Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen: naschrift

Een post door gastblogger Tina Coen (VUB)

1. Nadat mijn blogpost  over de weerslag van art. 2:44 WVV op de rechtsmacht van de Raad van State in juli jl. werd gepubliceerd, zijn er twee zaken gebeurd die een kort naschrift vragen.

Vooreerst heeft het Rechtskundig Weekblad recent mijn artikel gepubliceerd waarin ik uitgebreid inga op de problematiek die in deze blogpost kort werd geschetst. U kan het volledige artikel terugvinden in de 8ste aflevering van jaargang 2019-20, blz. 283-296 of raadplegen op de website van het tijdschrift (www.rw.be) of via www.jurisquare.be.

2. Ten tweede is op 4 oktober jl. een wetsvoorstel ingediend om – onder andere – tegemoet te komen aan de door mij geschetste problematiek. Las de wetgever misschien mee?

Er wordt namelijk voorgesteld om art. 2:44, 1ste lid WVV als volgt te herformuleren:

[b]ehoudens wanneer het besluit van het orgaan van de rechtspersoon tevens een akte of reglement van een administratieve overheid, in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1° van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, uitmaakt, spreekt de ondernemingsrechtbank de nietigheid van een besluit uit op verzoek van de rechtspersoon of een persoon die belang heeft bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen.”

Op zich moet dit voorstel worden toegejuicht, weze het dat ik persoonlijk voor een andere legistieke oplossing zou hebben gekozen (cf. mijn artikel in het Rechtskundig Weekblad). Los daarvan is het belangrijk te beseffen dat de voorgestelde wetswijziging niet betekent dat alles bij het oude zal blijven.

3. Zo zal de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, de lege ferenda bevoegd worden voor de meeste besluiten van de algemene vergadering van een administratieve overheid, terwijl die onder oud art. 178 W.Venn. allemaal tot de exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank behoorde. Dat zal ongetwijfeld tot nieuwe rechtspraak aanleiding geven, nu de Raad van State (of de ondernemingsrechtbank) standpunt zal moeten innemen over de vraag of besluiten inzake winstbestemming, inzake kwijting van bestuurders, inzake goedkeuring van de jaarrekening, inzake statutenwijzigingen, enz. al of niet tot het subjectief contentieux moeten worden gerekend. In dat geval blijft immers de ondernemingsrechtbank bevoegd, los van de carve out die aan art. 2:44 WVV zou worden toegevoegd.

Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de nietigheid van specifieke besluiten van de algemene vergadering van de in het WVV geregelde rechtspersonen door andere bepalingen dan art. 2:44 WVV wordt beheerst. Denk bijvoorbeeld aan de nietigverklaring “bij rechterlijke beslissing” wegens vormgebrek van een besluit houdende wijziging van de bepalingen van de statuten en van de oprichtingsakte (art. 2:34 j° 2:39 WVV), de nietigverklaring “door de ondernemingsrechtbank” van een fusie- of splitsingsbesluit (art. 12:19-12:20 WVV), de nietigverklaring “door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zitting houdend zoals in kortgeding” van het besluit van de algemene vergadering houdende (her)benoeming of opzegging van de commissaris (art. 3:58, §4 en 3:92 WVV). Deze bepalingen worden niet door de voorgestelde wijziging gevat.

4. De lege ferenda zal de grote rechtsmachtsverschuiving wellicht achterwege blijven, maar de verhouding tussen de rechtsmacht van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, en de ondernemingsrechtbank zal ongetwijfeld scherper worden gesteld dan voorheen.

Ik ben alvast benieuwd.

Tina Coen
FWO-aspirante VUB

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s