht krijgen vergeleken met de voordelen van vermogensafscheiding en bescherming tegen vereffening. Bovendien worden de belangen van die schuldeiser gediend door de mogelijkheid van beslag op aandelen, waarbij er een reële markt bestaat. In de echte wereld wordt de vennootschapsvorm in veel andere contexten gebruikt, waar de positie van de persoonlijke schuldeiser problematischer wordt. Ze zijn de dan de schuldeisers van de holdingmaatschappij bekeken vanuit de dochtervennootschap waar de inkomsten binnenkomen; de schuldeisers van de familie die haar vermogen in een patrimoniumvennootschap heeft gestopt; of de schuldeisers van de ondernemer die haar ganse professionele activiteit via een eenpersoonsvennootschap uitoefent. Hun positie werd terecht bestempeld als de meest miskende uitdaging voor het organisatierecht (H. Hansmann, R. Kraakman en R. Squire, “Law and the rise of the firm”, Harvard Law Review 2006, 1403).

Eén van de in het editoriaal besproken regels is de berekening van het scheidingsaandeel  bij een uittreding uit een CV. Die mogelijkheid kan ook statutair worden voorzien in een BV. Hier verrast de nieuwe regel van aanvullend recht.

Het nieuwe aanvullend recht maakt het scheidingsaandeel in een CV en BV wel erg schamel en dus onvriendelijk voor de uittredende aandeelhouder én zijn persoonlijke schuldeisers.

Als suppletieve regel geldt dat het scheidingsaandeel gelijk is aan de werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng, zonder evenwel het bedrag van de nettoactief waarde van deze aandelen zoals die blijkt uit de laatste goedgekeurde jaarrekening, te overschrijden (art. 5:154 § 1, 5° en art. 6:120 § 1, 5° WVV). Dit kan statutair worden gewijzigd, zonder dat de wet een ondergrens bepaalt. Het is dus niet langer de actuele waarde van het aandeel die voorop staat, maar de historische waarde van de inbreng. De actuele waarde komt enkel in rekening indien die lager is dan de inbrengwaarde.

In de Memorie van Toelichting vinden we geen verantwoording voor deze berekeningswijze, die afwijkt van de oude regels voor de CV (Parl.St. 2017-18, 3119/001). Integendeel: de Memorie (deel I en II) roept rond dit punt meer vragen op dan dat het antwoorden verschaft.

1/ In het voorontwerp werd aansluiting gezocht bij de oude regeling voor de CV, met de nettoactief waarde zoals die blijkt uit de boekhouding als uitgangspunt:

“De statuten regelen de modaliteiten van dergelijke uittreding, met dien verstande dat, niettegenstaande andersluidende statutaire bepaling:[] 5° behoudens andersluidende statutaire regeling het uit te keren bedrag van het scheidingsaandeel voor de aandelen waarmee de betrokken aandeelhouder verzoekt uit te treden gelijk is aan de nettoactief waarde ervan zoals die blijkt uit de laatste goedgekeurde jaarrekening;” (deel I, p. 572, art. 5:134 § 1, 5° voorontwerp)

2/ In de Memorie wordt uitgelegd dat het hoogste moet worden genomen van de inbrengwaarde en de nettoactief waarde:

“Een uittreding geeft recht op de betaling van een scheidingsaandeel, dat statutair kan worden bepaald. Als suppletieve regel (de “default”-optie) geldt dat het scheidingsaandeel gelijk is aan het hoogste bedrag van de op de aandelen waarmee wordt uitgetreden werkelijk gestorte en niet-terugbetaalde inbreng en hun boekhoudkundige nettoactiefwaarde zoals die blijkt uit de laatst goedgekeurde jaarrekening. Deze waarde wordt berekend door de nettoactiefwaarde van de vennootschap zoals gedefinieerd in artikel 5:142, derde lid te delen door her aantal uitstaande aandelen (in voorkomend geval rekening houdend met soortvorming omdat een soort een proportioneel hoger aandeel in die nettoactiefwaarde kan vertegenwoordigen).” (deel I, p. 187, memorie van toelichting)

3/ In het dispositief in het wetsontwerp werd net gekozen voor het laagste. Die laatste tekst, in tegenspraak met de toelichting in de Memorie, heeft het zowel voor BV als CV overleefd tot in de goedgekeurde tekst van het WVV.

“De statuten regelen de modaliteiten van dergelijke uittreding, met dien verstande dat: [] 5° tenzij de statuten anders bepalen, het bedrag van het scheidingsaandeel voor de aandelen waarmee de betrokken aandeelhouder verzoekt uit te treden gelijk is aan het bedrag van de voor deze aandelen werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng, zonder evenwel het bedrag van de nettoactief waarde van deze aandelen zoals die blijkt uit de laatste goedgekeurde jaarrekening, te overschrijden” (deel II, p. 348, art. 5:154 § 1, 5° wetsontwerp).

In het editoriaal leggen we uit waarom we zulke regel, zelfs ‘enkel’ als regel van aanvullend recht problematisch vinden. Zeker als die ook wordt toegepast op vennootschappen die geen ‘echte’ coöperaties zijn, zoals BV’s. De wetgever verzet hiermee de doelpalen van schuldeisersbenadeling.

Er is nog ander aspect: de toepassing ervan op bestaande CV’s. Zoals bekend is ook het gewijzigde aanvullend recht in de regel van onmiddellijke toepassing van zodra het WVV van toepassing is op de betrokken vennootschap (d.i. uiterlijk 1 januari e.k., tenzij er eerder een opt in is).  Dat betekent dat in CV’s waar de berekening van het scheidingsaandeel niet statutair geregeld werd, de berekening van het scheidingsaandeel plots volgens andere regels gebeurt. Wellicht in het nadeel van de scheidende coöperant.

Dat is niet vanzelfsprekend en wijkt af van de gemeenrechtelijke regels inzake overgangsrecht. Als partijen niet uitdrukkelijk afwijken van het aanvullend recht, kan dit worden gezien als een positieve keuze vóór die regel. Het overgangsrecht van het WVV eerbiedigt deze keuze niet. Dit kan wel worden opgevangen door de statuten te wijzigen in de zin van oude recht, maar aandeelhouders moeten dan heronderhandelen om de oude afspraak te laten voortduren.

Wellicht gebeurde dit om pragmatische redenen. Vennootschappen zijn langdurende rechtsverhoudingen en bij een eerbiedingende werking zouden vennootschapsjuristen nog decennialang de aanvullende regels van het W.Venn. hebben moeten onthouden.

Vergeet echter niet: ook aanvullend recht is dwingend en heeft soms significante financiële gevolgen.

Joeri Vananroye

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s