Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen. Of hoe art. 2:44 W.V.V. de Raad van State zijn rechtsmacht dreigt te ontnemen

Een post door gastblogger Tina Coen (aspirant FWO, VUB)

1. Met de invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen werd ook het annulatiecontentieux van de ondernemingsrechtbanken hertekend. Tot voor kort beperkte art. 178 W.Venn. de exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om besluiten van vennootschapsorganen nietig te verklaren, zich tot besluiten van de algemene vergadering. Voortaan bepaalt art. 2:44 W.V.V. in zijn eerste lid dat “[d]e ondernemingsrechtbank […] de nietigheid van een besluit uit[spreekt] op verzoek van de rechtspersoon of een persoon die belang heeft bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen.”

In zuiver vennootschapsrechtelijke context brengt deze herformulering weinig zoden aan de dijk, nu de vennootschapswetgever in essentie niet meer heeft gedaan dan de jurisprudentiële praktijk om ook besluiten van de raad van bestuur per analogiam nietig te verklaren, te bevestigen. Hoogstens wordt de kring van vorderingsgerechtigden voortaan anders omschreven. Het annulatieberoep staat niet langer open voor elke belanghebbende maar enkel voor de vennootschap en personen die belang hebben bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen. Hoe die wijziging in de rechtspraak zal worden ontvangen, valt af te wachten, maar is voor deze blogpost minder van belang.

2. Achter deze bepaling schuilt echter een administratiefrechtelijk bommetje dat voor het vennootschapsrechtelijk oog niet zichtbaar is. Tenzij het op basis van de in het W.V.V. uitgewerkte overgangsregel eerder wordt getriggerd, zal dat bommetje op 1 januari 2020 tot ontploffing worden gebracht en een deel van de rechtsmacht van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, doen verschuiven naar de ondernemingsrechtbanken.

Meer bepaald zal de Raad van State (afdeling bestuursrechtspraak) zich door de inwerkingtreding van art. 2:44 W.V.V. in principe niet meer kunnen uitspreken over vorderingen tot nietigverklaring van administratieve rechtshandelingen die werden gesteld door de organen van administratieve overheden waarop het W.V.V., weze het aanvullend, van toepassing is.

3. De reden hiervoor moet worden gezocht in het residuair karakter van de rechtsmacht van de Raad van State. De Raad van State doet namelijk uitspraak over beroepen tot nietigverklaring wegens machtsoverschrijding sensu lato, ingesteld tegen akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, maar enkel “indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege werd toegekend” (art. 14, §1 W.RvS). Het gaat daarbij niet om de situatie waarin het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering tot nietigverklaring een subjectief recht is en de primauteit van de justitiële rechter uit de artikelen 144-145 Gw. moet worden afgeleid, maar om die waarin de Raad van State in eerste instantie wel degelijk aan alle (materiële) toepassingsvoorwaarden van voormelde bepaling is voldaan, maar waar de wet alsnog een andere rechter dan de Raad van State heeft aangeduid om het geschil te beslechten.
In het verleden heeft de Raad van State zich om deze reden al onbevoegd verklaard om een besluit van de algemene vergadering van een vennootschapsrechtelijk vormgegeven administratieve overheid nietig te verklaren (bv. RvS 21 september 2018, nr. 242.043; RvS 20 maart 2015, nr. 230.590). De meeste besluiten worden echter genomen door de raad van bestuur. Weliswaar werd in zuiver vennootschapsrechtelijke context het annulatiecontentieux van de ondernemingsrechtbank per analogiam tot de nietigverklaring van dergelijke besluiten uitgebreid, maar dit volstond – bij gebrek aan uitdrukkelijke wetsbepaling – niet om de rechtsmacht van de Raad van State uit te sluiten wanneer het bestreden besluit als een administratieve rechtshandeling kon worden gekwalificeerd die niet uitging van de algemene vergadering (Cass. 10 september 1999, nr. C.97.0402.F).

4. Sinds de invoering van art. 2:42 W.V.V. kan echter uitdrukkelijk in de wet worden gelezen dat de ondernemingsrechtbank bevoegd is voor de nietigverklaring van besluiten van alle organen van vennootschappen, met als gevolg dat de Raad van State zich voortaan principieel zonder rechtsmacht moeten verklaren zodra de bestreden administratieve rechtshandeling uitgaat van een orgaan van een administratieve overheid waarop het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen aanvullend toepassing vindt.

Denk daarbij aan de administratieve rechtshandelingen van publiekrechtelijke rechtspersonen die zich als NV of CV kenbaar maken (bv. Infrabel, Le Circuit de Spa-Francorchamps, de Maatschappij voor Stedelijke Inrichting, de Vlaamse Waterweg) of zelfs administratieve rechtshandelingen van publiekrechtelijke rechtspersonen die zich helemaal niet in vennootschapsrechtelijke kleren hullen, maar die wel via een algemene verwijzingsregel in het wetskrachtig organiek statuut aan het W.V.V. zijn onderworpen (bv. VVM De Lijn, RTBF).
Het volstaat natuurlijk niet dat de bestreden administratieve rechtshandeling uitgaat van dergelijke administratieve overheid, zij moet bovendien door een orgaan zijn genomen. Werd het besluit door een andere geleding binnen de administratieve overheid genomen, bv. op basis van een delegatieplan, dan vindt het vennootschapsrechtelijk annulatiecontentieux geen toepassing. Het is in publiekrechtelijke context echter niet altijd even duidelijk wanneer er nu sprake is van een orgaan. Het wetskrachtig organiek statuut van de vennootschapsrechtelijk vormgegeven administratieve overheid kan immers andere organen vermelden dan het W.V.V. Dan stelt zich natuurlijk de vraag welke organen art. 2:44 W.V.V. precies viseert…

5. Los van dit alles, zijn er (gelukkig) wel een aantal situaties denkbaar waarin de Raad van State alsnog zijn rechtsmacht lijkt te behouden of, via een beroep op het Grondwettelijk Hof, zou kunnen herwinnen.

Vooreerst wordt de rechtsmacht die de Raad van State aan art. 14, §1 W.RvS ontleent, soms in een specifieke contentieux door de wetgever uitdrukkelijk bevestigd. Denk bijvoorbeeld aan het overheidsopdrachtencontentieux, waarbij de art. 24, 1° en 56, 1° van de wet van 17 juni 2013 (B.S. 21 juni 2013) de Raad van State uitdrukkelijk aanwijzen als bevoegde rechtsmacht voor de nietigverklaring van beslissingen van aanbestedende instanties wanneer die laatsten als overheid kwalificeren in de zin van artikel 14, §1 W.RvS.

Het valt natuurlijk af te wachten in welke mate het wetsconflict tussen voormelde bepalingen en artikel 2:44 W.V.V. effectief in het voordeel van de rechtsmacht van de Raad van State zal worden beslecht, nu het in beide gevallen om een lex specialis gaat. Mijns inziens zijn er echter voldoende argumenten beschikbaar om de rechtsmacht in het overheidsopdrachtencontentieux bij de Raad van State te houden.

6. Is er evenwel geen specifieke wetsbepaling die zijn rechtsmacht bevestigt, zal de Raad van State de rechtsmacht van de ondernemingsrechtbank slechts in twijfel kunnen trekken door een vergelijking te maken tussen het administratiefrechtelijk en het vennootschapsrechtelijk annulatiecontentieux en daarbij na te gaan of dit laatste contentieux aan de rechtszoekende wel in concreto een gelijk(w)aardige rechtsbescherming biedt (de zgn. equivalentietoets) (zie bv. RvS 9 juni 2017, nr. 238.471; RvS 17 september 2015, nr. 232.231; RvS, 16 januari 2012, nr. 217.240). Is dat niet het geval, dan zal de Raad van State een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moeten stellen die zich zal uitspreken over de verenigbaarheid met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (vgl. GwH 19 mei 2004, nr. 89/2004; GwH 9 april 2003, nr. 41/2003). De Raad van State kan een wettelijke bepaling immers niet uit eigen beweging naast zich neer leggen.

Voor zover kon worden nagegaan, heeft die equivalentietoets in vennootschapsrechtelijke context nog nooit aanleiding gegeven tot een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. De Raad van State heeft zich overigens nog nooit in abstracto uitgesproken over de gelijk(w)aardigheid van de rechtsbescherming die beide contentieux bieden en zal dat ook nooit kunnen doen. De equivalentietoets moet immers steeds worden afgestemd op de rechtsbescherming die de verzoekende partij in concreto zoekt (RvS 9 juni 2017, nr. 238.471).

7. Het zal mijns inziens echter niet evident zijn om via de equivalentietoets de Raad van State haar rechtsmacht terug te geven. De Raad van State heeft namelijk al geoordeeld dat de vennootschapsrechtelijke nietigheidsgrond wegens machtsoverschrijding even ruim omschreven is als in het administratiefrechtelijk annulatiecontentieux (RvS 21 september 2018, nr. 242.403; RvS 20 maart 2015, nr. 230.590). Ook de andere gronden waarop de Raad van State tot nietigverklaring kan overgaan, lijken elk hun vennootschapsrechtelijke evenknie te kennen in art. 2:42 W.V.V. Weliswaar leggen beide annulatiecontentieux eigen accenten en wordt geen identieke invulling aan deze nietigheidsgronden gegeven, maar identiteit is, zoals gezegd, niet vereist. Gelijk(w)aardigheid volstaat.

Andere elementen die bij de equivalentietoets in aanmerking zouden kunnen worden genomen, zijn de kring van vorderingsgerechtigden, de procedurele voorschriften die bij het annulatieberoep moeten worden nageleefd en de rechtsgevolgen van een vonnis of arrest tot nietigverklaring, waaronder het gezag en de terugwerkende kracht ervan. Of hieruit eventueel argumenten kunnen geput om de Raad van State zijn rechtsmacht terug te geven, is natuurlijk maar de vraag en vereist een doorgedreven vergelijking van het vennootschapsrechtelijk en administratiefrechtelijk annulatiecontentieux.

8. In ieder geval zal de Raad van State, zodra art. 2:44 W.V.V. in werking is getreden, systematisch zijn eigen rechtsmacht in vraag moeten stellen wanneer hij met een vordering tot nietigverklaring van een vennootschapsrechtelijk vormgegeven administratieve overheid wordt geadieerd.

En daar stopt het zelfs niet. Art. 2:44 W.V.V. viseert immers niet alleen de besluiten van organen van vennootschappen, maar heeft integendeel alle besluiten van alle organen van alle in het W.V.V. geregelde rechtsvormen op het oog, dus ook van de vzw en de stichting. Bovendien is ook het schorsingscontentieux van de Raad van State in hetzelfde vennootschapsrechtelijk bedje ziek.

9. Was dit de bedoeling van de (vennootschaps)wetgever? Neen, absoluut niet. De weerslag van de inwerkingtreding van art. 2:44 W.V.V. op de rechtsmacht van de Raad van State is niet alleen een onbedoeld gevolg van de modernisering van het vennootschapsrecht, het is ongetwijfeld ook ongewenst.

Enkel de wetgever kan (en moet) mijns inziens hier orde op zaken stellen. Hoe hij dat moet doen, is een ander paar mouwen. Het vennootschapsrecht heeft immers baat bij de huidige formulering van art. 2:44 W.V.V., alleen het administratief procesrecht is er niet mee gediend.

Tina Coen
FWO-aspirante VUB

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s