‘Consumentborg’ in een vennootschap- of verenigingscontext

Boek 9, titel 1 treedt in werking op 1 januari 2026

Op 1 januari 2026 treedt boek 9 titel 1 BW in werking. Zoals bekend wordt daarbij het beschermingsregime voor de ‘kosteloze borg’ vervangen door dat van de ‘consumentenborg’. Hier wil ik kort bekijken wat dit betekent voor persoonlijke zekerheden gesteld door een insider (bestuurder, aandeelhouder) voor schulden van een vennootschap.

Art. 9.1.42 al. 1 BW verwijst vooreerst voor de definitie van consument naar art. I.1, 2° WER: “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen”. Deze definitie, hoewel anders geformuleerd, vormt een zwaluwstaartverbinding met de correlatieve functionele definitie van een onderming als secundair ondernemingsbegrip dat het aanknopingspunt vormt voor enkele boeken van het WER (“duurzaam een economische doel nastreven” – zie bv. art. I.6, 12° of I.8, 39° WER). De definitie van consument is altijd situationeel te bekijken voor de betrokken handeling. Een natuurlijke persoon die onderneming is (in formele of in functionele zin- breviter: een zelfstandige), kan dus voor bepaalde handelingen als consument worden beschouwd. De hoedanigheid op het ogenblik van de zekerheidstelling is relevant. De schuldeiser draagt de bewijslast dat de persoonlijke zekerheidsteller geen consument is voor doelstellingen van boek 9 (art. 9.1.43 al. 4 BW).

Deze definitie maakt dat bestuurders die zich persoonlijk zeker stellen voor hun vennootschap geen beroep kunnen doen op de bescherming voor consumentenborgen. Diensten gesteld door een natuurlijke persoon als vennootschapsmandataris als zelfstandige (en niet als werknemer in ongeschikt verband) worden beschouwd als een professionele activiteit (J. Vananroye en K.-J. Vandormael, “Boek I WER en Wet Natuurlijke Rechter: van handelsrecht naar ondernemingsrecht”, in Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, 26, nr. 21; J. Vananroye, Leerstukken ondernemingsrecht, Intersentia, 2020, 32, nr. 38.). Een persoonlijke zekerheid door een bestuurder voor een schuld van zijn vennootschap is geen handeling die buiten zijn professionele activiteit valt.

De (betwistbare) cassatie-rechtspraak met een bijkomende ‘organisatie-voorwaarde voor bestuurders als onderneming kunnen worden gekwalificeerd is hier irrelevant: deze rechtspraak gaat over het formele ondernemingsbegrip van art I,1, 1° WER (Zie o.m. in voltallige zitting van de eerste kamer: Cass. 23 november 2023, TRV/RPS, 2024/3, 262, noot I. Vanwalleghem en N. Appermont: “De kwalificatie van bestuurders als onderneming: Errare humanum est, sed perseverare…”). Voor doeleinden van boek 9 speelt het begrip consument (met het functionele ondernemingsbegrip als correlatief en tegengesteld begrip). Voor een bestuurder als zelfstandige zijn bestuursmandaat uitoefent, kan er weinig twijfel zijn dat dit het beschermingsregime van de consumentenborg uitsluit. Zo ook J. Baeck en J. Marchau, “Wetsvoorstel persoonlijke zekerheid: van kosteloze borgtocht naar consumentenborgtocht”, RW 2024-25, 1246, weliswaar m.b.t. de oorspronkelijke formulering van het wetsvoorstel dat sprak over de afwezigheid van een ‘functionele band’.

Dat beschermingsregime kan wel van toepassing zijn op een bestuurder van een VZW die zijn mandaat niet als zelfstandige uitoefent (bv. als de VZW niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting en het mandaat on- of laagbezoldigd wordt uitgeoefend).

Of de betrokken bestuurder al dan niet een substantiële invloed heeft op de gepatroneerde vennootschap is niet bepalend. Dit criterium is een bijkomende reden om het beschermingsregime uit te sluiten indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, maar moet pas onderzocht worden indien de zekerheidsteller onder de gewone definitie van consument valt. Dat is voor de vennootschapsbestuurder dus niet het geval.

Indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, de bescherming van de consumentenborg bovendien niet van toepassing op de zekerheidsteller (ook al is die een consument in de gebruikelijke definitie) indien deze een substantiële invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon.

De verantwoording bij het relevante Amendement 11 verwijst hiervoor naar o.m. naar het begrip controle in art. 1:14 en 1:18 WVV. Art. 1:14 § 1 WVV definieert controle als “de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”. Ik begrijp die verwijzing zo dat als er controle is in de zin van het WVV, er evident sprake is van een substantiële invloed in de zin van boek 9 BW. Ook als er gezamenlijke controle is, is er een substantiële invloed. Onder gezamenlijke controle wordt begrepen “de controle die een beperkt aantal vennoten samen uitoefenen, wanneer zij zijn overeengekomen dat beslissingen over de oriëntatie van het beleid niet zonder hun gemeenschappelijke instemming kunnen worden genomen” (art. 1:18 al. 1 WVV).

 Uit de afwezigheid van controle in de zin van het WVV moet echter niet noodzakelijk de afwezigheid van een substantiële invloed worden afgeleid. In de gewone betekenis van deze woorden ligt de drempel voor dat laatste begrip ligt lager. Te denken valt aan de hypothese van enkele aandeelhouders die elk apart geen controle hebben, die ook geen formele overeenkomst hebben die toelaat te besluiten tot gezamenlijke controle, maar die op het ogenblik van de zekerheidstelling de oriëntatie vanhet beleid wel samen sturen. In zo’n geval lijkt er me ook sprake van substantiële invloed van elk van die aandeelhouders.

Anders dan het oude recht stelt boek 9 de controle en niet het economisch voordeel voorop. Hieruit kan worden afgeleid dat een samenwonende partner van een aandeelhouder of bestuurder wel beroep kan doen op de bescherming voor de consument-borg, wat ondere het oude recht was betwist. Zie de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 (Parl. St. Kamer 2024,  0261/002, p. 14): “Het is met de voorgestelde regeling duidelijk dat het loutere feit dat er een huwelijksrelatie of andere samenwoningsvorm bestaat tussen de hoofdschuldenaar en de borg dan wel tussen de bestuurder of aandeelhouder van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is en de borg, op zichzelf aan deze laatste de bescherming van de regels uit de consumentenborg niet ontneemt. Het feit dat de borg in het kader van de samenwoningsrelatie diensten verricht voor de hoofdschuldenaar of diens vennootschap, ontneemt evenmin deze bescherming. Indien een echtgenoot bijvoorbeeld administratieve taken of de boekhouding doet voor de vennootschap van de andere echtgenoot, betekent dit niet noodzakelijk dat de borg een substantiële invloed op de vennootschap kan hebben.”

Eén passage uit de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 creëert meer mist dan klaarheid:

“Het feit dat de borg bestuurder is binnen de hoofdschuldenaar/rechtspersoon ontneemt hem of haar in beginsel wel de bescherming, tenzij in concreto zou worden aangetoond dat de borg geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap kan hebben, bv. omdat het bestuursmandaat enkel is ingesteld om een consumentenborg te vermijden of omdat de feitelijke bestuurder van de hoofdschuldenaar een beroepsverbod heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor een feitelijke bestuurder bij wie de kwalificatie als feitelijke bestuurder is erkend door een rechter.” (Amendement nr. 11, Parl. St. Kamer 2024, 0261/002, p. 14.)

Waar weinig discussie over kan bestaan is dit:

  • Wie formeel bestuurder is kan in de regel niet genieten van de bescherming van de consumentenborg.
  • Wie de facto bestuurder is (waarbij dit mandaat niet wordt gepubliceerd, bv. omwille van een beroepsverbod) kan niet genieten van de bescherming van de consumentenborg. Zo’n persoon zal overigens in de regel ook een ‘substantiële invloed’ hebben.

Waar ik wel moeite mee heb in de verantwoording, is de suggestie dat een bestuurder zou kunnen aantonen dat hij slechts een sham bestuurder is om wel te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg.

Dat kan gevolgd worden als de betrokken zekerheidsteller op vraag van de schuldeiser enkel bestuurder is geworden om te ontsnappen aan de regels inzake consumentenborg en het voor alle betrokken duidelijk is dat deze bestuurstaak in realiteit niet zal worden uitgevoerd. Het is geen geheim dat financiers soms zeer creatief zijn bij het omzeilen van het beschermingsregime voor natuurlijke personen. Uit de context van de verantwoording lijkt het dat de wetgever hier vooral denkt aan partners van echte bestuurders (die onder de nieuwe regels zoals gezegd dus duidelijk wel onder het beschermingsregime vallen). In dat geval geldt de regel dat tussen partijen de ‘tegenbrief’ (de werkelijke toestand) en niet de gesimuleerde toestand moet worden toegepast (art 5.39 al. 2 BW).

Anders is het voor bv. een stroman van een werkelijke bestuurder getroffen door een beroepsverbod. Het lijkt me ondenkbaar dat deze stroman zich op deze geveinsde toestand kan beroepen om te kunnen genieten van het beschermingsregime, indien de schuldeiser hier niet desbewust aan heeft meegewerkt. Derden te goeder trouw hebben immers de optie om zich te beroepen op de geveinsde toestand (art. 5.39 al. 3 BW).

In géén geval mag uit deze passage worden afgeleid dat een bestuurder-zekerheidsteller kan aantonen dat hij geen substantiële invloed heeft – bv. omdat hij maar één van de velen is – om te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg. De verantwoording bespreekt deze ontsnappingsweg duidelijk in de context van veinzing en spreekt van “geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap.”

* *
*

De conclusie is dat dit beschermingsregime voor persoonlijke zekerheden voor schulden van vennootschappen in de praktijk een eerder zeer beperkte draagwijdte zal hebben.

Dat was niet anders ondere het oude recht voor ‘kosteloze’ borgen. De borgtocht werd geacht ‘kosteloos’ te zijn wanneer enig economisch voordeel ontbreekt, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling. Die kosteloosheid werd in de regel niet aanvaard bij persoonlijke zekerheden door insiders voor hun vennootschap (Zie uitgebreid en kritisch M.E. Storme, Persoonlijke zekerheden en aanverwante rechtsfiguren, 56-60). Hoewel het begrip ‘kosteloos’ hiermee werd gerekt (ibid., 59), spoort het wel met het idee dat persoonlijke zekerheden door vennootschapsinsiders met minder argwaan mogen worden bekeken dan die ten voordele van bv. familieleden of vrienden.

De persoonlijke zekerheid door de insider (natuurlijk persoon, rechtspersoon of andere organisatie) van een vennootschap is immers van een andere orde dan persoonlijke zekerheden in andere situaties, voor economische ‘echte derden’. De zekerheidsteller zal doorgaans de controle hebben over de hoofdschuldenaar en heeft ook een direct belang bij diense financiële situatie. In de feiten identificeert de controlerende aandeelhouder zich sterk met de vennootschap die economisch niet echt een derde is. Men zou kunnen zeggen: bij een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is het de niet-aansprakelijkheid van de controlerende aandeelhouder voor een activiteit die hij controleert en waarvan hij de vruchten plukt, die eigenaardig is. Een persoonlijke zekerheid van die aandeelhouder is slechts een terugkeer naar de normale aansprakelijkheid van een ondernemer die geen vennootschap gebruikt of een moedervennootschap die geen dochtervennootschap heeft.

Joeri Vananroye

Insolventierecht: een synopsis in minder dan 4500 woorden

Insolventierecht is het recht van schaarste: waar aanspraken botsen en waarde moet worden verdeeld zonder dat elk kan krijgen wat hem krachtens het niet-insolventierecht toekomt. Deze schaarste dwingt het privaatrecht tot zijn scherpste keuzes. Insolventierecht is daardoor een zeer technisch en een zeer politiek rechtsdomein.

Het onderscheid tussen zakelijke dan wel persoonlijke rechten komt in alle scherpte naar voor in de insolventiehypothese. Waar het zakelijk recht een reële aanspraak geeft op een goed (un droit réel), heeft de schuldeiser slechts een hoopvolle verwachting van een toekomstige realisatie (une créance).

Continue reading “Insolventierecht: een synopsis in minder dan 4500 woorden”

Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers

Orb Gent, 13 november 2025

Een nieuwigheid van het voorlaatste faillissementsrecht (2018) was de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende. Dit gaf de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Daarbij rees de vraag hoe een gedeeltelijke kwijtschelding onder de schuldeisers moest worden omgeslagen: enkel voor de zich verzettende schuldeiser, voor alle schuldeisers, hoe rekening te houden met de rangorde?

Het nieuwe art. XX.173 § 3 al. 3 stelt sinds 1 september 2023 (n.a.v. implementatie Hestructureringsrichtlijn): “De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang.” Dit lijkt er vanuit te gaan dat een gedeeltelijke weigering altijd geldt voor alle schuldeisers en bestaat uit een breukdeel dat voor alle schuldeisers wordt toegepast (en geen absoluut bedrag dat dan verder de rangorde volgt).

Daarmee leek de wetgever komaf te maken met de mogelijkheid dat de rechtbank ook specifieke schuldvorderingen kan uitsluiten van kwijtschelding i.p.v. één globale gedeeltelijke weigering die alle schuldeisers ten goede komt (zie voorheen D. De Marez en C. Stragier, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, 310, nr. 583 en hier).

We hebben deze inperking van de mogelijkheden van de insolventierechtbank op deze blog betreurd. Als de gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding een vorm van “bestuursaansprakelijkheid” is voor de natuurlijke persoon, dan is de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding een manier om de sanctie af te stemmen op de schade die door de onrechtmatigheid werd veroorzaakt.

Continue reading “Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers”

Liability for competition law infringements within groups: beware of misbehaving family members

A post by guest blogger Charlotte Reyns (Quinz, KU Leuven)

Since the introduction of the EU Private Damages Directive 2014/104, the amount of private damages actions following competition law infringements have grown exponentially. Indeed, enforcement by private parties is viewed as a complementary limb to the enforcement of competition law by the European Commission and the national competition authorities. One aspect that deserves special attention in that regard is the “single economic unit” doctrine which allows several or all companies belonging to a group of companies to be held liable for an infringement of competition law they did not themselves commit. Recent rulings such as Athenian Brewery (C-393/23) in the context of private international law and ILVA (C-383/23) with regard to liability for infringements of the GDPR furthermore showcase the far-reaching implications of the single economic unit doctrine.

This post delves deeper into the possible liability of the different members of a group of companies when only one of them has been found to infringe EU competition law. Who can be liable, and how to manage this risk?

Continue reading “Liability for competition law infringements within groups: beware of misbehaving family members”

Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral voor wat?

Over het lot van de LoC bij faillissement van de gepatroneerde vennootschap

Een eerdere post keek naar de vraag of een Letter of comfort (‘LoC’) afdwingbaar is en door wie. Daar mee is nog niet gezegd: voor wat? Bij elke LoC zal men in concreto moeten nagaan of en waartoe de emittent zich heeft willen verbinden. Ik zie drie types van verklaringen:

(a) Een louter informatieve verklaring waarbij de emittent niet ‘garandeert’ dat de gepatroneerde vennootschap haar verbintenissen zal nakomen.

Bv. de emittent verklaart op de hoogte te zijn van het bestaan van de kredietovereenkomst tussen de begunstigde en de (dochter)vennootschap.

Bv. de emittent verklaart aan de koper van aandelen dat het verkopende gepatroneerde private equity fonds het recht heeft uitkeringen aan haar investeerders terug te claimen als dat nodig is om aansprakelijkheden uit de overdrachtsovereenkomst na te komen.

Een informatieve verklaring mag niet zomaar worden weggezet als niet-verbindend. Indien de verklaring verkeerd is kan dit leiden tot aansprakelijkheid t.a.v. wie erop is afgegaan (E. Dirix, “Gentlemen’s agreements”, RW 1985-86, 2146, nr. 39). Het is niet moeilijk in te beelden hoe dit in bepaalde gevallen kan leiden tot een aansprakelijkheid die gelijk is aan de ‘verzekerde hoofdschuld’ en nog wat.

Continue reading “Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral voor wat?”

Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral door wie?

Over het belang van het onderscheid tussen gerichte of ongerichte LoC’s

Letters of comfort (LoC) of patronaatsverklaringen worden vooral geassocieerd met vennootschapsgroepen. De moedervennootschap (emittent) verklaart iets aan de medecontractant van de gepatroneerde dochtervennootschap (begunstigde) met als doel het verhogen van de kredietwaardigheid van de dochtervennootschap (gerichte verklaring). Dit gebeurt vaak in het kader van een kredietovereenkomst, maar kan ook bij andere overeenkomsten – elke overeenkomst is immers in de kiem een kredietovereenkomst (bv. in een share purchase agreement heeft de verkoper een potentieel grote aansprakelijkheid t.a.v. de koper). Deze gerichte verklaring gebeurt meestal op verzoek van de begunstigde (die al dan niet in de verklaring wordt geïdentificeerd).

In andere gevallen is de verklaring niet geadresseerd aan specifieke begunstigden (ongerichte verklaring). Dan is ze doorgaans afgeleverd op vraag van het bestuursorgaan van de gepatroneerde vennootschap. Dat gebeurt vaak op verzoek van de commissaris van de dochtervennootschap die twijfels heeft bij haar continuïteit (L. Leber, De patronaatsverklaring, Deventer, Wolters Kluwer, 2017, 23).

Niet zelden is de keuze voor het instrument van de LoC een onmogelijke poging om juridische kool en geit te sparen.

Continue reading “Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral door wie?”

Algemene verkorting Duitse kwijtscheldingstermijn naar 3 jaar: positief geëvalueerd voor consumenten

Een post door gastblogger Gauthier Vandenbossche (UGent)

De Duitse wet van 22 december 2020 tot verkorting van de kwijtscheldingstermijn, die op 1 oktober 2020 in werking is getreden, heeft de reguliere duur van de procedure tot kwijtschelding van restschulden voor alle natuurlijke personen verkort van zes naar drie jaar. Er werd voorzien dat de Bundesregierung  midden 2024 een verslag moest uitbrengen aan de Bundestag over de vraag hoe dit het verzoek-, betalings- en economische gedrag van consumenten heeft beïnvloed. In dit verslag wordt besloten dat er geen bewijs is dat de verkorting een impact heeft op het gedrag van consumenten. Dat is een interessante vaststelling voor de Belgische insolventiewetgever.

In deze blogpost sta ik stil bij de wet van 22 december 2020. Eerst geef ik toelichting bij de Duitse schuldkwijtscheldingsprocedure en de laatste wijziging ervan. Bijzondere aandacht is er voor het gelijktrekken van de kwijtscheldingstermijn voor ondernemers en consumenten. Hiervan is midden 2024 een evaluatie gemaakt, die zal worden toegelicht. Nadien worden nog kort de hoofdlijnen van de insolventieprocedure voor consumenten weergegeven. Besluiten doe ik met enkele korte overwegingen die de Belgische insolventiewetgever kan meenemen uit dit alles.

Continue reading “Algemene verkorting Duitse kwijtscheldingstermijn naar 3 jaar: positief geëvalueerd voor consumenten”

Rechtsmisbruik is geen zelfstandige grond voor weigering van kwijtschelding – Cassatie

Cass. 28 juni 2024

Louter op grond van rechtsmisbruik kan de kwijtschelding van een gefailleerde niet worden geweigerd. Zo bevestigt een cassatiearrest van 28 juni 2024.

De Franstalige eerste kamer casseert een arrest van het Brusselse hof van beroep omdat het op grond van rechtsmisbruik weigerde een financiële consultant kwijtschelding te verlenen. De feiten illustreren nochtans de noodzaak van uitzonderingen op het “recht” op kwijtschelding. De man had al verschillende faillissementen achter de rug, waaronder een aantal als aandeelhouder en/of bestuurder van vennootschappen waarvoor hij zich borg had gesteld. Dat leverde hem in de periode 2015 tot 2019 een aanzienlijke schuldenlast op. Op 1 oktober 2019 wordt hij, ietwat cynisch, zelfstandig financiële consultant als natuurlijke persoon-ondernemer. Op Valentijnsdag 2020 doet hij aangifte van faillissement en dient hij een verzoek tot kwijtschelding in (het oude recht is immers van toepassing). Het passief is aanzienlijk en bestaat, zo luidt het verslag van de curator, voornamelijk uit de persoonlijke schulden die dateren van vóór de opstart van zijn nieuwe activiteit.

Continue reading “Rechtsmisbruik is geen zelfstandige grond voor weigering van kwijtschelding – Cassatie”

De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting

Een post door gastblogger Anneleen Steeno (intui)

Het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) voorziet in artikel 5:66 (BV) en 7:77 (NV) in de hoofdelijke gehoudenheid tot volstorting van zowel de overdrager als de overnemer van niet-volgestorte aandelen. Deze wettelijke bepaling is van dwingend recht en laat niet toe dat partijen contractueel anders bepalen. De overdrager is pas bevrijd van deze hoofdelijke aansprakelijkheid nadat er vijf jaren zijn verstreken na de (tegenstelbaarheid van de) overdracht. Wordt de overdrager aangesproken, heeft hij wel een regresvordering op de overnemer (tenzij contractueel anders was bedongen). De gehoudenheid geldt voor het bedrag waarvoor de aandelen niet werden volgestort, ongeacht het tijdstip waarop de schulden van de vennootschap ontstonden.

Continue reading “De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting”

Bestuurders en werknemers na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: de relativiteit van fouten

De wereld na Boek 6 BW

Als een bestuurder van een rechtspersoon een fout maakt in de uitvoering van een overeenkomst tussen die rechtspersoon en een derde, wordt die bestuurder vandaag beschermd door de immuniteit van de uitvoeringsagent. Zelfs als de bestuurder een onrechtmatige daad begaat in de uitvoering van die overeenkomst, kan de derde de bestuurder in de regel niet buitencontractueel aanspreken. De bestuurder kan contractueel eventueel wel bestuursaansprakelijkheid oplopen t.a.v. de rechtspersoon.

Uiteraard zal niet elke wanprestatie door de vennootschap een bestuursfout uitmaken, ook niet als de betrokken wanprestatie materieel aan de betrokken bestuurder kan worden toegerekend. De betrokken bestuurder kan immers de wanprestatie in het contract met de derde hebben gepleegd in het belang van de vennootschap.

Een civilist heeft het er misschien moeite mee dat een onrechtmatige daad niet per se als onrechtmatig in een contractuele verhouding geldt. Voor een commercialist lijkt het echter evident dat een bestuurder zijn taak goed vervult en toch onrechtmatige daden kan plegen. Meer zelfs: een bestuurder die geen onrechtmatige daden pleegt is wellicht zijn job niet goed aan het uitoefenen.

De bescherming van de immuniteit van de uitvoeringsagent zal na de inwerkingtreding van boek 6 BW wegvallen voor de bestuurder. Soms hoort men wel eens dat dit niet leidt tot een uitbreiding van aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten, dat dit enkel leidt tot een uitbreiding van het aantal eisers dat deze aansprakelijkheid kan inroepen. Dat is niet correct.

Continue reading “Bestuurders en werknemers na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: de relativiteit van fouten”

EU bereikt langverwacht akkoord over de Corporate Sustainability Due Diligence Directive: Hoe groen is dit groen licht?

Een post door gastblogger Liselot Vandenberghe

Op vrijdag 15 maart keurde het Coreper[1] (en in die zin de Raad) de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)[2] goed. Tegen de verwachtingen in werd vlak voor de eindmeet, zijnde de Europese verkiezingen in juni, een compromis bereikt dat op de steun van voldoende lidstaten kon rekenen. Dit compromis werd moeizaam bereikt na vele concessies voorgesteld door het Belgisch EU-voorzitterschap en een toch wel aanzienlijke verwatering van de behoorlijk controversiële Richtlijn. Hieronder volgt een korte bespreking van de essentie van de Richtlijn en de belangrijkste last-minute wijzigingen.

Continue reading “EU bereikt langverwacht akkoord over de Corporate Sustainability Due Diligence Directive: Hoe groen is dit groen licht?”

Verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tegen vennoten strijdig met art. 10 en 11 van de Grondwet

Grondwettelijk Hof 1 februari 2024

In een arrest van 1 februari 2024 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het verschil in de verjaring van rechtsvorderingen ten aanzien van vennoten en ten aanzien van bestuurders de grondwettelijke gelijkheidgelijkheidstoets schendt.

Continue reading “Verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tegen vennoten strijdig met art. 10 en 11 van de Grondwet”

Een toekomstige afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent riskeert ook bestaande overeenkomsten te impacteren

De trouwe lezer van dit forum heeft mogelijks reeds gehoord dat de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent nakende is (zie hier). De praktische impact hiervan is groot aangezien in het economisch verkeer zo wat elke overeenkomst door een lange reeks uitvoeringsagenten (bestuurders, werknemers, derden, …) wordt uitgevoerd.

Over boek 6 moet nog door de plenaire Kamer worden gestemd. Bij goedkeuring en afkondiging door de Koning, treden de regels – en dus ook de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent – in werking de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. In deze post wil ik er aan herinneren dat een voorzichtige contractant reeds nú deze afschaffing moet anticiperen. De afschaffing van de immuniteit riskeert immers een impact te hebben op overeenkomsten die werden afgesloten vóór boek 6 inwerking zal zijn getreden.

Continue reading “Een toekomstige afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent riskeert ook bestaande overeenkomsten te impacteren”

De werknemer: een onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent

De duizendste blogpost op Corporate Finance Lab

Het ziet er dus naar uit dat er een politieke meerderheid (misschien zelfs consensus) bestaat omtrent de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent. Zie de post van Roodhooft van gisteren. In kort komt de tekst goedgekeurd in de Commissie Justitie hier op neer:

  • De immuniteit van de uitvoeringsagent wordt afgeschaft: de hoofdschuldeiser kan dus de uitvoeringsagent van zijn hoofdschuldenaar aanspreken indien die een onrechtmatige daad begaat in de uitvoering van de hoofdovereenkomst;
  • De uitvoeringsagent kan de excepties inroepen uit de verhouding tussen hoofdschuldeiser en hoofdschuldenaar (zoals in het initiële wetsvoorstel);
  • De uitvoeringsagent kan ook de excepties inroepen uit zijn verhouding met de hoofdschuldenaar (anders dan in het initiële voorstel);
  • Er is geen sprake meer van een rechtstreeks vordering (wat ergens onderweg een amendement was van de indieners van het initiële voorstel).

Deze post – overigens de duizendste post op Corporate Finance Lab – wil wijzen op een tot nu onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent: werknemers.

Continue reading “De werknemer: een onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent”

De gedeeltelijke kwijtschelding in het vernieuwde faillissementsrecht

Collectieve en individuele schade: relevant bij kwijtschelding?

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 3.35 BW; oud art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van.

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder. 

Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Zie over de vernieuwde procedure F. De Leo, TRV-RPS 2023, p. 446-447.

Het vernieuwe faillissementsrecht voegt daar sinds 1 september 2023 aan toe als weigeringsgrond: indien de gefailleerde wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand op vragen van de rechter-commissaris van de curator onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (art. XX.173 § 3 WER). Dat is nuttig. Dit verhindert dat in de voorwaarde van “bijgedragen tot het faillissement” a contrario wordt gelezen dat de (laakbare) houding van de gefailleerde tijdens de faillissementsafwikkeling de toekenning van de kwijtschelding niet zou kunnen verhinderen (zie daarover onder het oude recht hier).

Een nieuwigheid van het voorlaatste faillissementsrecht (2018) was de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende. Dit gaf de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Daarbij rees de vraag hoe een gedeeltelijke kwijtschelding onder de schuldeisers moest worden omgeslagen: enkel voor de zich verzettende schuldeiser, voor alle schuldeisers, hoe rekening te houden met de rangorde? Het advies aan rechtbanken was dan ook om de gevolgen van een gedeeltelijke kwijtschelding nauwerkeurig te omschrijven (D. Pasteger, “De l’excusabilité à l’effacement”, TBH 2018, 271, nr. 19). Hier brengt het nieuwe recht een nieuwigheid waarvan we niet overtuigd zijn dat het een verbetering is.

Continue reading “De gedeeltelijke kwijtschelding in het vernieuwde faillissementsrecht”