Zekerheden door een VZW of stichting: toets aan het verenigings- of stichtingsbelang

Bij vennootschappen dient een persoonlijke of zakelijke zekerheid die wordt gesteld voor de schuld van een derde en zonder een marktconforme vergoeding verantwoordbaar zijn vanuit het eigen belang van die rechtspersoon.

Daarmee heeft de rechtspersoon een grens aan het beheer van het vermogen die een natuurlijke persoon niet heeft (al zijn er bij natuurlijke personen ook wel een reeks aanvechtingsmogelijkheden voor verarmende handelingen). Dat is de ‘prijs’ die betaald moet worden om te kunnen genieten van vermogenssplitsing (beperkte aansprakelijk en afgescheiden vermogen).

In bv. een vennootschapsgroep zullen activa en passiva worden gecompartimentaliseerd door het oprichten van dochtervennootschappen, waarbij de activa van een entiteit enkel dienen tot verhaal van de schuldeisers van die entiteit en schulden niet kunnen worden verhaald bij andere entiteiten. De prijs die hiervoor betaald moet worden is dat er niet zomaar met activa en schulden geschoven kan worden, bv. door het aangaan van zekerheden. In dat opzicht is de toets aan het vennootschapsbelang een regel van vermogensbescherming die schuldeisers en (eventuele) minderheidsaandeelhouders van een dochtervennootschap wil beschermen.

Dat betekent geenszins dat een zekerheid gesteld voor een andere vennootschap binnen een groep per se strijdig is met het vennootschapsbelang. De rechtspraak erkent dat het individuele vennootschapsbelang op lange termijn gebaat kan met een opoffering op korte termijn in het groepsbelang (zie hierover bv. J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans, “Curb Your Opportunism: Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency in Belgium”, in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, NACIIL Preadviezen, Eleven, Den Haag, 2018, 40 e.v.).

Meestal wordt dit probleem enkel besproken voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Ook andere (privaatrechtelijke) rechtspersonen moeten in principe handelen in hun eigen belang.

Continue reading “Zekerheden door een VZW of stichting: toets aan het verenigings- of stichtingsbelang”

International Conference on European Restructuring and Insolvency Law (26 and 27 March, Leuven, Belgium)

Hosted this year by KU Leuven, CERIL’s 4th International Conference will explore the rapidly expanding landscape of European restructuring and insolvency law. Once an area largely untouched by harmonisation efforts, this field has undergone remarkable transformation in the last years. With reforms driven by the EU’s Capital Markets Union and the prospect of a 28th company and insolvency law regime, change is underway.

This year’s programme will examine the implications of the new EU Insolvency Directive (Insolvency III) for legislators, courts, and practitioners. Building on last year’s CERIL statement, substantive discussions will focus on the European Insolvency Regulation 2015 ahead of the upcoming review. Looking ahead, the conference will explore what the next phase of development may bring — from the design of a 28th EU insolvency regime to the growing impact of digitalisation on restructuring and insolvency practice.

This year, we are pleased to welcome as key note speaker: Prof. René Repasi. He is a Member of the European Parliament, in this capacity he has acted as the shadow rapporteur for the new EU Insolvency Directive. In addition, he is currently the rapporteur for the EU 28th Regime for Innovative Companies, including the rules on insolvency law.

See for the program and registration, see here.

The venue of the conference is the Irish College of St. Antony in Leuven, in a 17th century chapel converted into a modern auditorium.

Additional certification/registration information for Belgian participants:

  • OVB – Orde van Vlaamse Balies (7 points, requested)
  • IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (8 points)
  • IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26143)

Twee vacatures deeltijdse praktijkassistent (5%) insolventierecht


Aan het Instituut voor Insolventie (KU Leuven) zijn er twee vacatures voor een deeltijdse praktijkassistent met een 5% aanstelling.

We zoeken iemand met interesse in het insolventierecht die wil meewerken met het onderwijsteam insolventierecht onder leiding van professor Joeri Vananroye. Dit kan omvatten (deels in functie van de voorkeuren van de kandidaat) :

  • doceren werkcolleges (Leuven);
  • doceren onderwijsgroepen (Hasselt);
  • begeleiden seminaries en masterproeven.

Bij interesse kan de kandidaat ook ingeschakeld worden in het onderzoek van het Instituut (bv. door publiceren van bijdragen of spreken op studiedagen) en in onderwijstaken.

Continue reading “Twee vacatures deeltijdse praktijkassistent (5%) insolventierecht”

Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?

Volgens artikel 1:2 en 1:3 WVV streeft elke VZW of stichting “een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft.” Regelmatig rijst de vraag: “Wat houdt een belangeloos doel precies in?” of ook “Wanneer is een doel belangeloos?” In deze blogpost verduidelijken we waarom die vraag niet eenduidig te beantwoorden is. Het ene belangeloos doel is immers niet het andere.

Continue reading “Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?”

Het uitkeringsverbod bij VZW en stichting: de toets van de marktconformiteit als centrale waarborg tegen vermogenslekken

Artikel 1:2 en artikel 1:3 WVV definiëren het uitkeringsverbod als het verbod voor VZW en stichting om rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen” aan haar oprichters, leden, bestuurders of enig ander persoon, behalve voor uitkeringen die gebeuren in het in de statuten bepaald belangeloos doel. Het uitkeringsverbod onderscheidt VZW’s en stichtingen van vennootschappen. Terwijl het vermogen van een VZW of stichting niet mag worden uitgekeerd aan de personen die het voor het zeggen hebben in de organisatie (de zogenaamde insiders), mogen vennootschappen daarentegen wel uitkeringen doen aan hun aandeelhouders, mits naleving van de wettelijke voorschriften.

Het belang van het uitkeringsverbod is niet te onderschatten.

Continue reading “Het uitkeringsverbod bij VZW en stichting: de toets van de marktconformiteit als centrale waarborg tegen vermogenslekken”

Dagvaarding vereffenaar q.q. na sluiting vereffening: wat als een verkeerde persoon als vereffenaar werd gepubliceerd?

Een vonnis van 3 februari 2026 van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank behandelt een particuliere casus:

  • Een vennootschap wordt failliet verklaard in 2009, waarbij meester X wordt aangesteld als curator.
  • Het faillissement wordt afgesloten in 2016. Dat brengt de sluiting van de vereffening van de rechtspersoon met zich mee waarbij, bij afwezigheid van een vereffenaar, de voormalige zaakvoerder als vereffenaar geldt die desgevallend later nog in die hoedanigheid kan worden gedagvaard.
  • Het vonnis tot sluiting van het faillissement vermeldt correct de voormalige bestuurders als vereffenaars, maar de publicatie van dat vonnis in het BS (wat gebeurt door de griffie) vermeldt per vergissing meester X (de voormalige curator) als vereffenaar.
  • Het Fonds Sluiting Ondernemingen dagvaardt in 2025 de ontbonden en vereffende vennootschap, gebruikmakend van de zgn. ‘passieve rechtspersoonlijkheid’ (die traditioneel gelezen wordt in de verjaringsregel art. 2:143 § 1, vijfde streepje). In casu bleek er een bescheiden bedrag te zijn geconsigneerd, wat de reden was om een titel lastens de vereffende vennootschap te verkrijgen.
  • Na een vereffening verdwijnt een vennootschap als rechtspersoon. De ‘passieve rechtspersoonlijkheid’ die hierop een uitzondering vormt veronderstelt dat de voormalige vereffenaar ‘in hoedanigheid’ wordt gedagvaard. Dit betreft geen vordering tegen de vereffenaar persoonlijk; de vereffenaar is slechts formele procespartij. Als die vordering slaagt verkrijgt de eiser een veroordeling van de vereffende vennootschap.
  • Het Fonds had de voormalige bestuurders ‘in hoedanigheid’ moeten dagvaarden, maar, misleid door de slordige publicatie, wordt meester X als vereffenaar van de vennootschap gedagvaard.

Quid?

Continue reading “Dagvaarding vereffenaar q.q. na sluiting vereffening: wat als een verkeerde persoon als vereffenaar werd gepubliceerd?”

Wat komt er uit Europa af op het insolventierecht: conferentie te Leuven op donderdag 26 en vrijdag 27 maart

De nieuwe EU-Insolventierichtlijn zal weldra moeten worden omgezet door de nationale wetgever. In maart stelt de Commissie het zgn. “28ste regime” voor, met een luik insolventierecht. De Europese Insolventieverordening (2015) wordt op korte termijn herzien.

Het is dan ook geen overdrijving van te spreken van een Big Bang in het Europese insolventierecht. CERIL (Conference of European Insolvency and Restructuring Lawyers) brengt daarom op donderdag 26 en vrijdag 27 maart beleidsmakers, praktizijnen en academici samen in het stemmige, maar onterecht onbekende, Iers College te Leuven voor een conferentie die dit jaar gehost wordt door de KU Leuven (Instituut voor Insolventierecht).

De conferentie is voor Belgische magistraten en leden van de rechterlijke orde erkend door het IGO. Er is erkenning aangevraagd bij OVB en IBJ voor 7 punten. De inschrijvingsprijs omvat koffiepauzes, lunch en een diner op donderdagavond in de Faculty Club te Leuven. De CERIL-conferenties, eerder in Leiden en Vilnius, brengen traditioneel heel wat vooraanstaande insolventiespecialisten uit Europa en daarbuiten samen.

Program

The tentative program for the conference is as follows:

Thursday 26 March 2026 
14:00      
Europe’s New Insolvency Directive
Day Chair: Prof. Reinout Vriesendorp

Sessions:
Keynote | The big bang: the case for the Capital Markets Union and harmonisation of insolvency law
Panel I | Expansion of the EU Insolvency Universe: what will implementation of the Insolvency Directive bring?
Panel II | The EU Insolvency Directive: (new) instruments for practice

This day will conclude with a complimentary drinks reception and a conference dinner.
Friday 27 March 2026
09:00
The way forward: reviewing the EIR 2015, the 28th regime and the impact of digitalisation
Day Chair: Prof. Ignacio Tirado

Sessions:
Keynote | Future perspectives for EU insolvency law
Panel III | Reviewing the EIR 2015: the scope of the Regulation
Panel IV | Reviewing the EIR 2015: cross-border coordination
Panel V | Into the digital age: what digitalisation means for restructuring and insolvency

Meer informatie en inschrijving hier.

Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden

Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden

Een persoonlijke zekerheid door een vertegenwoordiger van een vennootschap kan niet worden ‘verborgen’ in een overeenkomst met de vennootschap die door die vertegenwoordiger wordt ondertekend. De cassatierechtspraak uit de laatste jaren bevestigt in dit verband een gezond formalisme, dat de partij die een zekerheid bedingt verplicht om die zekerheid bij de contractsluiting onmiskenbaar naar voren te schuiven.

Continue reading “Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden”

Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, 14 november 2025

In het eerste college aan studenten van de master Vennootschapsrecht wil ik wel eens de kille buitenwereld binnenhalen door te stellen dat ‘corporate lawyers’ in de eerste jaren van hun carrière 1/3de van hun tijd bezig zijn met het kiezen en correct identificeren van de correcte partij en desgevallend tegenpartij bij allerlei rechtshandelingen.

Welke entiteit van de groep moet partij zijn bij de overeenkomst?; wie moet zich verbinden bij een engagement om het kapitaal te verhogen of een contract met een change-in-control bepaling goed te keuren?; hoe voorkomen dat een overdrachtsbeperking wordt omzeild door een overdracht van de aandelen in de aandeelhouder?; hoe meer in het algemeen contractueel regelen dat met de tegenpartij verwante personen het doel van het contract niet onderuit halen?; wie moet dagvaarden onder een overeenkomst met een vennootschap in oprichting als die oprichting nog niet heeft plaatsgevonden?; wie moet partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst als aandelen in een maatschap zijn ingebracht? … (M.b.t. tot de laatste vraag: evident in ieder geval ook de maatschap, maar geloof me dat er vaak niet wordt aan gedacht).

Een recent vonnis van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel (eerst hier gesignaleerd op Linkedin) illustreert de ingrijpende gevolgen als daar niet wordt over nagedacht — overigens in een veel meer basale casus dan de vragen hiervoor.

Dit is een essentieel aandachtspunt bij alle agressieve rechtshandeling tegen of namens rechtspersonen. Met agressieve rechtshandelingen bedoel ik handelingen die de tegenpartij liever niet ziet komen. Als partijen hetzelfde willen is een verkeerde rechtspersoon snel rechtgezet. Agressieve rechtshandelingen zijn uiteraard dagvaardingen en andere proceshandelingen, maar ook opzeggingen, ingebrekestellingen, eenzijdige mededelingen tot buitengerechtelijke ontbinding, enz. Bij buitengerechtelijke handelingen gebeuren er overigens meer ongelukken, omdat ze niet altijd door juristen worden opgesteld en uitgestuurd. Bij dagvaardingen is er de controle door advocaat en gerechtsdeurwaarder. Dat dit geen volledige garantie biedt toont de besproken uitspraak aan.

Read more: Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

De belangrijkste feiten die aanleiding gaven tot de uitspraak zijn als volgt:

  • Een Belgische technologievennootschap (verweerder) heeft een contractuele relatie met een internationale rekruteringsgroep, laten we het pseudonimiseren als de Headhunter Group. (De officiële pseudonimisering van het vonnis helpt niet echt de lectuur.)
  • Headhunter Group heeft een Ltd. in London (Headhunter Group Ltd) die een bijkantoor in België heeft. Een ‘bijkantoor hebben’ wil zeggen dat deze Engelse vennootschap voldoende aanwezig is om onderworpen te worden aan enkele Belgische verplichtingen, niet in het minst de verplichting om zoals Belgische vennootschappen bepaalde elementen te publiceren ter griffie en het BS en ook in het KBO. Een bijkantoor is geen aparte entiteit: contracten bevoegd afgesloten namens het bijkantoor maken de Engelse Ltd partij.
  • Daarnaast is een Belgische vennootschap die deel uitmaakt van de Headhunter Group: Headhunter Group Belgium BV, vermoedelijk een dochter- of zustervennootschap van de Engelse Ltd.
  • Hoe die contractuele relatie is gedocumenteerd is niet heel duidelijk. Het lijkt erop dat, zoals zo vaak, er geen onderhandse akte is waarop alle partijen duidelijk zijn geïdentificeerd. Wel is er sprake van algemene voorwaarden die zijn uitgewisseld en facturen die werd gestuurd aan de verweerder — telkens naar ik begrijp door Headhunter Group Ltd.
  • De verweerder betaalt niet de vergoeding die verschuldigd zou zijn voor de aanbreng van een consultant en wordt gedagvaard door “Headhunter Group Belgium BV, onderdeel van Headhunter Group Limited, vennootschap naar het Engels recht“.

    Dat is op zich al een erg eigenaardige identificatie. Er wordt duidelijk verwezen naar de Belgische BV, maar toch wordt de link met Engelse Ltd gelegd, met ook haar volledige identificatie; dat is iets dat je enkel doet bij een bijkantoor, dat immers geen zelfstandige rechtspersoon is en slechts het ‘loket’ van de buitenlandse vennootschap.

    Verder is het bizar om de Belgisch BV te omschrijven als “een onderdeel van Headhunter Group Limited”; een rechtspersoon die onderdeel is van een andere rechtspersoon is geen dingetje naar Belgisch recht; en naar ik vermoed evenmin naar Engels recht. Een rechtspersoon kan wel gecontroleerd worden door een andere rechtspersoon; en aldus deel uit maken van een groep. Een groep is echter naar Belgisch en naar Engels geen zelfstandige entiteit, heeft geen eigen rechten en verplichtingen en kan niet in rechte treden of worden gedaagd. Zelfs in de uitzonderlijke gevallen dat er materieelrechtelijk vereenzelviging (‘doorbraak’) is, waarbij entiteiten van een groep aansprakelijk zijn voor mekaars schulden, zal elke entiteit afzonderlijk moeten worden in het geding betrokken als men wil uitvoeren op haar goederen.

Met andere woorden: de identificatie van de eiser kan moeilijk naar iets anders verwijzen dan de Belgische rechtspersoon Headhunter Group Belgium BV. De verwijzing naar Headhunter Group Ltd is te nietszeggend om te kunnen argumenteren dat het hier gaat om een ongelukkige identificatie van het Belgisch bijkantoor.

De rechtbank wijst de eis dan ook af wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Eiser werd veroordeeld tot de kosten van het geding en de juiste vennootschap moet hopen dat de vordering intussen niet is verjaard.

De afwijzing ligt wat mij betreft voor de hand. Wel zou ik eerder simpelweg spreken van ongegrondheid. De eiser beweert een recht te hebben dat hij duidelijk niet heeft, nl. een contractuele vordering onder een contract waarbij hij geen partij is. Dit onderscheid tussen onontvankelijkheid en ongegrondheid heeft wellicht geen belang.

* * *

De verliezende eiser argumenteerde dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin de verkeerde partij wordt gedagvaard, en de situatie waarin de verkeerde partij dagvaardt.

Als dat al zo zou zijn, dan zou ik denken dat een fout m.b.t. de eiser strenger moet worden beoordeeld dan een verkeerde vermelding van de verweerder. Vergissingen omtrent de complexe structuur van een ander zijn sneller te vergeven dan over de eigen zelfgekozen en per hypothese gekende complexiteit. (Al zijn vergissingen over de eigen structuur, opnieuw, veel meer courant dan men zou denken. In de praktijk zijn rechtspersonen ook maar drukke, op pensioen gaande en van job veranderende mensen.)

De juridische middelen voor vergeving van de vergissing lijken me dan niet in het procesrecht (gebrek aan belangenschade) te vinden, maar in het verbintenissenrecht. De eiser zou kunnen aanvoeren dat de (verkeerde) verweerder een fout pleegde die leidde tot het verkeerde idee dat hij de correcte tegenpartij was, minstens dat er in die zin een schijn was die de verweerder kan worden toegerekend.

Het loutere feit dat er meerdere vennootschappen of bijkantoren zijn met een gelijkende naam volstaat uiteraard niet om te spreken van een fout of toerekenbare schijn. Dit is dagelijkse kost in de ondernemingswereld. Wat relevant kan zijn is als de tegenpartij zelf niet duidelijk was in haar identificatie en/of verwarring .

(Om een beroep op de schijnleer te vermijden hebben internationale groepen van dienstverleners, zoals advocatenkantoren of accountants, uitgebreide e-mailondertekeningen om aan te geven dat er verschillende rechtspersonen zijn en namens welke in het concreet geval wordt geadviseerd. Dit voorkomt dat op grond van de schijnleer een accident bij één entiteit, de rest mee de dieperik in kan sleuren. Wie daar doorgaans meer nonchalant mee omgaat zijn dienstverleners die gebruik maken van een managementvennootschap — ook advocaten. De kinderen van de schoenmaker lopen vaak op klompen.)

* * *

De les is dus: kijk goed wie je tegenpartij is in de contractuele documentatie en stuur je opzegging, ingebrekestelling of dagvaarding naar deze partij.

Nee!

Het contract is slechts het startpunt van de identificatieoefening. De partij bij de overeenkomst is vaak niet de partij die eiser of verweerder hoeft te zijn. De contractuele rechten en plichten kunnen immers intussen zijn overgedragen.

Zo kan de tegenpartij het contract hebben overgedragen. Vaak gebeurt dit in het kader van de overdracht van een bedrijfstak, waarbij wordt meegedeeld: gelieve vanaf nu de facturen te betalen op een nieuw rekeningnummer en een nieuwe entiteit. Moet de andere partij dan daarvoor geen toestemming geven? Indien de contractuele verhouding wordt verdergezet en de facturen betaald, gebeurt die toestemming impliciet. Vaak is er ook geen reden om er tegen te zijn; het briefje wordt behandeld als een louter praktisch punt voor Jeanine van boekhouding. Pas later, als verhouding misloopt, moet gehoopt worden dat Josiane van legal een performant informatiesysteem heeft opgezet waardoor het oorspronkelijk contract gelinkt wordt aan de mededeling van de overdracht.

Nog gevaarlijker — en voor vele litigators een makkelijk te vermijden dode hoek — zijn contractsoverdrachten die helemaal niet moeten worden meegedeeld. Dat geldt met name voor herstructureringen in de zin van Boek 12 WVV, zoals een splitsing of een overdracht of inbreng van een bedrijfstak of algemeenheid, waarbij contracten, rechten en verplichtingen overgaan van één rechtspersoon (soms een natuurlijke persoon) op een andere rechtspersoon. De toestemming van de tegenpartij is niet vereist; de overdracht is immers tegenwerpelijk door publicatie in het Belgisch Staatsblad (art. 2:18 WVV). Wie de overdragende vennootschap dagvaardt zal zijn eis zien worden afgewezen (B. Tilleman, N. Van Dammen en K. Dewaele, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, die Keure, 2020, 113, nr. 129).

Elke tegenwerpelijkheidsregel legt een onderzoekslast op. Vaak ligt die onderzoekslast voor de hand. Wie een onroerend goed koopt weet dat hij het hypotheekregister moet checken of er tegenwerpelijke conflicterende zakelijke rechten zijn. Wie een contract afsluit met een vennootschap, weet dat handtekeningsregeling moeten worden gecheckt. Iedere professionele koper checkt bij aankoop van een roerend goed het pandregister op zoek naar een tegenwerpelijk pandrecht of eigendomsvoorbehoud — ja toch?

Minder intuïtief is dat bij elke dagvaarding namens of tegen een rechtspersoon, buiten de context van elke herstructurering om, in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad moet worden gecheckt of er geen tegenwerpelijke overdracht van de litigieuze rechten en verplichtingen is gebeurd.

1/3de van de arbeidstijd? Het zal maar een beetje overdreven zijn.

Joeri Vananroye

CORRECTIE: Een eerdere versie verwarde de datum van het vonnis met de datum van publicatie van het vonnis. Dit werd rechtgezet.

Cash is key, ook in pre-packs. Maar waar blijft het voorrecht?

Jente Dengler (Monard Law) over tussentijdse financiering, boedelschulden en een merkwaardige lacune in het ‘stil faillissement’

Zonder liquiditeit valt elke onderneming stil, hoe beloftevol de doorstartplannen ook zijn. Voor de gerechtelijke reorganisatie voorziet de wetgever sinds jaar en dag een incentive om de motor draaiende te houden en tussentijds krediet te faciliteren: de zgn. ‘synthetische boedelschuld’. Vreemd genoeg ontbreekt dit voorrangsrecht in de toolkit van de Belgische pre-pack. Een gemiste kans, want nét daar is de nood het hoogst.

Continue reading “Cash is key, ook in pre-packs. Maar waar blijft het voorrecht?”

Uitkeringsverbod en belangeloos doel in VZW en stichting (studiemiddag Leuven en online, 6 maart 2026)

VZW’s en stichtingen spelen vandaag een centrale rol in uiteenlopende maatschappelijke en economische contexten. Sinds de beperking op economische activiteiten werd afgeschaft in 2019, is het uitkeringsverbod er de meest fundamentele regel, die deze rechtsvormen onderscheidt van vennootschappen. Ook het belangeloos doel heeft een prominentere betekenis gekregen in de juridische definitie van de VZW en de stichting. Toch rijzen er tal van vragen: Welke verrichtingen en welke doelen zijn toegelaten? Wat zijn de fiscale implicaties van het voeren van economische activiteiten? Wat is goed bestuur in VZW’s en stichtingen? En wie grijpt er in als het fout loopt?

Tijdens een studienamiddag op vrijdag 6 maart 2026 georganiseerde door het Jan Ronse Instituut voor vennootschaps – en financieel recht (KU Leuven) belichten academici en praktijkjuristen deze vragen vanuit een praktijkgerichte en kritische invalshoek. Daarbij komen onder meer de reikwijdte van het uitkeringsverbod en het belangeloos doel, de invulling van het verenigings- en stichtingsbelang, actiemogelijkheden bij wanbeheer en fiscale aandachtspunten aan bod.

Rode draad doorheen de studienamiddag is de commerciële uitgave van het doctoraat van Bram Van Baelen, Uitkeringsverbod en belangeloos doel bij VZW en stichting, waarin deze kernbegrippen uitvoerig worden geanalyseerd als structurele fundamenten van het hedendaagse verenigings- en stichtingsrecht.

PROGRAMMA
13u00 Verwelkoming

Sofie Cools

13u10 Toegelaten verrichtingen en verboden uitkeringen binnen VZW’s en stichtingen

Bram Van Baelen

13u35 Het belangeloos doel van VZW en stichting

Sofie Cools

14u00 Het gebruik van VZW’s en stichtingen in hybride groepsstructuren

Lisa Bueken

14u25 De not-for-profitsector, het WER en het WVV: een evaluatie

Marieke Wyckaert

14u50 Q&A

15u00 Pauze

15u30 Vennootschapsbelang, verenigingsbelang, stichtingsbelang

Joeri Vananroye

15u55 Goed bestuur in VZW’s: een stand van zaken

Marleen Denef

16u20 Actiemiddelen bij wanbeheer in VZW en stichting

Matthias Wauters

16u45 Fiscaliteit van VZW en stichting

Bram Devolder

17u10 Q&A

17u20 Slotwoord

Koen Geens

17u30 Receptie

PRIJS
De deelnameprijs bedraagt 215 EUR en omvat het boek Uitkeringsverbod en belangeloos doel bij VZW en stichting (winkelprijs 160 EUR). De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld. Deelname via livestream is mogelijk.

INSCHRIJVINGSLINK

Inschrijven voor deze studiedag kan hier.

ERKENNINGEN

  • OVB – Orde van Vlaamse Balies (4 punten (C-2025-1128))
  • IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (voortgezette opleiding – aangevraagd voor 4 punten)
  • IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26110, excl. boek)
  • IBR – Instituut van de Bedrijfsrevisoren (categorie 3)
  • ITAA – Institute for Tax Advisors & Accountants (aangevraagd attest type A voor on campus deelname, attest type B voor livestream deelname – 4 uren)
  • Nationale Kamer van Notarissen (werd aangevraagd)

Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert

Vincent Verlaeckt (Ondernemingsrechtbank Gent) over Cass. 1 december 2025, C.24.0339.N/1

1.

In een arrest van 1 december 2025 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de problematiek van de aanvang van de termijnen tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis inzake kwijtschelding van restschulden na faillietverklaring van natuurlijke personen.

Meer bepaald over de vraag of de kennisgeving bij gerechtsbrief een beroepstermijn doet aanvangen.

Continue reading “Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert”

Masterclass insolventierecht

Binnenkort staat een nieuwe lezingenreeks gepland over actuele onderwerpen in het insolventierecht. Volgende onderwerpen passeren de revue.

  • Grensoverschrijdend insolventierecht (Arie Van Hoe en Nicolas Borreman, Cresco);
  • Aansprakelijkheidsrisico’s bij faillissement (Gillis Lindemans en Stijn De Dier, Quinz);
  • De positie van een schuldeiser in insolventiecontext (Dominique De Marez, Eubelius);
  • Distressed M&A in de praktijk (Frederik De Leo en Bart De Bock, NautaDutilh en A&O Shearman).

Nadere info over het voorwerp van de diverse voordrachten en praktische modaliteiten zijn hier te vinden.

Kanttekeningen bij de kwijtschelding

Een post door mr. Guus Van de Voorde (Eubelius)

Van lijfsdwang tot kwijtschelding

Een korte bloemlezing uit de geschiedenis van het insolventierecht toont hoezeer de kwijtschelding een recent gegeven is. Het is nog geen 30 jaar geleden dat de eerste vorm van schuldbevrijding haar intrede maakte in de Belgische rechtsorde met het verschoonbaarheidsregime in de Faillissementswet van ‘98. Daarvoor kon de insolvente schuldenaar levenslang achtervolgd worden door zijn schuldeisers. Het is zelfs nog maar een 150-tal jaar geleden dat hij gespaard wordt van de lijfsdwang.[1] Voorheen was het gebruikelijk dat insolvente schuldenaren strafrechtelijk vervolgd en opgesloten werden.

Nog verder terug in de tijd, in het oude Athene, werkten insolvente schuldenaren in schuldslavernij voor hun schuldeisers tot hun schulden volledig waren afbetaald. Het meest tot de verbeelding spreekt echter de situatie in de oude Romeinse Republiek, waar de derde tafel van de Twaaltafelenwet de insolvente schuldenaar het lot toebedeelde om in stukjes gehakt te worden door zijn schuldeisers in verhouding tot hun aandeel in zijn schulden.[2]

Het contrast met het heden kan dan ook niet groter zijn. Sinds de hervorming van het insolventierecht in 2018 worden alle restschulden van de gefailleerde kwijtgescholden bij de sluiting van het faillissement. Met de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn in 2023 gebeurt dat zelfs automatisch, zonder dat de gefailleerde daartoe ook maar enige inspanning moet leveren.[3] In recordtijd is de kwijtschelding dan ook uitgegroeid van de uitzondering en een gunst, tot de regel en een recht.

De fresh start-fetisj

Continue reading “Kanttekeningen bij de kwijtschelding”

Reorganisatieprocedures en het verleden: onontgonnen terrein

De onvolprezen Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijkend
en Internationaal Insolventierecht (NVRII) heeft recent de (open access) preadviezen 2025 gepubliceerd, onder de voor Belgische juristen intrigerende titel “Wegpoets WHOA or Scheme of Erasures?”. Rode draad doorheen deze adviezen is de vraag of/hoe (ook) reorganisatieprocedures achteruit moeten/kunnen kijken.

“Reorganization procedures are sometimes a better way to deal with insolvent companies than to liquidate the company. Reorganization procedures aim to capture the going concern value for creditors by ‘right-sizing the capital structure’ or providing creditors with a necessary and often overdue ‘hair-cut’. These metaphors do not take away that creditors are commonly forced to accept less than full payment on their claims. Not only the outcome of a reorganization procedure is markedly different from a liquidation procedure, but also the way of dealing with the past is quite different. In case of liquidation procedures, an appointed Insolvency Practitioner will review transactions conducted prior to insolvency through the lens of transaction avoidance and review behaviour of directors and shareholders through the lens of liability. Reorganization procedures are so much geared towards saving the business and the company and are thereby so much forward-looking that there appears to be little room for looking back. One could even question whether a less noble goal of starting reorganization procedures might in some cases be to prevent looking back.”

Aan deze rode draad worden drie interessante rapporten gewijd. Voor de Belgische lezer is dit zeer interessant want de vraag of reorganisatieprocedures voldoende achteruit kijken, is niet of nauwelijks geproblematiseerd onder Belgisch recht. Anders gesteld: daar waar het faillissementsrecht zowel naar het verleden (en voor een belangrijk deel) als naar de toekomst kijkt, richt het reorganisatierecht zich bijna uitsluitend op de toekomst (en de “verdeling” van deze veronderstelde toekomst). Lezing van de rapporten doet minstens de vraag rijzen of de historische dimensie prominenter aan bod moet komen in het Belgische reorganisatierecht.