Reorganisatieprocedures en het verleden: onontgonnen terrein

De onvolprezen Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijkend
en Internationaal Insolventierecht (NVRII) heeft recent de (open access) preadviezen 2025 gepubliceerd, onder de voor Belgische juristen intrigerende titel “Wegpoets WHOA or Scheme of Erasures?”. Rode draad doorheen deze adviezen is de vraag of/hoe (ook) reorganisatieprocedures achteruit moeten/kunnen kijken.

“Reorganization procedures are sometimes a better way to deal with insolvent companies than to liquidate the company. Reorganization procedures aim to capture the going concern value for creditors by ‘right-sizing the capital structure’ or providing creditors with a necessary and often overdue ‘hair-cut’. These metaphors do not take away that creditors are commonly forced to accept less than full payment on their claims. Not only the outcome of a reorganization procedure is markedly different from a liquidation procedure, but also the way of dealing with the past is quite different. In case of liquidation procedures, an appointed Insolvency Practitioner will review transactions conducted prior to insolvency through the lens of transaction avoidance and review behaviour of directors and shareholders through the lens of liability. Reorganization procedures are so much geared towards saving the business and the company and are thereby so much forward-looking that there appears to be little room for looking back. One could even question whether a less noble goal of starting reorganization procedures might in some cases be to prevent looking back.”

Aan deze rode draad worden drie interessante rapporten gewijd. Voor de Belgische lezer is dit zeer interessant want de vraag of reorganisatieprocedures voldoende achteruit kijken, is niet of nauwelijks geproblematiseerd onder Belgisch recht. Anders gesteld: daar waar het faillissementsrecht zowel naar het verleden (en voor een belangrijk deel) als naar de toekomst kijkt, richt het reorganisatierecht zich bijna uitsluitend op de toekomst (en de “verdeling” van deze veronderstelde toekomst). Lezing van de rapporten doet minstens de vraag rijzen of de historische dimensie prominenter aan bod moet komen in het Belgische reorganisatierecht.

‘Consumentborg’ in een vennootschap- of verenigingscontext

Boek 9, titel 1 treedt in werking op 1 januari 2026

Op 1 januari 2026 treedt boek 9 titel 1 BW in werking. Zoals bekend wordt daarbij het beschermingsregime voor de ‘kosteloze borg’ vervangen door dat van de ‘consumentenborg’. Hier wil ik kort bekijken wat dit betekent voor persoonlijke zekerheden gesteld door een insider (bestuurder, aandeelhouder) voor schulden van een vennootschap.

Art. 9.1.42 al. 1 BW verwijst vooreerst voor de definitie van consument naar art. I.1, 2° WER: “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen”. Deze definitie, hoewel anders geformuleerd, vormt een zwaluwstaartverbinding met de correlatieve functionele definitie van een onderming als secundair ondernemingsbegrip dat het aanknopingspunt vormt voor enkele boeken van het WER (“duurzaam een economische doel nastreven” – zie bv. art. I.6, 12° of I.8, 39° WER). De definitie van consument is altijd situationeel te bekijken voor de betrokken handeling. Een natuurlijke persoon die onderneming is (in formele of in functionele zin- breviter: een zelfstandige), kan dus voor bepaalde handelingen als consument worden beschouwd. De hoedanigheid op het ogenblik van de zekerheidstelling is relevant. De schuldeiser draagt de bewijslast dat de persoonlijke zekerheidsteller geen consument is voor doelstellingen van boek 9 (art. 9.1.43 al. 4 BW).

Deze definitie maakt dat bestuurders die zich persoonlijk zeker stellen voor hun vennootschap geen beroep kunnen doen op de bescherming voor consumentenborgen. Diensten gesteld door een natuurlijke persoon als vennootschapsmandataris als zelfstandige (en niet als werknemer in ongeschikt verband) worden beschouwd als een professionele activiteit (J. Vananroye en K.-J. Vandormael, “Boek I WER en Wet Natuurlijke Rechter: van handelsrecht naar ondernemingsrecht”, in Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, 26, nr. 21; J. Vananroye, Leerstukken ondernemingsrecht, Intersentia, 2020, 32, nr. 38.). Een persoonlijke zekerheid door een bestuurder voor een schuld van zijn vennootschap is geen handeling die buiten zijn professionele activiteit valt.

De (betwistbare) cassatie-rechtspraak met een bijkomende ‘organisatie-voorwaarde voor bestuurders als onderneming kunnen worden gekwalificeerd is hier irrelevant: deze rechtspraak gaat over het formele ondernemingsbegrip van art I,1, 1° WER (Zie o.m. in voltallige zitting van de eerste kamer: Cass. 23 november 2023, TRV/RPS, 2024/3, 262, noot I. Vanwalleghem en N. Appermont: “De kwalificatie van bestuurders als onderneming: Errare humanum est, sed perseverare…”). Voor doeleinden van boek 9 speelt het begrip consument (met het functionele ondernemingsbegrip als correlatief en tegengesteld begrip). Voor een bestuurder als zelfstandige zijn bestuursmandaat uitoefent, kan er weinig twijfel zijn dat dit het beschermingsregime van de consumentenborg uitsluit. Zo ook J. Baeck en J. Marchau, “Wetsvoorstel persoonlijke zekerheid: van kosteloze borgtocht naar consumentenborgtocht”, RW 2024-25, 1246, weliswaar m.b.t. de oorspronkelijke formulering van het wetsvoorstel dat sprak over de afwezigheid van een ‘functionele band’.

Dat beschermingsregime kan wel van toepassing zijn op een bestuurder van een VZW die zijn mandaat niet als zelfstandige uitoefent (bv. als de VZW niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting en het mandaat on- of laagbezoldigd wordt uitgeoefend).

Of de betrokken bestuurder al dan niet een substantiële invloed heeft op de gepatroneerde vennootschap is niet bepalend. Dit criterium is een bijkomende reden om het beschermingsregime uit te sluiten indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, maar moet pas onderzocht worden indien de zekerheidsteller onder de gewone definitie van consument valt. Dat is voor de vennootschapsbestuurder dus niet het geval.

Indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, de bescherming van de consumentenborg bovendien niet van toepassing op de zekerheidsteller (ook al is die een consument in de gebruikelijke definitie) indien deze een substantiële invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon.

De verantwoording bij het relevante Amendement 11 verwijst hiervoor naar o.m. naar het begrip controle in art. 1:14 en 1:18 WVV. Art. 1:14 § 1 WVV definieert controle als “de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”. Ik begrijp die verwijzing zo dat als er controle is in de zin van het WVV, er evident sprake is van een substantiële invloed in de zin van boek 9 BW. Ook als er gezamenlijke controle is, is er een substantiële invloed. Onder gezamenlijke controle wordt begrepen “de controle die een beperkt aantal vennoten samen uitoefenen, wanneer zij zijn overeengekomen dat beslissingen over de oriëntatie van het beleid niet zonder hun gemeenschappelijke instemming kunnen worden genomen” (art. 1:18 al. 1 WVV).

 Uit de afwezigheid van controle in de zin van het WVV moet echter niet noodzakelijk de afwezigheid van een substantiële invloed worden afgeleid. In de gewone betekenis van deze woorden ligt de drempel voor dat laatste begrip ligt lager. Te denken valt aan de hypothese van enkele aandeelhouders die elk apart geen controle hebben, die ook geen formele overeenkomst hebben die toelaat te besluiten tot gezamenlijke controle, maar die op het ogenblik van de zekerheidstelling de oriëntatie vanhet beleid wel samen sturen. In zo’n geval lijkt er me ook sprake van substantiële invloed van elk van die aandeelhouders.

Anders dan het oude recht stelt boek 9 de controle en niet het economisch voordeel voorop. Hieruit kan worden afgeleid dat een samenwonende partner van een aandeelhouder of bestuurder wel beroep kan doen op de bescherming voor de consument-borg, wat ondere het oude recht was betwist. Zie de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 (Parl. St. Kamer 2024,  0261/002, p. 14): “Het is met de voorgestelde regeling duidelijk dat het loutere feit dat er een huwelijksrelatie of andere samenwoningsvorm bestaat tussen de hoofdschuldenaar en de borg dan wel tussen de bestuurder of aandeelhouder van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is en de borg, op zichzelf aan deze laatste de bescherming van de regels uit de consumentenborg niet ontneemt. Het feit dat de borg in het kader van de samenwoningsrelatie diensten verricht voor de hoofdschuldenaar of diens vennootschap, ontneemt evenmin deze bescherming. Indien een echtgenoot bijvoorbeeld administratieve taken of de boekhouding doet voor de vennootschap van de andere echtgenoot, betekent dit niet noodzakelijk dat de borg een substantiële invloed op de vennootschap kan hebben.”

Eén passage uit de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 creëert meer mist dan klaarheid:

“Het feit dat de borg bestuurder is binnen de hoofdschuldenaar/rechtspersoon ontneemt hem of haar in beginsel wel de bescherming, tenzij in concreto zou worden aangetoond dat de borg geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap kan hebben, bv. omdat het bestuursmandaat enkel is ingesteld om een consumentenborg te vermijden of omdat de feitelijke bestuurder van de hoofdschuldenaar een beroepsverbod heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor een feitelijke bestuurder bij wie de kwalificatie als feitelijke bestuurder is erkend door een rechter.” (Amendement nr. 11, Parl. St. Kamer 2024, 0261/002, p. 14.)

Waar weinig discussie over kan bestaan is dit:

  • Wie formeel bestuurder is kan in de regel niet genieten van de bescherming van de consumentenborg.
  • Wie de facto bestuurder is (waarbij dit mandaat niet wordt gepubliceerd, bv. omwille van een beroepsverbod) kan niet genieten van de bescherming van de consumentenborg. Zo’n persoon zal overigens in de regel ook een ‘substantiële invloed’ hebben.

Waar ik wel moeite mee heb in de verantwoording, is de suggestie dat een bestuurder zou kunnen aantonen dat hij slechts een sham bestuurder is om wel te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg.

Dat kan gevolgd worden als de betrokken zekerheidsteller op vraag van de schuldeiser enkel bestuurder is geworden om te ontsnappen aan de regels inzake consumentenborg en het voor alle betrokken duidelijk is dat deze bestuurstaak in realiteit niet zal worden uitgevoerd. Het is geen geheim dat financiers soms zeer creatief zijn bij het omzeilen van het beschermingsregime voor natuurlijke personen. Uit de context van de verantwoording lijkt het dat de wetgever hier vooral denkt aan partners van echte bestuurders (die onder de nieuwe regels zoals gezegd dus duidelijk wel onder het beschermingsregime vallen). In dat geval geldt de regel dat tussen partijen de ‘tegenbrief’ (de werkelijke toestand) en niet de gesimuleerde toestand moet worden toegepast (art 5.39 al. 2 BW).

Anders is het voor bv. een stroman van een werkelijke bestuurder getroffen door een beroepsverbod. Het lijkt me ondenkbaar dat deze stroman zich op deze geveinsde toestand kan beroepen om te kunnen genieten van het beschermingsregime, indien de schuldeiser hier niet desbewust aan heeft meegewerkt. Derden te goeder trouw hebben immers de optie om zich te beroepen op de geveinsde toestand (art. 5.39 al. 3 BW).

In géén geval mag uit deze passage worden afgeleid dat een bestuurder-zekerheidsteller kan aantonen dat hij geen substantiële invloed heeft – bv. omdat hij maar één van de velen is – om te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg. De verantwoording bespreekt deze ontsnappingsweg duidelijk in de context van veinzing en spreekt van “geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap.”

* *
*

De conclusie is dat dit beschermingsregime voor persoonlijke zekerheden voor schulden van vennootschappen in de praktijk een eerder zeer beperkte draagwijdte zal hebben.

Dat was niet anders ondere het oude recht voor ‘kosteloze’ borgen. De borgtocht werd geacht ‘kosteloos’ te zijn wanneer enig economisch voordeel ontbreekt, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling. Die kosteloosheid werd in de regel niet aanvaard bij persoonlijke zekerheden door insiders voor hun vennootschap (Zie uitgebreid en kritisch M.E. Storme, Persoonlijke zekerheden en aanverwante rechtsfiguren, 56-60). Hoewel het begrip ‘kosteloos’ hiermee werd gerekt (ibid., 59), spoort het wel met het idee dat persoonlijke zekerheden door vennootschapsinsiders met minder argwaan mogen worden bekeken dan die ten voordele van bv. familieleden of vrienden.

De persoonlijke zekerheid door de insider (natuurlijk persoon, rechtspersoon of andere organisatie) van een vennootschap is immers van een andere orde dan persoonlijke zekerheden in andere situaties, voor economische ‘echte derden’. De zekerheidsteller zal doorgaans de controle hebben over de hoofdschuldenaar en heeft ook een direct belang bij diense financiële situatie. In de feiten identificeert de controlerende aandeelhouder zich sterk met de vennootschap die economisch niet echt een derde is. Men zou kunnen zeggen: bij een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is het de niet-aansprakelijkheid van de controlerende aandeelhouder voor een activiteit die hij controleert en waarvan hij de vruchten plukt, die eigenaardig is. Een persoonlijke zekerheid van die aandeelhouder is slechts een terugkeer naar de normale aansprakelijkheid van een ondernemer die geen vennootschap gebruikt of een moedervennootschap die geen dochtervennootschap heeft.

Joeri Vananroye

PhD Workshop on European/International Insolvency Law | apply by December 31, 2025

Following seven successful editions, the Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection (BWILC) is pleased to announce its 8th PhD Workshop on European/International Insolvency Law. PhD students are invited to present their research ideas in the area of European/ International Insolvency Law, and discuss the challenges and questions they face.

Objectives of the PhD Workshop

The workshop aims to achieve two main goals. First, it provides PhD students in the area of European/International Insolvency Law a chance to connect with peers who are more or less at the same stage of their academic career. They can meet, exchange experiences and create a network. Second, the workshop allows each participant to present, test and discuss its (developing) research ideas in front of fellow colleagues as well as experienced professors.

Participate in the PhD Workshop

This years’ workshop will take place at KU Leuven (Leuven, Belgium). The workshop is organised by the Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection, which supports the international and European insolvency law section in the library of the Leiden Law School. BWILC provides one night of accommodation in Leuven and, to the extent not otherwise reimbursed, a maximum of 50% of travel expenses up to EUR 250,- for those invited to give a research presentation.

Responsibility for the review of applications and the workshop lies with the Board of BWILC, consisting of Prof. Reinout Vriesendorp (chair), Dr. Gert-Jan Boon, Prof. Juanita Calitz, Prof. Stephan Madaus, Smitha Menon, Dr. Paul Omar, Dr. Neeti Shikha, and Prof. Joeri Vananroye. Prof. em. Bob Wessels is involved as a patron.

The Law of Capitalism and How to Transform It – An Evening with Professor Katharina Pistor

Leuven (Belgium), Provinciehuis, Thursday 15 January 2026, 6 pm

On Thursday 15 January 2026, 18:00 at the Provinciehuis in Leuven (Belgium) Professor Katharina Pistor of Columbia Law School will introduce her new book on The Law of Capitalism and How to Transform It in discussion with the audience and moderated by Professor Joeri Vananroye (Institute for Insolvency Law, KU Leuven). Attendance is free, but please register via this link before 14 January 2026.

Even though capitalism has been conventionally described as an economic system, it is actually a deeply entrenched legal regime. Law provides the material for coding simple objects, promises, and ideas as capital assets. It also provides the means for avoiding the legal constraints that societies have frequently imposed on capitalism. By exploring the ways that Western legal systems empower individuals to advance their interests against society, Katharina Pistor reveals how capitalism is an unsustainable system designed to foster inequity. She offers ideas for rethinking how the transformation of the law and the economy can help us create a more just system—before it is too late.

In 2019 Professor Pistor presented her book The Code of Capital: How the Law Creates Wealth and Inequality at the KU Leuven for a large audience. See here for videos of the event. An early version of the ideas in this book was presented at the 2016 Heremans Lectures in Law & Economics at KU Leuven. Professor Pistor received in 2024 a doctorate honoris causa from the University of Antwerp.

Attendance is free, but please register via this link before 14 January 2026.

NextGen Insolvency: studenten reflecteren over uitdagingen in het insolventierecht

Uitnodiging gratis studieavond

Naar goede gewoonte organiseren de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen een studieavond onder begeleiding van prof. Melissa Vanmeenen.

Tijdens deze achttiende editie geven studenten toelichting bij een aantal thema’s uit het insolventierecht.

De studieavond gaat door op dinsdag 16 december 2025 om 19u, in lokaal C.103, Stadscampus UAntwerpen. (ingang via gebouw E naast Agora Café, Grote Kauwenberg 2 – volg de gang langs de sporthal en neem de trap naar de eerste verdieping)

Iedereen is welkom, gratis registreren kan via deze link.

Meer info: mail naar melissa.vanmeenen@uantwerpen.be  of via deze linkedin post

Insolventierecht: een synopsis in minder dan 4500 woorden

Insolventierecht is het recht van schaarste: waar aanspraken botsen en waarde moet worden verdeeld zonder dat elk kan krijgen wat hem krachtens het niet-insolventierecht toekomt. Deze schaarste dwingt het privaatrecht tot zijn scherpste keuzes. Insolventierecht is daardoor een zeer technisch en een zeer politiek rechtsdomein.

Het onderscheid tussen zakelijke dan wel persoonlijke rechten komt in alle scherpte naar voor in de insolventiehypothese. Waar het zakelijk recht een reële aanspraak geeft op een goed (un droit réel), heeft de schuldeiser slechts een hoopvolle verwachting van een toekomstige realisatie (une créance).

Continue reading “Insolventierecht: een synopsis in minder dan 4500 woorden”

De wijze jeugd aan het woord. Over de toekomst van het vennootschaps- en financieel recht

Cashpoolovereenkomsten zijn efficiënte tools voor het liquiditeitsbeheer binnen vennootschapsgroepen, dat staat vast. Maar wist u ook dat ze bijzondere risico’s met zich meebrengen, niet in het minst wanneer ze in stand worden gehouden wanneer de groep of een deel ervan in financiële moeilijkheden verzeild geraakt. De persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders loert in dergelijke gevallen om de hoek. Waar ligt evenwel de grens tussen efficiënt liquiditeitsbeheer en misbruik van een groepsstructuur?

Dat het WVV belangrijke versoepelingen met zich bracht, onder meer op het vlak van de variaties die aan de rechten van aandeelhouders kunnen worden aangebracht, staat niet ter discussie. Eén van de drijfveren voor zoveel soepelheid was om investeringen aan te trekken of minstens in België te houden en investeerders niet noodzakelijk juridische omwegen te moeten zien maken langs buitenlandse vehikels. De private equity sector, met Luxemburg als traditioneel gastland, was hierbij een duidelijke target. Is ons WVV evenwel flexibel genoeg om deze sector te accommoderen? En zo ja, zijn de belangen van schuldeisers en minderheidsaandeelhouders dan wel nog voldoende beschermd?

Wat Central Securities Depositors (CSD’s) doen, was voor de plannen van de Europese Commissie met de in België aangehouden Russische tegoeden voor velen onbekend. Hun rol is nochtans vanuit vele opzichten cruciaal, zowel vanuit het perspectief van het vennootschaps- als het financieel recht. In belangrijke mate onontgonnen terrein in België was lange tijd de vraag naar de impact van incidenten in de “chain of intermediaries” (i.e. de ketting van aan de CSD tot de eigenlijke effectenhouder) op de rechten van aandeelhouders. Ondertussen dringt de vraag zich op of de DLT-technologie op dat vlak niet voor een aanzienlijke vereenvoudiging zou kunnen zorgen.

De aansprakelijkheid van de kredietverlener; een evergreen in het Belgisch privaat bankrecht. Zorgt de spectaculaire omwenteling in het regelgevend kader voor kredietinstellingen van de voorbije jaren, en in het bijzondere de prominente plaats die ESG-overwegingen in die regelgeving heeft ingenomen, voor een wijziging in de traditionele theorie over de aansprakelijkheid van de kredietverlener? Kunnen banken straks aansprakelijk worden gesteld wanneer blijkt dat zij, al dan niet in strijd met eigen publieke aankondigingen, krediet verlenen voor activiteiten die internationale milieunormen of de mensenrechten schenden? Wat is de mogelijke impact op de kredietverlening?

Bovenstaande vier thema’s stonden centraal in het doctoraatsonderzoek van vier recent gedoctoreerden van het Instituut Financieel Recht (IFR) van de UGent. Omdat het IFR trots is op haar alumni en we de enorme kennis en inzichten die ze de voorbije jaren hebben verzameld graag met het ruime publiek willen delen, organiseren we op 4/12 aanstaande een seminarie waarin de vier doctores het woord nemen. Ze nemen ons mee doorheen hun belangrijkste bevindingen, linken deze aan de juridische actualiteit en hebben bijzondere aandacht voor de praktische implicaties van hun onderzoek. De uiteenzettingen zijn ook online beschikbaar als een on demand webinar.

Doc-serie Vennootschaps- en financieel recht
Donderdag 4 december 2025 – 16.30 – 19.30 uur – Gent
Eveneens beschikbaar als online webinar
Deelnemers aan het seminarie of het webinar ontvangen 15% korting op de aankoop van de commerciële uitgave van de proefschriften van de sprekers.
Info en inschrijvingen https://gandaiusacademy.ugent.be/programma/rechtsdomeinen/2025-2026doc-ven-fin

Vennootschapsrechtelijke aandachtspunten bij groepsfinanciering
Dr. Louis De Meulemeester, advocaat bij Clifford Chance LLP

Agency conflicten in private equity-investeringen
Dr. Liselotte Van Coillie, advocaat in het fund structuring team van Argo Law

Ketens van tussenpersonen en Distributed Ledger Technologie (DLT) in de kapitaalmarkten
Dr. Louise Van Marcke, advocaat bij DLA Piper’s Financial Services & Insurance team en Praktijkassistent UGent

Bankaansprakelijkheid voor milieuschade en mensenrechtenschendingen
Dr. Niels Rogge, Praktijkassistent UGent

Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers

Orb Gent, 13 november 2025

Een nieuwigheid van het voorlaatste faillissementsrecht (2018) was de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende. Dit gaf de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Daarbij rees de vraag hoe een gedeeltelijke kwijtschelding onder de schuldeisers moest worden omgeslagen: enkel voor de zich verzettende schuldeiser, voor alle schuldeisers, hoe rekening te houden met de rangorde?

Het nieuwe art. XX.173 § 3 al. 3 stelt sinds 1 september 2023 (n.a.v. implementatie Hestructureringsrichtlijn): “De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang.” Dit lijkt er vanuit te gaan dat een gedeeltelijke weigering altijd geldt voor alle schuldeisers en bestaat uit een breukdeel dat voor alle schuldeisers wordt toegepast (en geen absoluut bedrag dat dan verder de rangorde volgt).

Daarmee leek de wetgever komaf te maken met de mogelijkheid dat de rechtbank ook specifieke schuldvorderingen kan uitsluiten van kwijtschelding i.p.v. één globale gedeeltelijke weigering die alle schuldeisers ten goede komt (zie voorheen D. De Marez en C. Stragier, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, 310, nr. 583 en hier).

We hebben deze inperking van de mogelijkheden van de insolventierechtbank op deze blog betreurd. Als de gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding een vorm van “bestuursaansprakelijkheid” is voor de natuurlijke persoon, dan is de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding een manier om de sanctie af te stemmen op de schade die door de onrechtmatigheid werd veroorzaakt.

Continue reading “Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers”

Wettelijke bedenktijd voor het bestuur van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen

Aankondiging van rondetafelgesprek op 10 november 2025 en korte teaser

Zoals verschillende andere landen volgt het Nederlandse vennootschapsrecht het stakeholder model: uit de Cancunuitspraak en de Nederlandse Corporate Governance Code volgt dat het bestuur moet handelen in het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming, wat betekent dat het bestuur het “bestendige succes van de onderneming” moet bevorderen en de belangen van de stakeholders tegen elkaar moet afwegen.

Wat Nederland op corporate governance vlak bijzonder maakt is dat het vennootschapsrecht op verschillende manieren de rechten van aandeelhouders inperkt om te verhinderen dat de aandeelhouders excessieve druk zetten op het bestuur om hun eigen belangen te laten prevaleren op het bredere vennootschapsbelang. 

Een voorbeeld van dit fenomeen is de wettelijke bedenktijd voor het bestuur van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen in artikel 2:114b van het Nederlands Burgerlijk Wetboek. De wettelijke bedenktijd geeft het bestuur van Nederlandse beursvennootschappen de mogelijkheid om, met goedkeuring van de raad van commissarissen, een bedenktijd in te roepen van maximaal 250 dagen wanneer aandeelhouders de benoeming, schorsing of het ontslag (of een statutenwijziging van bepalingen inzake benoeming, schorsing, ontslag) agenderen van bestuurders en/of commissarissen, of wanneer een openbaar bod is aangekondigd of uitgebracht. Gedurende de periode dat de bedenktijd is ingeroepen wordt de bevoegdheid van de algemene vergadering inzake de benoeming, schorsing of het ontslag van bestuurders en commissarissen (of een statutenwijziging daaromtrent) opgeschort.

Continue reading “Wettelijke bedenktijd voor het bestuur van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen”

De nieuwe Nederlandse geschillenregeling

Een post door Prof. mr. J.M. de Jongh (Erasmus Universiteit Rotterdam, raadsheer Ondernemingskamer)

De twee gezusters

De Belgische wettelijke geschillenregeling is een voorbeeld van een succesvolle ‘legal transplant’: de oorspronkelijke regeling uit 1995 was geïnspireerd door de Nederlandse geschillenregeling uit 1989. Opvallend genoeg heeft de Nederlandse geschillenregeling ruim 35 jaar een kwijnend bestaan geleid, terwijl haar Belgische evenknie tot op de dag van vandaag juist zeer succesvol is.

Continue reading “De nieuwe Nederlandse geschillenregeling”

Professor Ed Morrison (Columbia Law School) on the Law and Economics of Restructuring and Insolvency ~ Dieter Heremans Lectures series in Law & Economics 2025 at KU Leuven (Belgium)

The Dieter Heremans Lectures series in Law & Economics 2025 at KU Leuven (FEB and Faculty of Law and Criminology) will be given by Professor Edward R. Morrison (Columbia Law School).

You are kindly invited to the opening lecture Tuesday November 4 2025, in Grote Aula, (Maria Theresia College), 3000 Leuven (Belgium).

You can register here. Registration if free but mandatory.

Opening Lecture | Why is Insolvency Law Rarely Used By Failing Businesses Around the World? 
Welcome by Professor Joeri Vananroye
Introduction by Professor emeritus Dirk Heremans
Tuesday November 4 : 11u
Grote Aula (Maria Theresia College)
Hosts: Professors Frederik De Leo and Gillis Lindemans

Lecture 2 | Valuation in Corporate Reorganization and Beyond: Why Experts Disagree 
Tuesday November 4: 18u
KU Leuven Campus Brussels, rooom 4215, Hermesgebouw, Stormstraat 2, Brussels
Host: Professor Olivier Roodhooft

Lecture 3 | Why the Model Law on Cross-Border Insolvency is Failing: It’s Time to Change the “Center of Main Interest” (COMI) Rule
Wednesday November 5: 14u
Aula DV1 01.54 (Faculty of Law)
Host: Professor Bram Devolder

Lecture 4 | Corporate Debt Restructuring: Which Firms Restructure Out-of-Court? How Do They Do It? How Does Insolvency Law Influence the Restructuring Process?
Thursday November 6 : 11u
Aula Michotte (Tiensestraat 102)
Host: Professor Marieke Wyckaert

Lecture 5 | What’s Changing in U.S. Corporate Restructuring Today
Friday November 7 : 14u
MSI 00.28 (Erasmusplein 2)
Host: Professor Bert Keirsbilck

You can register here. Registration if free but mandatory.

Continue reading “Professor Ed Morrison (Columbia Law School) on the Law and Economics of Restructuring and Insolvency ~ Dieter Heremans Lectures series in Law & Economics 2025 at KU Leuven (Belgium)”

Kortetermijndenken bij vennootschapsbestuurders

Wat is kortetermijndenken bij vennootschappen? Is er empirisch bewijs dat kortetermijndenken een groot en systematisch probleem is bij bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen? Leidt aandeelhoudersactivisme tot kortetermijndenken? En stimuleren loyauteitsstmerechten en controlerende aandeelhouders langetermijndenken?

Dit zijn vragen die reeds in eerdere blogposts op deze blog aan bod kwamen (zie bijvoorbeeld hier, hier, hier en hier).

In een recent webinar voor Instituut voor Filosofische en Sociaalwetenschappelijke Educatie (Ifese), probeerde ik een antwoord te geven op deze en gerelateerde vragen inzake kortetermijndenken bij vennootschapsbestuurders. Een opname van mijn presentatie is beschikbaar op YouTube.

Mijn presentatie was gebaseerd op een FWO-onderzoeksproject dat ik uitvoer samen met drs. Theo Monnens over “Short-termism in corporate governance: a continental European perspective” en op verschillende papers die ik over dit thema publiceerde met co-auteurs (bijvoorbeeld hier, hier en hier).

Een kort voorproefje van mijn conclusies vindt u hier:

  • Het probleem van kortetermijndenken moet onderscheiden worden van het probleem van externaliteiten veroorzaakt door vennootschappen;
  • Kortetermijndenken kan worden veroorzaakt door kortetemijngerichte investeerders (en te veel aandeelhoudersmacht) of kortetermijngerichte managers (en te weinig aandeelhoudersmacht);
  • Er is geen overtuigend bewijs van systematische macro-economische effecten van kortetermijndenken;
  • Er is geen overtuigend bewijs dat hedge fonds activisten gemiddeld genomen kortetermijngericht zijn;
  • Er is geen overtuigend bewijs dat loyauteitsstemrecht helpt bij het probleem van kortetermijndenken, behalve door het faciliteren van controlerende aandeelhouders;
  • Er zijn goede theoretische en empirische argumenten dat controlerende aandeelhouders zowel positief als negatief kunnen zijn voor langetermijndenken – het hangt af van het type van controlerende aandeelhouder;
  • “One size does not fit all” in corporate governance – ook niet om kortetermijndenken tegen te gaan;
  • Dwingende wetgeving om een zogenaamd probleem van kortetermijndenken aan te pakken is daarom op basis van het huidige bewijs niet gerechtvaardigd.

Voor de volledige redenering verwijs ik naar de YouTube opname of de hierboven genoemde papers.

Tom Vos
Assistant professor, Maastricht University
Visiting professor, Jean-Pierre Blumberg Chair at the University of Antwerp
Research fellow, KU Leuven
Attorney, Linklaters LLP

Themis Insolventierecht (mei 2026)

Schrijf nu in voor Brussel (donderdag 21/05/2026)  of Leuven (ook via livestream) (donderdag 28/05/2026) 

Insolventierecht is aan de beurt in de lopende Themis-cyclus voor juridische navorming. Het doelpubliek bestaat niet alleen uit specialisten in het insolventierecht, maar ook uit juristen die in hun praktijk met insolventie in aanraking komen — met andere woorden: alle juristen

Programma

‘De curator stapt in de schoenen van de gefailleerde’: welke eerdere afspraken binden de schuldeisers?
Prof. dr. Joeri Vananroye
Hoogleraar KU Leuven (Instituut voor Insolventierecht), advocaat te Brussel (Quinz)


Wedersamenstelling van de boedel: aandachtspunten voor debiteur en curator
Prof. dr. Gillis Lindemans
Gastdocent KU Leuven (Intstituut voor Insolventierecht), advocaat te Brussel (Quinz)


Twee sessies:
Brussel (donderdag 21/05/2026) – 14:00-18:00
Leuven (en via livestream) (donderdag 28/05/2026) – 14:00-18:00

Prijsinfo

– Afgestudeerd vóór 2023: 175 euro
– Afgestudeerd – eerste masterdiploma – in 2023, 2024 of 2025: 150 euro
– Deelnemer intern (enkel personeelsleden rechtsfaculteiten KU Leuven, UHasselt en Kulak): 60 euro
Prijzen incl. online en gedrukt cahier en vrij van BTW volgens art. 44, § 2, 4° WBTW (Onderwijs)

Zie in dezelfde cyclus ook de opleiding Personen- en Familierecht (maart 2026) en Vastgoedrecht (april en mei 2026).

Steward ownership: enkel nobele intenties?

Een post door Sofie Cools en Lisa Bueken (Jan Ronse Instituut, KU Leuven)

1. In 2022 haalde het welbekende outdoormerk Patagonia de krantenkoppen toen oprichter Yvon Chouinard alle aandelen in Patagonia Inc. wegschonk aan een trust en een non-profitorganisatie. Patagonia Perpetual Purpose Trust ontving alle aandelen met stemrecht. De aandelen zonder stemrecht en mét winstrechten gingen naar de non-profit organisatie Holdfast Collective. De trust moet haar stemrechten op de algemene vergadering van Patagonia Inc. uitoefenen in lijn met de waarden van Patagonia Inc. en Holdfast Collective moet de dividenden die ze ontvangt van Patagonia Inc. gebruiken om de klimaatcrisis tegen te gaan. “Earth is now our only shareholder” luidde het. Op deze manier hoopte Yvon Chouinard de missie van Patagonia Inc. op lange termijn veilig te stellen.

2. De nieuwe eigendomsstructuur van Patagonia wordt gezien als een schoolvoorbeeld van steward ownership. Het begrip steward ownership vindt zijn oorsprong in Duitsland, waar het door de Purpose Foundation werd gelanceerd. Sindsdien is de steward ownership-beweging wereldwijd in opmars. In steeds meer landen ontstaan organisaties die het model promoten, zoals Steward-Owned in België. Heel wat literatuur over steward ownership is sterk gebaseerd op publicaties van dergelijke organisaties en daardoor soms een tikkeltje idealistisch. Het doel van deze bijdrage is om het fenomeen met een open blik, maar ook kritisch onder de loep te nemen.

Continue reading “Steward ownership: enkel nobele intenties?”

Multiple voting rights vs. loyalty shares: exploring how Belgium’s governance framework might evolve

Belgian companies whose shares are listed on a regulated market or an MTF are currently not allowed to issue ‘true’ multiple voting rights shares (MVS). With the adoption of the Belgian Code on Companies and Associations (BCCA) in 2019, the legislator (re)introduced the possibility for non-listed companies to create MVS, but this option remained unavailable for listed companies. Instead, Article 7:53 of the BCCA only allows listed Belgian companies to include a provision in their articles of association for so-called ‘loyalty’ voting rights shares (LVS), which grant an extra vote per share to shareholders who have continuously held their shares in registered form for at least two years (and provided that the shares are fully paid-up)[1].

Five years since its introduction, the Belgian LVS regime has not quite delivered on its promise of strengthening long-term shareholder engagement in listed companies: its practical uptake has been modest, and its benefits largely concentrated among controlling shareholders[2]. Compared to MVS, the effectiveness of LVS as a control-enhancing mechanism is limited by the fact that (i) it only grants one additional vote per share and (ii) this additional vote is lost when the share is transferred (with limited exceptions). Moreover, LVS have not really contributed to more initial or secondary public offerings but have mainly allowed controlling shareholders to reduce their capital investment while maintaining the same level of voting control.

As part of the EU’s broader effort to make public capital markets more attractive, in particular for small and medium-sized enterprises (SMEs), the MVS Directive[3] requires Member States to permit MVS structures for companies listing on multilateral trading facilities (MTFs). In Belgium, there is growing momentum to go beyond the MVS Directive’s minimum requirements by allowing MVS structures not only on MTFs but also on regulated markets, and by enabling their introduction not just at the IPO stage but also later (hence also for companies that are already listed today). A group of legal experts working under the auspices of the Belgian Centre for Company Law has published a detailed proposal in this sense (see “MVS proposal Belgian Centre for Company Law” and “Multiple voting shares in listed companies in Belgium”) which has received attention in the newspapers recently.[4]

Hereafter, we explore how the introduction of MVS for listed companies may impact the current LVS regime in Belgium and the proposals formulated in this regard by the aforementioned legal expert group. The LVS regime falls outside the scope of the MVS Directive since it does not involve the creation of separate share classes[5]. Nonetheless, when transposing the MVS Directive, the Belgian legislator will have to make certain important policy choices that will also affect LVS.

Continue reading “Multiple voting rights vs. loyalty shares: exploring how Belgium’s governance framework might evolve”