Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, 14 november 2025

In het eerste college aan studenten van de master Vennootschapsrecht wil ik wel eens de kille buitenwereld binnenhalen door te stellen dat ‘corporate lawyers’ in de eerste jaren van hun carrière 1/3de van hun tijd bezig zijn met het kiezen en correct identificeren van de correcte partij en desgevallend tegenpartij bij allerlei rechtshandelingen.

Welke entiteit van de groep moet partij zijn bij de overeenkomst?; wie moet zich verbinden bij een engagement om het kapitaal te verhogen of een contract met een change-in-control bepaling goed te keuren?; hoe voorkomen dat een overdrachtsbeperking wordt omzeild door een overdracht van de aandelen in de aandeelhouder?; hoe meer in het algemeen contractueel regelen dat met de tegenpartij verwante personen het doel van het contract niet onderuit halen?; wie moet dagvaarden onder een overeenkomst met een vennootschap in oprichting als die oprichting nog niet heeft plaatsgevonden?; wie moet partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst als aandelen in een maatschap zijn ingebracht? … (M.b.t. tot de laatste vraag: evident in ieder geval ook de maatschap, maar geloof me dat er vaak niet wordt aan gedacht).

Een recent vonnis van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel (eerst hier gesignaleerd op Linkedin) illustreert de ingrijpende gevolgen als daar niet wordt over nagedacht — overigens in een veel meer basale casus dan de vragen hiervoor.

Dit is een essentieel aandachtspunt bij alle agressieve rechtshandeling tegen of namens rechtspersonen. Met agressieve rechtshandelingen bedoel ik handelingen die de tegenpartij liever niet ziet komen. Als partijen hetzelfde willen is een verkeerde rechtspersoon snel rechtgezet. Agressieve rechtshandelingen zijn uiteraard dagvaardingen en andere proceshandelingen, maar ook opzeggingen, ingebrekestellingen, eenzijdige mededelingen tot buitengerechtelijke ontbinding, enz. Bij buitengerechtelijke handelingen gebeuren er overigens meer ongelukken, omdat ze niet altijd door juristen worden opgesteld en uitgestuurd. Bij dagvaardingen is er de controle door advocaat en gerechtsdeurwaarder. Dat dit geen volledige garantie biedt toont de besproken uitspraak aan.

Read more: Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

De belangrijkste feiten die aanleiding gaven tot de uitspraak zijn als volgt:

  • Een Belgische technologievennootschap (verweerder) heeft een contractuele relatie met een internationale rekruteringsgroep, laten we het pseudonimiseren als de Headhunter Group. (De officiële pseudonimisering van het vonnis helpt niet echt de lectuur.)
  • Headhunter Group heeft een Ltd. in London (Headhunter Group Ltd) die een bijkantoor in België heeft. Een ‘bijkantoor hebben’ wil zeggen dat deze Engelse vennootschap voldoende aanwezig is om onderworpen te worden aan enkele Belgische verplichtingen, niet in het minst de verplichting om zoals Belgische vennootschappen bepaalde elementen te publiceren ter griffie en het BS en ook in het KBO. Een bijkantoor is geen aparte entiteit: contracten bevoegd afgesloten namens het bijkantoor maken de Engelse Ltd partij.
  • Daarnaast is een Belgische vennootschap die deel uitmaakt van de Headhunter Group: Headhunter Group Belgium BV, vermoedelijk een dochter- of zustervennootschap van de Engelse Ltd.
  • Hoe die contractuele relatie is gedocumenteerd is niet heel duidelijk. Het lijkt erop dat, zoals zo vaak, er geen onderhandse akte is waarop alle partijen duidelijk zijn geïdentificeerd. Wel is er sprake van algemene voorwaarden die zijn uitgewisseld en facturen die werd gestuurd aan de verweerder — telkens naar ik begrijp door Headhunter Group Ltd.
  • De verweerder betaalt niet de vergoeding die verschuldigd zou zijn voor de aanbreng van een consultant en wordt gedagvaard door “Headhunter Group Belgium BV, onderdeel van Headhunter Group Limited, vennootschap naar het Engels recht“.

    Dat is op zich al een erg eigenaardige identificatie. Er wordt duidelijk verwezen naar de Belgische BV, maar toch wordt de link met Engelse Ltd gelegd, met ook haar volledige identificatie; dat is iets dat je enkel doet bij een bijkantoor, dat immers geen zelfstandige rechtspersoon is en slechts het ‘loket’ van de buitenlandse vennootschap.

    Verder is het bizar om de Belgisch BV te omschrijven als “een onderdeel van Headhunter Group Limited”; een rechtspersoon die onderdeel is van een andere rechtspersoon is geen dingetje naar Belgisch recht; en naar ik vermoed evenmin naar Engels recht. Een rechtspersoon kan wel gecontroleerd worden door een andere rechtspersoon; en aldus deel uit maken van een groep. Een groep is echter naar Belgisch en naar Engels geen zelfstandige entiteit, heeft geen eigen rechten en verplichtingen en kan niet in rechte treden of worden gedaagd. Zelfs in de uitzonderlijke gevallen dat er materieelrechtelijk vereenzelviging (‘doorbraak’) is, waarbij entiteiten van een groep aansprakelijk zijn voor mekaars schulden, zal elke entiteit afzonderlijk moeten worden in het geding betrokken als men wil uitvoeren op haar goederen.

Met andere woorden: de identificatie van de eiser kan moeilijk naar iets anders verwijzen dan de Belgische rechtspersoon Headhunter Group Belgium BV. De verwijzing naar Headhunter Group Ltd is te nietszeggend om te kunnen argumenteren dat het hier gaat om een ongelukkige identificatie van het Belgisch bijkantoor.

De rechtbank wijst de eis dan ook af wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Eiser werd veroordeeld tot de kosten van het geding en de juiste vennootschap moet hopen dat de vordering intussen niet is verjaard.

De afwijzing ligt wat mij betreft voor de hand. Wel zou ik eerder simpelweg spreken van ongegrondheid. De eiser beweert een recht te hebben dat hij duidelijk niet heeft, nl. een contractuele vordering onder een contract waarbij hij geen partij is. Dit onderscheid tussen onontvankelijkheid en ongegrondheid heeft wellicht geen belang.

* * *

De verliezende eiser argumenteerde dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin de verkeerde partij wordt gedagvaard, en de situatie waarin de verkeerde partij dagvaardt.

Als dat al zo zou zijn, dan zou ik denken dat een fout m.b.t. de eiser strenger moet worden beoordeeld dan een verkeerde vermelding van de verweerder. Vergissingen omtrent de complexe structuur van een ander zijn sneller te vergeven dan over de eigen zelfgekozen en per hypothese gekende complexiteit. (Al zijn vergissingen over de eigen structuur, opnieuw, veel meer courant dan men zou denken. In de praktijk zijn rechtspersonen ook maar drukke, op pensioen gaande en van job veranderende mensen.)

De juridische middelen voor vergeving van de vergissing lijken me dan niet in het procesrecht (gebrek aan belangenschade) te vinden, maar in het verbintenissenrecht. De eiser zou kunnen aanvoeren dat de (verkeerde) verweerder een fout pleegde die leidde tot het verkeerde idee dat hij de correcte tegenpartij was, minstens dat er in die zin een schijn was die de verweerder kan worden toegerekend.

Het loutere feit dat er meerdere vennootschappen of bijkantoren zijn met een gelijkende naam volstaat uiteraard niet om te spreken van een fout of toerekenbare schijn. Dit is dagelijkse kost in de ondernemingswereld. Wat relevant kan zijn is als de tegenpartij zelf niet duidelijk was in haar identificatie en/of verwarring .

(Om een beroep op de schijnleer te vermijden hebben internationale groepen van dienstverleners, zoals advocatenkantoren of accountants, uitgebreide e-mailondertekeningen om aan te geven dat er verschillende rechtspersonen zijn en namens welke in het concreet geval wordt geadviseerd. Dit voorkomt dat op grond van de schijnleer een accident bij één entiteit, de rest mee de dieperik in kan sleuren. Wie daar doorgaans meer nonchalant mee omgaat zijn dienstverleners die gebruik maken van een managementvennootschap — ook advocaten. De kinderen van de schoenmaker lopen vaak op klompen.)

* * *

De les is dus: kijk goed wie je tegenpartij is in de contractuele documentatie en stuur je opzegging, ingebrekestelling of dagvaarding naar deze partij.

Nee!

Het contract is slechts het startpunt van de identificatieoefening. De partij bij de overeenkomst is vaak niet de partij die eiser of verweerder hoeft te zijn. De contractuele rechten en plichten kunnen immers intussen zijn overgedragen.

Zo kan de tegenpartij het contract hebben overgedragen. Vaak gebeurt dit in het kader van de overdracht van een bedrijfstak, waarbij wordt meegedeeld: gelieve vanaf nu de facturen te betalen op een nieuw rekeningnummer en een nieuwe entiteit. Moet de andere partij dan daarvoor geen toestemming geven? Indien de contractuele verhouding wordt verdergezet en de facturen betaald, gebeurt die toestemming impliciet. Vaak is er ook geen reden om er tegen te zijn; het briefje wordt behandeld als een louter praktisch punt voor Jeanine van boekhouding. Pas later, als verhouding misloopt, moet gehoopt worden dat Josiane van legal een performant informatiesysteem heeft opgezet waardoor het oorspronkelijk contract gelinkt wordt aan de mededeling van de overdracht.

Nog gevaarlijker — en voor vele litigators een makkelijk te vermijden dode hoek — zijn contractsoverdrachten die helemaal niet moeten worden meegedeeld. Dat geldt met name voor herstructureringen in de zin van Boek 12 WVV, zoals een splitsing of een overdracht of inbreng van een bedrijfstak of algemeenheid, waarbij contracten, rechten en verplichtingen overgaan van één rechtspersoon (soms een natuurlijke persoon) op een andere rechtspersoon. De toestemming van de tegenpartij is niet vereist; de overdracht is immers tegenwerpelijk door publicatie in het Belgisch Staatsblad (art. 2:18 WVV). Wie de overdragende vennootschap dagvaardt zal zijn eis zien worden afgewezen (B. Tilleman, N. Van Dammen en K. Dewaele, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, die Keure, 2020, 113, nr. 129).

Elke tegenwerpelijkheidsregel legt een onderzoekslast op. Vaak ligt die onderzoekslast voor de hand. Wie een onroerend goed koopt weet dat hij het hypotheekregister moet checken of er tegenwerpelijke conflicterende zakelijke rechten zijn. Wie een contract afsluit met een vennootschap, weet dat handtekeningsregeling moeten worden gecheckt. Iedere professionele koper checkt bij aankoop van een roerend goed het pandregister op zoek naar een tegenwerpelijk pandrecht of eigendomsvoorbehoud — ja toch?

Minder intuïtief is dat bij elke dagvaarding namens of tegen een rechtspersoon, buiten de context van elke herstructurering om, in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad moet worden gecheckt of er geen tegenwerpelijke overdracht van de litigieuze rechten en verplichtingen is gebeurd.

1/3de van de arbeidstijd? Het zal maar een beetje overdreven zijn.

Joeri Vananroye

CORRECTIE: Een eerdere versie verwarde de datum van het vonnis met de datum van publicatie van het vonnis. Dit werd rechtgezet.

Cash is key, ook in pre-packs. Maar waar blijft het voorrecht?

Jente Dengler (Monard Law) over tussentijdse financiering, boedelschulden en een merkwaardige lacune in het ‘stil faillissement’

Zonder liquiditeit valt elke onderneming stil, hoe beloftevol de doorstartplannen ook zijn. Voor de gerechtelijke reorganisatie voorziet de wetgever sinds jaar en dag een incentive om de motor draaiende te houden en tussentijds krediet te faciliteren: de zgn. ‘synthetische boedelschuld’. Vreemd genoeg ontbreekt dit voorrangsrecht in de toolkit van de Belgische pre-pack. Een gemiste kans, want nét daar is de nood het hoogst.

Continue reading “Cash is key, ook in pre-packs. Maar waar blijft het voorrecht?”

Uitkeringsverbod en belangeloos doel in VZW en stichting (studiemiddag Leuven en online, 6 maart 2026)

VZW’s en stichtingen spelen vandaag een centrale rol in uiteenlopende maatschappelijke en economische contexten. Sinds de beperking op economische activiteiten werd afgeschaft in 2019, is het uitkeringsverbod er de meest fundamentele regel, die deze rechtsvormen onderscheidt van vennootschappen. Ook het belangeloos doel heeft een prominentere betekenis gekregen in de juridische definitie van de VZW en de stichting. Toch rijzen er tal van vragen: Welke verrichtingen en welke doelen zijn toegelaten? Wat zijn de fiscale implicaties van het voeren van economische activiteiten? Wat is goed bestuur in VZW’s en stichtingen? En wie grijpt er in als het fout loopt?

Tijdens een studienamiddag op vrijdag 6 maart 2026 georganiseerde door het Jan Ronse Instituut voor vennootschaps – en financieel recht (KU Leuven) belichten academici en praktijkjuristen deze vragen vanuit een praktijkgerichte en kritische invalshoek. Daarbij komen onder meer de reikwijdte van het uitkeringsverbod en het belangeloos doel, de invulling van het verenigings- en stichtingsbelang, actiemogelijkheden bij wanbeheer en fiscale aandachtspunten aan bod.

Rode draad doorheen de studienamiddag is de commerciële uitgave van het doctoraat van Bram Van Baelen, Uitkeringsverbod en belangeloos doel bij VZW en stichting, waarin deze kernbegrippen uitvoerig worden geanalyseerd als structurele fundamenten van het hedendaagse verenigings- en stichtingsrecht.

PROGRAMMA
13u00 Verwelkoming

Sofie Cools

13u10 Toegelaten verrichtingen en verboden uitkeringen binnen VZW’s en stichtingen

Bram Van Baelen

13u35 Het belangeloos doel van VZW en stichting

Sofie Cools

14u00 Het gebruik van VZW’s en stichtingen in hybride groepsstructuren

Lisa Bueken

14u25 De not-for-profitsector, het WER en het WVV: een evaluatie

Marieke Wyckaert

14u50 Q&A

15u00 Pauze

15u30 Vennootschapsbelang, verenigingsbelang, stichtingsbelang

Joeri Vananroye

15u55 Goed bestuur in VZW’s: een stand van zaken

Marleen Denef

16u20 Actiemiddelen bij wanbeheer in VZW en stichting

Matthias Wauters

16u45 Fiscaliteit van VZW en stichting

Bram Devolder

17u10 Q&A

17u20 Slotwoord

Koen Geens

17u30 Receptie

PRIJS
De deelnameprijs bedraagt 215 EUR en omvat het boek Uitkeringsverbod en belangeloos doel bij VZW en stichting (winkelprijs 160 EUR). De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld. Deelname via livestream is mogelijk.

INSCHRIJVINGSLINK

Inschrijven voor deze studiedag kan hier.

ERKENNINGEN

  • OVB – Orde van Vlaamse Balies (4 punten (C-2025-1128))
  • IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (voortgezette opleiding – aangevraagd voor 4 punten)
  • IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26110, excl. boek)
  • IBR – Instituut van de Bedrijfsrevisoren (categorie 3)
  • ITAA – Institute for Tax Advisors & Accountants (aangevraagd attest type A voor on campus deelname, attest type B voor livestream deelname – 4 uren)
  • Nationale Kamer van Notarissen (werd aangevraagd)

Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert

Vincent Verlaeckt (Ondernemingsrechtbank Gent) over Cass. 1 december 2025, C.24.0339.N/1

1.

In een arrest van 1 december 2025 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de problematiek van de aanvang van de termijnen tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis inzake kwijtschelding van restschulden na faillietverklaring van natuurlijke personen.

Meer bepaald over de vraag of de kennisgeving bij gerechtsbrief een beroepstermijn doet aanvangen.

Continue reading “Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert”

Masterclass insolventierecht

Binnenkort staat een nieuwe lezingenreeks gepland over actuele onderwerpen in het insolventierecht. Volgende onderwerpen passeren de revue.

  • Grensoverschrijdend insolventierecht (Arie Van Hoe en Nicolas Borreman, Cresco);
  • Aansprakelijkheidsrisico’s bij faillissement (Gillis Lindemans en Stijn De Dier, Quinz);
  • De positie van een schuldeiser in insolventiecontext (Dominique De Marez, Eubelius);
  • Distressed M&A in de praktijk (Frederik De Leo en Bart De Bock, NautaDutilh en A&O Shearman).

Nadere info over het voorwerp van de diverse voordrachten en praktische modaliteiten zijn hier te vinden.

Kanttekeningen bij de kwijtschelding

Een post door mr. Guus Van de Voorde (Eubelius)

Van lijfsdwang tot kwijtschelding

Een korte bloemlezing uit de geschiedenis van het insolventierecht toont hoezeer de kwijtschelding een recent gegeven is. Het is nog geen 30 jaar geleden dat de eerste vorm van schuldbevrijding haar intrede maakte in de Belgische rechtsorde met het verschoonbaarheidsregime in de Faillissementswet van ‘98. Daarvoor kon de insolvente schuldenaar levenslang achtervolgd worden door zijn schuldeisers. Het is zelfs nog maar een 150-tal jaar geleden dat hij gespaard wordt van de lijfsdwang.[1] Voorheen was het gebruikelijk dat insolvente schuldenaren strafrechtelijk vervolgd en opgesloten werden.

Nog verder terug in de tijd, in het oude Athene, werkten insolvente schuldenaren in schuldslavernij voor hun schuldeisers tot hun schulden volledig waren afbetaald. Het meest tot de verbeelding spreekt echter de situatie in de oude Romeinse Republiek, waar de derde tafel van de Twaaltafelenwet de insolvente schuldenaar het lot toebedeelde om in stukjes gehakt te worden door zijn schuldeisers in verhouding tot hun aandeel in zijn schulden.[2]

Het contrast met het heden kan dan ook niet groter zijn. Sinds de hervorming van het insolventierecht in 2018 worden alle restschulden van de gefailleerde kwijtgescholden bij de sluiting van het faillissement. Met de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn in 2023 gebeurt dat zelfs automatisch, zonder dat de gefailleerde daartoe ook maar enige inspanning moet leveren.[3] In recordtijd is de kwijtschelding dan ook uitgegroeid van de uitzondering en een gunst, tot de regel en een recht.

De fresh start-fetisj

Continue reading “Kanttekeningen bij de kwijtschelding”

Reorganisatieprocedures en het verleden: onontgonnen terrein

De onvolprezen Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijkend
en Internationaal Insolventierecht (NVRII) heeft recent de (open access) preadviezen 2025 gepubliceerd, onder de voor Belgische juristen intrigerende titel “Wegpoets WHOA or Scheme of Erasures?”. Rode draad doorheen deze adviezen is de vraag of/hoe (ook) reorganisatieprocedures achteruit moeten/kunnen kijken.

“Reorganization procedures are sometimes a better way to deal with insolvent companies than to liquidate the company. Reorganization procedures aim to capture the going concern value for creditors by ‘right-sizing the capital structure’ or providing creditors with a necessary and often overdue ‘hair-cut’. These metaphors do not take away that creditors are commonly forced to accept less than full payment on their claims. Not only the outcome of a reorganization procedure is markedly different from a liquidation procedure, but also the way of dealing with the past is quite different. In case of liquidation procedures, an appointed Insolvency Practitioner will review transactions conducted prior to insolvency through the lens of transaction avoidance and review behaviour of directors and shareholders through the lens of liability. Reorganization procedures are so much geared towards saving the business and the company and are thereby so much forward-looking that there appears to be little room for looking back. One could even question whether a less noble goal of starting reorganization procedures might in some cases be to prevent looking back.”

Aan deze rode draad worden drie interessante rapporten gewijd. Voor de Belgische lezer is dit zeer interessant want de vraag of reorganisatieprocedures voldoende achteruit kijken, is niet of nauwelijks geproblematiseerd onder Belgisch recht. Anders gesteld: daar waar het faillissementsrecht zowel naar het verleden (en voor een belangrijk deel) als naar de toekomst kijkt, richt het reorganisatierecht zich bijna uitsluitend op de toekomst (en de “verdeling” van deze veronderstelde toekomst). Lezing van de rapporten doet minstens de vraag rijzen of de historische dimensie prominenter aan bod moet komen in het Belgische reorganisatierecht.

‘Consumentborg’ in een vennootschap- of verenigingscontext

Boek 9, titel 1 treedt in werking op 1 januari 2026

Op 1 januari 2026 treedt boek 9 titel 1 BW in werking. Zoals bekend wordt daarbij het beschermingsregime voor de ‘kosteloze borg’ vervangen door dat van de ‘consumentenborg’. Hier wil ik kort bekijken wat dit betekent voor persoonlijke zekerheden gesteld door een insider (bestuurder, aandeelhouder) voor schulden van een vennootschap.

Art. 9.1.42 al. 1 BW verwijst vooreerst voor de definitie van consument naar art. I.1, 2° WER: “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen”. Deze definitie, hoewel anders geformuleerd, vormt een zwaluwstaartverbinding met de correlatieve functionele definitie van een onderming als secundair ondernemingsbegrip dat het aanknopingspunt vormt voor enkele boeken van het WER (“duurzaam een economische doel nastreven” – zie bv. art. I.6, 12° of I.8, 39° WER). De definitie van consument is altijd situationeel te bekijken voor de betrokken handeling. Een natuurlijke persoon die onderneming is (in formele of in functionele zin- breviter: een zelfstandige), kan dus voor bepaalde handelingen als consument worden beschouwd. De hoedanigheid op het ogenblik van de zekerheidstelling is relevant. De schuldeiser draagt de bewijslast dat de persoonlijke zekerheidsteller geen consument is voor doelstellingen van boek 9 (art. 9.1.43 al. 4 BW).

Deze definitie maakt dat bestuurders die zich persoonlijk zeker stellen voor hun vennootschap geen beroep kunnen doen op de bescherming voor consumentenborgen. Diensten gesteld door een natuurlijke persoon als vennootschapsmandataris als zelfstandige (en niet als werknemer in ongeschikt verband) worden beschouwd als een professionele activiteit (J. Vananroye en K.-J. Vandormael, “Boek I WER en Wet Natuurlijke Rechter: van handelsrecht naar ondernemingsrecht”, in Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, 26, nr. 21; J. Vananroye, Leerstukken ondernemingsrecht, Intersentia, 2020, 32, nr. 38.). Een persoonlijke zekerheid door een bestuurder voor een schuld van zijn vennootschap is geen handeling die buiten zijn professionele activiteit valt.

De (betwistbare) cassatie-rechtspraak met een bijkomende ‘organisatie-voorwaarde voor bestuurders als onderneming kunnen worden gekwalificeerd is hier irrelevant: deze rechtspraak gaat over het formele ondernemingsbegrip van art I,1, 1° WER (Zie o.m. in voltallige zitting van de eerste kamer: Cass. 23 november 2023, TRV/RPS, 2024/3, 262, noot I. Vanwalleghem en N. Appermont: “De kwalificatie van bestuurders als onderneming: Errare humanum est, sed perseverare…”). Voor doeleinden van boek 9 speelt het begrip consument (met het functionele ondernemingsbegrip als correlatief en tegengesteld begrip). Voor een bestuurder als zelfstandige zijn bestuursmandaat uitoefent, kan er weinig twijfel zijn dat dit het beschermingsregime van de consumentenborg uitsluit. Zo ook J. Baeck en J. Marchau, “Wetsvoorstel persoonlijke zekerheid: van kosteloze borgtocht naar consumentenborgtocht”, RW 2024-25, 1246, weliswaar m.b.t. de oorspronkelijke formulering van het wetsvoorstel dat sprak over de afwezigheid van een ‘functionele band’.

Dat beschermingsregime kan wel van toepassing zijn op een bestuurder van een VZW die zijn mandaat niet als zelfstandige uitoefent (bv. als de VZW niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting en het mandaat on- of laagbezoldigd wordt uitgeoefend).

Of de betrokken bestuurder al dan niet een substantiële invloed heeft op de gepatroneerde vennootschap is niet bepalend. Dit criterium is een bijkomende reden om het beschermingsregime uit te sluiten indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, maar moet pas onderzocht worden indien de zekerheidsteller onder de gewone definitie van consument valt. Dat is voor de vennootschapsbestuurder dus niet het geval.

Indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, de bescherming van de consumentenborg bovendien niet van toepassing op de zekerheidsteller (ook al is die een consument in de gebruikelijke definitie) indien deze een substantiële invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon.

De verantwoording bij het relevante Amendement 11 verwijst hiervoor naar o.m. naar het begrip controle in art. 1:14 en 1:18 WVV. Art. 1:14 § 1 WVV definieert controle als “de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”. Ik begrijp die verwijzing zo dat als er controle is in de zin van het WVV, er evident sprake is van een substantiële invloed in de zin van boek 9 BW. Ook als er gezamenlijke controle is, is er een substantiële invloed. Onder gezamenlijke controle wordt begrepen “de controle die een beperkt aantal vennoten samen uitoefenen, wanneer zij zijn overeengekomen dat beslissingen over de oriëntatie van het beleid niet zonder hun gemeenschappelijke instemming kunnen worden genomen” (art. 1:18 al. 1 WVV).

 Uit de afwezigheid van controle in de zin van het WVV moet echter niet noodzakelijk de afwezigheid van een substantiële invloed worden afgeleid. In de gewone betekenis van deze woorden ligt de drempel voor dat laatste begrip ligt lager. Te denken valt aan de hypothese van enkele aandeelhouders die elk apart geen controle hebben, die ook geen formele overeenkomst hebben die toelaat te besluiten tot gezamenlijke controle, maar die op het ogenblik van de zekerheidstelling de oriëntatie vanhet beleid wel samen sturen. In zo’n geval lijkt er me ook sprake van substantiële invloed van elk van die aandeelhouders.

Anders dan het oude recht stelt boek 9 de controle en niet het economisch voordeel voorop. Hieruit kan worden afgeleid dat een samenwonende partner van een aandeelhouder of bestuurder wel beroep kan doen op de bescherming voor de consument-borg, wat ondere het oude recht was betwist. Zie de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 (Parl. St. Kamer 2024,  0261/002, p. 14): “Het is met de voorgestelde regeling duidelijk dat het loutere feit dat er een huwelijksrelatie of andere samenwoningsvorm bestaat tussen de hoofdschuldenaar en de borg dan wel tussen de bestuurder of aandeelhouder van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is en de borg, op zichzelf aan deze laatste de bescherming van de regels uit de consumentenborg niet ontneemt. Het feit dat de borg in het kader van de samenwoningsrelatie diensten verricht voor de hoofdschuldenaar of diens vennootschap, ontneemt evenmin deze bescherming. Indien een echtgenoot bijvoorbeeld administratieve taken of de boekhouding doet voor de vennootschap van de andere echtgenoot, betekent dit niet noodzakelijk dat de borg een substantiële invloed op de vennootschap kan hebben.”

Eén passage uit de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 creëert meer mist dan klaarheid:

“Het feit dat de borg bestuurder is binnen de hoofdschuldenaar/rechtspersoon ontneemt hem of haar in beginsel wel de bescherming, tenzij in concreto zou worden aangetoond dat de borg geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap kan hebben, bv. omdat het bestuursmandaat enkel is ingesteld om een consumentenborg te vermijden of omdat de feitelijke bestuurder van de hoofdschuldenaar een beroepsverbod heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor een feitelijke bestuurder bij wie de kwalificatie als feitelijke bestuurder is erkend door een rechter.” (Amendement nr. 11, Parl. St. Kamer 2024, 0261/002, p. 14.)

Waar weinig discussie over kan bestaan is dit:

  • Wie formeel bestuurder is kan in de regel niet genieten van de bescherming van de consumentenborg.
  • Wie de facto bestuurder is (waarbij dit mandaat niet wordt gepubliceerd, bv. omwille van een beroepsverbod) kan niet genieten van de bescherming van de consumentenborg. Zo’n persoon zal overigens in de regel ook een ‘substantiële invloed’ hebben.

Waar ik wel moeite mee heb in de verantwoording, is de suggestie dat een bestuurder zou kunnen aantonen dat hij slechts een sham bestuurder is om wel te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg.

Dat kan gevolgd worden als de betrokken zekerheidsteller op vraag van de schuldeiser enkel bestuurder is geworden om te ontsnappen aan de regels inzake consumentenborg en het voor alle betrokken duidelijk is dat deze bestuurstaak in realiteit niet zal worden uitgevoerd. Het is geen geheim dat financiers soms zeer creatief zijn bij het omzeilen van het beschermingsregime voor natuurlijke personen. Uit de context van de verantwoording lijkt het dat de wetgever hier vooral denkt aan partners van echte bestuurders (die onder de nieuwe regels zoals gezegd dus duidelijk wel onder het beschermingsregime vallen). In dat geval geldt de regel dat tussen partijen de ‘tegenbrief’ (de werkelijke toestand) en niet de gesimuleerde toestand moet worden toegepast (art 5.39 al. 2 BW).

Anders is het voor bv. een stroman van een werkelijke bestuurder getroffen door een beroepsverbod. Het lijkt me ondenkbaar dat deze stroman zich op deze geveinsde toestand kan beroepen om te kunnen genieten van het beschermingsregime, indien de schuldeiser hier niet desbewust aan heeft meegewerkt. Derden te goeder trouw hebben immers de optie om zich te beroepen op de geveinsde toestand (art. 5.39 al. 3 BW).

In géén geval mag uit deze passage worden afgeleid dat een bestuurder-zekerheidsteller kan aantonen dat hij geen substantiële invloed heeft – bv. omdat hij maar één van de velen is – om te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg. De verantwoording bespreekt deze ontsnappingsweg duidelijk in de context van veinzing en spreekt van “geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap.”

* *
*

De conclusie is dat dit beschermingsregime voor persoonlijke zekerheden voor schulden van vennootschappen in de praktijk een eerder zeer beperkte draagwijdte zal hebben.

Dat was niet anders ondere het oude recht voor ‘kosteloze’ borgen. De borgtocht werd geacht ‘kosteloos’ te zijn wanneer enig economisch voordeel ontbreekt, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling. Die kosteloosheid werd in de regel niet aanvaard bij persoonlijke zekerheden door insiders voor hun vennootschap (Zie uitgebreid en kritisch M.E. Storme, Persoonlijke zekerheden en aanverwante rechtsfiguren, 56-60). Hoewel het begrip ‘kosteloos’ hiermee werd gerekt (ibid., 59), spoort het wel met het idee dat persoonlijke zekerheden door vennootschapsinsiders met minder argwaan mogen worden bekeken dan die ten voordele van bv. familieleden of vrienden.

De persoonlijke zekerheid door de insider (natuurlijk persoon, rechtspersoon of andere organisatie) van een vennootschap is immers van een andere orde dan persoonlijke zekerheden in andere situaties, voor economische ‘echte derden’. De zekerheidsteller zal doorgaans de controle hebben over de hoofdschuldenaar en heeft ook een direct belang bij diense financiële situatie. In de feiten identificeert de controlerende aandeelhouder zich sterk met de vennootschap die economisch niet echt een derde is. Men zou kunnen zeggen: bij een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is het de niet-aansprakelijkheid van de controlerende aandeelhouder voor een activiteit die hij controleert en waarvan hij de vruchten plukt, die eigenaardig is. Een persoonlijke zekerheid van die aandeelhouder is slechts een terugkeer naar de normale aansprakelijkheid van een ondernemer die geen vennootschap gebruikt of een moedervennootschap die geen dochtervennootschap heeft.

Joeri Vananroye

PhD Workshop on European/International Insolvency Law | apply by December 31, 2025

Following seven successful editions, the Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection (BWILC) is pleased to announce its 8th PhD Workshop on European/International Insolvency Law. PhD students are invited to present their research ideas in the area of European/ International Insolvency Law, and discuss the challenges and questions they face.

Objectives of the PhD Workshop

The workshop aims to achieve two main goals. First, it provides PhD students in the area of European/International Insolvency Law a chance to connect with peers who are more or less at the same stage of their academic career. They can meet, exchange experiences and create a network. Second, the workshop allows each participant to present, test and discuss its (developing) research ideas in front of fellow colleagues as well as experienced professors.

Participate in the PhD Workshop

This years’ workshop will take place at KU Leuven (Leuven, Belgium). The workshop is organised by the Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection, which supports the international and European insolvency law section in the library of the Leiden Law School. BWILC provides one night of accommodation in Leuven and, to the extent not otherwise reimbursed, a maximum of 50% of travel expenses up to EUR 250,- for those invited to give a research presentation.

Responsibility for the review of applications and the workshop lies with the Board of BWILC, consisting of Prof. Reinout Vriesendorp (chair), Dr. Gert-Jan Boon, Prof. Juanita Calitz, Prof. Stephan Madaus, Smitha Menon, Dr. Paul Omar, Dr. Neeti Shikha, and Prof. Joeri Vananroye. Prof. em. Bob Wessels is involved as a patron.

The Law of Capitalism and How to Transform It – An Evening with Professor Katharina Pistor

Leuven (Belgium), Provinciehuis, Thursday 15 January 2026, 6 pm

On Thursday 15 January 2026, 18:00 at the Provinciehuis in Leuven (Belgium) Professor Katharina Pistor of Columbia Law School will introduce her new book on The Law of Capitalism and How to Transform It in discussion with the audience and moderated by Professor Joeri Vananroye (Institute for Insolvency Law, KU Leuven). The event is sold out and it’s not longer possible to register.

Even though capitalism has been conventionally described as an economic system, it is actually a deeply entrenched legal regime. Law provides the material for coding simple objects, promises, and ideas as capital assets. It also provides the means for avoiding the legal constraints that societies have frequently imposed on capitalism. By exploring the ways that Western legal systems empower individuals to advance their interests against society, Katharina Pistor reveals how capitalism is an unsustainable system designed to foster inequity. She offers ideas for rethinking how the transformation of the law and the economy can help us create a more just system—before it is too late.

In 2019 Professor Pistor presented her book The Code of Capital: How the Law Creates Wealth and Inequality at the KU Leuven for a large audience. See here for videos of the event. An early version of the ideas in this book was presented at the 2016 Heremans Lectures in Law & Economics at KU Leuven. Professor Pistor received in 2024 a doctorate honoris causa from the University of Antwerp.

Attendance is free, but please register via this link before 14 January 2026.

NextGen Insolvency: studenten reflecteren over uitdagingen in het insolventierecht

Uitnodiging gratis studieavond

Naar goede gewoonte organiseren de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen een studieavond onder begeleiding van prof. Melissa Vanmeenen.

Tijdens deze achttiende editie geven studenten toelichting bij een aantal thema’s uit het insolventierecht.

De studieavond gaat door op dinsdag 16 december 2025 om 19u, in lokaal C.103, Stadscampus UAntwerpen. (ingang via gebouw E naast Agora Café, Grote Kauwenberg 2 – volg de gang langs de sporthal en neem de trap naar de eerste verdieping)

Iedereen is welkom, gratis registreren kan via deze link.

Meer info: mail naar melissa.vanmeenen@uantwerpen.be  of via deze linkedin post

Insolventierecht: een synopsis in minder dan 4500 woorden

Insolventierecht is het recht van schaarste: waar aanspraken botsen en waarde moet worden verdeeld zonder dat elk kan krijgen wat hem krachtens het niet-insolventierecht toekomt. Deze schaarste dwingt het privaatrecht tot zijn scherpste keuzes. Insolventierecht is daardoor een zeer technisch en een zeer politiek rechtsdomein.

Het onderscheid tussen zakelijke dan wel persoonlijke rechten komt in alle scherpte naar voor in de insolventiehypothese. Waar het zakelijk recht een reële aanspraak geeft op een goed (un droit réel), heeft de schuldeiser slechts een hoopvolle verwachting van een toekomstige realisatie (une créance).

Continue reading “Insolventierecht: een synopsis in minder dan 4500 woorden”

De wijze jeugd aan het woord. Over de toekomst van het vennootschaps- en financieel recht

Cashpoolovereenkomsten zijn efficiënte tools voor het liquiditeitsbeheer binnen vennootschapsgroepen, dat staat vast. Maar wist u ook dat ze bijzondere risico’s met zich meebrengen, niet in het minst wanneer ze in stand worden gehouden wanneer de groep of een deel ervan in financiële moeilijkheden verzeild geraakt. De persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders loert in dergelijke gevallen om de hoek. Waar ligt evenwel de grens tussen efficiënt liquiditeitsbeheer en misbruik van een groepsstructuur?

Dat het WVV belangrijke versoepelingen met zich bracht, onder meer op het vlak van de variaties die aan de rechten van aandeelhouders kunnen worden aangebracht, staat niet ter discussie. Eén van de drijfveren voor zoveel soepelheid was om investeringen aan te trekken of minstens in België te houden en investeerders niet noodzakelijk juridische omwegen te moeten zien maken langs buitenlandse vehikels. De private equity sector, met Luxemburg als traditioneel gastland, was hierbij een duidelijke target. Is ons WVV evenwel flexibel genoeg om deze sector te accommoderen? En zo ja, zijn de belangen van schuldeisers en minderheidsaandeelhouders dan wel nog voldoende beschermd?

Wat Central Securities Depositors (CSD’s) doen, was voor de plannen van de Europese Commissie met de in België aangehouden Russische tegoeden voor velen onbekend. Hun rol is nochtans vanuit vele opzichten cruciaal, zowel vanuit het perspectief van het vennootschaps- als het financieel recht. In belangrijke mate onontgonnen terrein in België was lange tijd de vraag naar de impact van incidenten in de “chain of intermediaries” (i.e. de ketting van aan de CSD tot de eigenlijke effectenhouder) op de rechten van aandeelhouders. Ondertussen dringt de vraag zich op of de DLT-technologie op dat vlak niet voor een aanzienlijke vereenvoudiging zou kunnen zorgen.

De aansprakelijkheid van de kredietverlener; een evergreen in het Belgisch privaat bankrecht. Zorgt de spectaculaire omwenteling in het regelgevend kader voor kredietinstellingen van de voorbije jaren, en in het bijzondere de prominente plaats die ESG-overwegingen in die regelgeving heeft ingenomen, voor een wijziging in de traditionele theorie over de aansprakelijkheid van de kredietverlener? Kunnen banken straks aansprakelijk worden gesteld wanneer blijkt dat zij, al dan niet in strijd met eigen publieke aankondigingen, krediet verlenen voor activiteiten die internationale milieunormen of de mensenrechten schenden? Wat is de mogelijke impact op de kredietverlening?

Bovenstaande vier thema’s stonden centraal in het doctoraatsonderzoek van vier recent gedoctoreerden van het Instituut Financieel Recht (IFR) van de UGent. Omdat het IFR trots is op haar alumni en we de enorme kennis en inzichten die ze de voorbije jaren hebben verzameld graag met het ruime publiek willen delen, organiseren we op 4/12 aanstaande een seminarie waarin de vier doctores het woord nemen. Ze nemen ons mee doorheen hun belangrijkste bevindingen, linken deze aan de juridische actualiteit en hebben bijzondere aandacht voor de praktische implicaties van hun onderzoek. De uiteenzettingen zijn ook online beschikbaar als een on demand webinar.

Doc-serie Vennootschaps- en financieel recht
Donderdag 4 december 2025 – 16.30 – 19.30 uur – Gent
Eveneens beschikbaar als online webinar
Deelnemers aan het seminarie of het webinar ontvangen 15% korting op de aankoop van de commerciële uitgave van de proefschriften van de sprekers.
Info en inschrijvingen https://gandaiusacademy.ugent.be/programma/rechtsdomeinen/2025-2026doc-ven-fin

Vennootschapsrechtelijke aandachtspunten bij groepsfinanciering
Dr. Louis De Meulemeester, advocaat bij Clifford Chance LLP

Agency conflicten in private equity-investeringen
Dr. Liselotte Van Coillie, advocaat in het fund structuring team van Argo Law

Ketens van tussenpersonen en Distributed Ledger Technologie (DLT) in de kapitaalmarkten
Dr. Louise Van Marcke, advocaat bij DLA Piper’s Financial Services & Insurance team en Praktijkassistent UGent

Bankaansprakelijkheid voor milieuschade en mensenrechtenschendingen
Dr. Niels Rogge, Praktijkassistent UGent

Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers

Orb Gent, 13 november 2025

Een nieuwigheid van het voorlaatste faillissementsrecht (2018) was de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende. Dit gaf de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Daarbij rees de vraag hoe een gedeeltelijke kwijtschelding onder de schuldeisers moest worden omgeslagen: enkel voor de zich verzettende schuldeiser, voor alle schuldeisers, hoe rekening te houden met de rangorde?

Het nieuwe art. XX.173 § 3 al. 3 stelt sinds 1 september 2023 (n.a.v. implementatie Hestructureringsrichtlijn): “De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang.” Dit lijkt er vanuit te gaan dat een gedeeltelijke weigering altijd geldt voor alle schuldeisers en bestaat uit een breukdeel dat voor alle schuldeisers wordt toegepast (en geen absoluut bedrag dat dan verder de rangorde volgt).

Daarmee leek de wetgever komaf te maken met de mogelijkheid dat de rechtbank ook specifieke schuldvorderingen kan uitsluiten van kwijtschelding i.p.v. één globale gedeeltelijke weigering die alle schuldeisers ten goede komt (zie voorheen D. De Marez en C. Stragier, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, 310, nr. 583 en hier).

We hebben deze inperking van de mogelijkheden van de insolventierechtbank op deze blog betreurd. Als de gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding een vorm van “bestuursaansprakelijkheid” is voor de natuurlijke persoon, dan is de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding een manier om de sanctie af te stemmen op de schade die door de onrechtmatigheid werd veroorzaakt.

Continue reading “Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers”

Wettelijke bedenktijd voor het bestuur van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen

Aankondiging van rondetafelgesprek op 10 november 2025 en korte teaser

Zoals verschillende andere landen volgt het Nederlandse vennootschapsrecht het stakeholder model: uit de Cancunuitspraak en de Nederlandse Corporate Governance Code volgt dat het bestuur moet handelen in het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming, wat betekent dat het bestuur het “bestendige succes van de onderneming” moet bevorderen en de belangen van de stakeholders tegen elkaar moet afwegen.

Wat Nederland op corporate governance vlak bijzonder maakt is dat het vennootschapsrecht op verschillende manieren de rechten van aandeelhouders inperkt om te verhinderen dat de aandeelhouders excessieve druk zetten op het bestuur om hun eigen belangen te laten prevaleren op het bredere vennootschapsbelang. 

Een voorbeeld van dit fenomeen is de wettelijke bedenktijd voor het bestuur van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen in artikel 2:114b van het Nederlands Burgerlijk Wetboek. De wettelijke bedenktijd geeft het bestuur van Nederlandse beursvennootschappen de mogelijkheid om, met goedkeuring van de raad van commissarissen, een bedenktijd in te roepen van maximaal 250 dagen wanneer aandeelhouders de benoeming, schorsing of het ontslag (of een statutenwijziging van bepalingen inzake benoeming, schorsing, ontslag) agenderen van bestuurders en/of commissarissen, of wanneer een openbaar bod is aangekondigd of uitgebracht. Gedurende de periode dat de bedenktijd is ingeroepen wordt de bevoegdheid van de algemene vergadering inzake de benoeming, schorsing of het ontslag van bestuurders en commissarissen (of een statutenwijziging daaromtrent) opgeschort.

Continue reading “Wettelijke bedenktijd voor het bestuur van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen”