Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, 14 november 2025

In het eerste college aan studenten van de master Vennootschapsrecht wil ik wel eens de kille buitenwereld binnenhalen door te stellen dat ‘corporate lawyers’ in de eerste jaren van hun carrière 1/3de van hun tijd bezig zijn met het kiezen en correct identificeren van de correcte partij en desgevallend tegenpartij bij allerlei rechtshandelingen.

Welke entiteit van de groep moet partij zijn bij de overeenkomst?; wie moet zich verbinden bij een engagement om het kapitaal te verhogen of een contract met een change-in-control bepaling goed te keuren?; hoe voorkomen dat een overdrachtsbeperking wordt omzeild door een overdracht van de aandelen in de aandeelhouder?; hoe meer in het algemeen contractueel regelen dat met de tegenpartij verwante personen het doel van het contract niet onderuit halen?; wie moet dagvaarden onder een overeenkomst met een vennootschap in oprichting als die oprichting nog niet heeft plaatsgevonden?; wie moet partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst als aandelen in een maatschap zijn ingebracht? … (M.b.t. tot de laatste vraag: evident in ieder geval ook de maatschap, maar geloof me dat er vaak niet wordt aan gedacht).

Een recent vonnis van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel (eerst hier gesignaleerd op Linkedin) illustreert de ingrijpende gevolgen als daar niet wordt over nagedacht — overigens in een veel meer basale casus dan de vragen hiervoor.

Dit is een essentieel aandachtspunt bij alle agressieve rechtshandeling tegen of namens rechtspersonen. Met agressieve rechtshandelingen bedoel ik handelingen die de tegenpartij liever niet ziet komen. Als partijen hetzelfde willen is een verkeerde rechtspersoon snel rechtgezet. Agressieve rechtshandelingen zijn uiteraard dagvaardingen en andere proceshandelingen, maar ook opzeggingen, ingebrekestellingen, eenzijdige mededelingen tot buitengerechtelijke ontbinding, enz. Bij buitengerechtelijke handelingen gebeuren er overigens meer ongelukken, omdat ze niet altijd door juristen worden opgesteld en uitgestuurd. Bij dagvaardingen is er de controle door advocaat en gerechtsdeurwaarder. Dat dit geen volledige garantie biedt toont de besproken uitspraak aan.

Read more: Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

De belangrijkste feiten die aanleiding gaven tot de uitspraak zijn als volgt:

  • Een Belgische technologievennootschap (verweerder) heeft een contractuele relatie met een internationale rekruteringsgroep, laten we het pseudonimiseren als de Headhunter Group. (De officiële pseudonimisering van het vonnis helpt niet echt de lectuur.)
  • Headhunter Group heeft een Ltd. in London (Headhunter Group Ltd) die een bijkantoor in België heeft. Een ‘bijkantoor hebben’ wil zeggen dat deze Engelse vennootschap voldoende aanwezig is om onderworpen te worden aan enkele Belgische verplichtingen, niet in het minst de verplichting om zoals Belgische vennootschappen bepaalde elementen te publiceren ter griffie en het BS en ook in het KBO. Een bijkantoor is geen aparte entiteit: contracten bevoegd afgesloten namens het bijkantoor maken de Engelse Ltd partij.
  • Daarnaast is een Belgische vennootschap die deel uitmaakt van de Headhunter Group: Headhunter Group Belgium BV, vermoedelijk een dochter- of zustervennootschap van de Engelse Ltd.
  • Hoe die contractuele relatie is gedocumenteerd is niet heel duidelijk. Het lijkt erop dat, zoals zo vaak, er geen onderhandse akte is waarop alle partijen duidelijk zijn geïdentificeerd. Wel is er sprake van algemene voorwaarden die zijn uitgewisseld en facturen die werd gestuurd aan de verweerder — telkens naar ik begrijp door Headhunter Group Ltd.
  • De verweerder betaalt niet de vergoeding die verschuldigd zou zijn voor de aanbreng van een consultant en wordt gedagvaard door “Headhunter Group Belgium BV, onderdeel van Headhunter Group Limited, vennootschap naar het Engels recht“.

    Dat is op zich al een erg eigenaardige identificatie. Er wordt duidelijk verwezen naar de Belgische BV, maar toch wordt de link met Engelse Ltd gelegd, met ook haar volledige identificatie; dat is iets dat je enkel doet bij een bijkantoor, dat immers geen zelfstandige rechtspersoon is en slechts het ‘loket’ van de buitenlandse vennootschap.

    Verder is het bizar om de Belgisch BV te omschrijven als “een onderdeel van Headhunter Group Limited”; een rechtspersoon die onderdeel is van een andere rechtspersoon is geen dingetje naar Belgisch recht; en naar ik vermoed evenmin naar Engels recht. Een rechtspersoon kan wel gecontroleerd worden door een andere rechtspersoon; en aldus deel uit maken van een groep. Een groep is echter naar Belgisch en naar Engels geen zelfstandige entiteit, heeft geen eigen rechten en verplichtingen en kan niet in rechte treden of worden gedaagd. Zelfs in de uitzonderlijke gevallen dat er materieelrechtelijk vereenzelviging (‘doorbraak’) is, waarbij entiteiten van een groep aansprakelijk zijn voor mekaars schulden, zal elke entiteit afzonderlijk moeten worden in het geding betrokken als men wil uitvoeren op haar goederen.

Met andere woorden: de identificatie van de eiser kan moeilijk naar iets anders verwijzen dan de Belgische rechtspersoon Headhunter Group Belgium BV. De verwijzing naar Headhunter Group Ltd is te nietszeggend om te kunnen argumenteren dat het hier gaat om een ongelukkige identificatie van het Belgisch bijkantoor.

De rechtbank wijst de eis dan ook af wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Eiser werd veroordeeld tot de kosten van het geding en de juiste vennootschap moet hopen dat de vordering intussen niet is verjaard.

De afwijzing ligt wat mij betreft voor de hand. Wel zou ik eerder simpelweg spreken van ongegrondheid. De eiser beweert een recht te hebben dat hij duidelijk niet heeft, nl. een contractuele vordering onder een contract waarbij hij geen partij is. Dit onderscheid tussen onontvankelijkheid en ongegrondheid heeft wellicht geen belang.

* * *

De verliezende eiser argumenteerde dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin de verkeerde partij wordt gedagvaard, en de situatie waarin de verkeerde partij dagvaardt.

Als dat al zo zou zijn, dan zou ik denken dat een fout m.b.t. de eiser strenger moet worden beoordeeld dan een verkeerde vermelding van de verweerder. Vergissingen omtrent de complexe structuur van een ander zijn sneller te vergeven dan over de eigen zelfgekozen en per hypothese gekende complexiteit. (Al zijn vergissingen over de eigen structuur, opnieuw, veel meer courant dan men zou denken. In de praktijk zijn rechtspersonen ook maar drukke, op pensioen gaande en van job veranderende mensen.)

De juridische middelen voor vergeving van de vergissing lijken me dan niet in het procesrecht (gebrek aan belangenschade) te vinden, maar in het verbintenissenrecht. De eiser zou kunnen aanvoeren dat de (verkeerde) verweerder een fout pleegde die leidde tot het verkeerde idee dat hij de correcte tegenpartij was, minstens dat er in die zin een schijn was die de verweerder kan worden toegerekend.

Het loutere feit dat er meerdere vennootschappen of bijkantoren zijn met een gelijkende naam volstaat uiteraard niet om te spreken van een fout of toerekenbare schijn. Dit is dagelijkse kost in de ondernemingswereld. Wat relevant kan zijn is als de tegenpartij zelf niet duidelijk was in haar identificatie en/of verwarring .

(Om een beroep op de schijnleer te vermijden hebben internationale groepen van dienstverleners, zoals advocatenkantoren of accountants, uitgebreide e-mailondertekeningen om aan te geven dat er verschillende rechtspersonen zijn en namens welke in het concreet geval wordt geadviseerd. Dit voorkomt dat op grond van de schijnleer een accident bij één entiteit, de rest mee de dieperik in kan sleuren. Wie daar doorgaans meer nonchalant mee omgaat zijn dienstverleners die gebruik maken van een managementvennootschap — ook advocaten. De kinderen van de schoenmaker lopen vaak op klompen.)

* * *

De les is dus: kijk goed wie je tegenpartij is in de contractuele documentatie en stuur je opzegging, ingebrekestelling of dagvaarding naar deze partij.

Nee!

Het contract is slechts het startpunt van de identificatieoefening. De partij bij de overeenkomst is vaak niet de partij die eiser of verweerder hoeft te zijn. De contractuele rechten en plichten kunnen immers intussen zijn overgedragen.

Zo kan de tegenpartij het contract hebben overgedragen. Vaak gebeurt dit in het kader van de overdracht van een bedrijfstak, waarbij wordt meegedeeld: gelieve vanaf nu de facturen te betalen op een nieuw rekeningnummer en een nieuwe entiteit. Moet de andere partij dan daarvoor geen toestemming geven? Indien de contractuele verhouding wordt verdergezet en de facturen betaald, gebeurt die toestemming impliciet. Vaak is er ook geen reden om er tegen te zijn; het briefje wordt behandeld als een louter praktisch punt voor Jeanine van boekhouding. Pas later, als verhouding misloopt, moet gehoopt worden dat Josiane van legal een performant informatiesysteem heeft opgezet waardoor het oorspronkelijk contract gelinkt wordt aan de mededeling van de overdracht.

Nog gevaarlijker — en voor vele litigators een makkelijk te vermijden dode hoek — zijn contractsoverdrachten die helemaal niet moeten worden meegedeeld. Dat geldt met name voor herstructureringen in de zin van Boek 12 WVV, zoals een splitsing of een overdracht of inbreng van een bedrijfstak of algemeenheid, waarbij contracten, rechten en verplichtingen overgaan van één rechtspersoon (soms een natuurlijke persoon) op een andere rechtspersoon. De toestemming van de tegenpartij is niet vereist; de overdracht is immers tegenwerpelijk door publicatie in het Belgisch Staatsblad (art. 2:18 WVV). Wie de overdragende vennootschap dagvaardt zal zijn eis zien worden afgewezen (B. Tilleman, N. Van Dammen en K. Dewaele, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, die Keure, 2020, 113, nr. 129).

Elke tegenwerpelijkheidsregel legt een onderzoekslast op. Vaak ligt die onderzoekslast voor de hand. Wie een onroerend goed koopt weet dat hij het hypotheekregister moet checken of er tegenwerpelijke conflicterende zakelijke rechten zijn. Wie een contract afsluit met een vennootschap, weet dat handtekeningsregeling moeten worden gecheckt. Iedere professionele koper checkt bij aankoop van een roerend goed het pandregister op zoek naar een tegenwerpelijk pandrecht of eigendomsvoorbehoud — ja toch?

Minder intuïtief is dat bij elke dagvaarding namens of tegen een rechtspersoon, buiten de context van elke herstructurering om, in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad moet worden gecheckt of er geen tegenwerpelijke overdracht van de litigieuze rechten en verplichtingen is gebeurd.

1/3de van de arbeidstijd? Het zal maar een beetje overdreven zijn.

Joeri Vananroye

CORRECTIE: Een eerdere versie verwarde de datum van het vonnis met de datum van publicatie van het vonnis. Dit werd rechtgezet.

Nieuwe Europese vennootschapsrichtlijn 2025/25: meer dan digitalisering

Een post door gastbloggers Alain François en Mauro Gisgand (Eubelius)

Op 30 januari 2025 trad de Richtlijn 2025/25 rond het gebruik van digitale instrumenten en processen in het vennootschapsrecht in werking.  Deze Richtlijn brengt niet alleen vernieuwende maatregelen rond digitalisering, maar introduceert ook ingrijpende veranderingen voor de in België veelgebruikte Vennootschap Onder Firma (“VOF”) en Commanditaire Vennootschap (“CommV”).

De Belgische wetgever heeft de tijd tot 31 juli 2027 om deze richtlijn om te zetten in nationaal recht, en tot 1 augustus 2028 om ze in de praktijk toe te passen. Voor een beperkt aantal artikelen geldt een langere omzettingstermijn tot 1 augustus 2029.

We belichten enkele van de belangrijkste nieuwigheden. 

Continue reading “Nieuwe Europese vennootschapsrichtlijn 2025/25: meer dan digitalisering”

Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral door wie?

Over het belang van het onderscheid tussen gerichte of ongerichte LoC’s

Letters of comfort (LoC) of patronaatsverklaringen worden vooral geassocieerd met vennootschapsgroepen. De moedervennootschap (emittent) verklaart iets aan de medecontractant van de gepatroneerde dochtervennootschap (begunstigde) met als doel het verhogen van de kredietwaardigheid van de dochtervennootschap (gerichte verklaring). Dit gebeurt vaak in het kader van een kredietovereenkomst, maar kan ook bij andere overeenkomsten – elke overeenkomst is immers in de kiem een kredietovereenkomst (bv. in een share purchase agreement heeft de verkoper een potentieel grote aansprakelijkheid t.a.v. de koper). Deze gerichte verklaring gebeurt meestal op verzoek van de begunstigde (die al dan niet in de verklaring wordt geïdentificeerd).

In andere gevallen is de verklaring niet geadresseerd aan specifieke begunstigden (ongerichte verklaring). Dan is ze doorgaans afgeleverd op vraag van het bestuursorgaan van de gepatroneerde vennootschap. Dat gebeurt vaak op verzoek van de commissaris van de dochtervennootschap die twijfels heeft bij haar continuïteit (L. Leber, De patronaatsverklaring, Deventer, Wolters Kluwer, 2017, 23).

Niet zelden is de keuze voor het instrument van de LoC een onmogelijke poging om juridische kool en geit te sparen.

Continue reading “Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral door wie?”

Intra-Group Financing and Enterprise Group Insolvency: Problems, Principles and Solutions

A PhD thesis teaser by Ilya Kokorin (Assistant Professor, Leiden University)

Entity separateness should not result in complete entity insulation

Ilya Kokorin

1. Economic and legal realities of corporate groups

The enterprise group is one of the primary forms of organising economic activity. In fact, virtually every major firm is organised as a group. From early precursors of business groups, such as the Medici system of partnerships of the 15th-16th centuries and the European colonial trading empires of the 17th centuries (e.g. Dutch and English East India Companies), to the emergence at the end of the 19th century of the first modern groups of companies characterised by multi-layered and hierarchical structures of ownership and control, groups have occupied an important place in societies’ economic and political life. Yet the enterprise group is a curious case. It combines separate entities, usually protected by limited liability, and often an integrated business enterprise facilitated through elaborate networks of financial arrangements. Some of these arrangements “perforate” limited liability (e.g. cross-guarantees), while others closely tie the fates of separate group members (e.g. intra-group loans, centralised cash management, intercompany cross-default and ipso facto clauses). Consequently, the idea of legal separateness, which underpins modern insolvency law, hardly reflects present-day economic realities.

In my PhD book “Intra-Group Financing and Enterprise Group Insolvency: Problems, Principles and Solutions”, I focus on financial arrangements common for enterprise groups and explore their influence on and treatment in insolvency and restructuring of corporate groups. On the one hand, these arrangements can have a positive effect in the form of risk mitigation – ex ante resulting in a lower cost of debt and greater liquidity. On the other hand, intra-group financial arrangements promote group inter-dependence and could magnify the risk of contagion and opportunistic behaviour within the group. In my thesis, I conduct a comprehensive analysis of contemporary commercial practices, case law and the legal tools offered by three prominent restructuring hubs: the UK, the USA, and the Netherlands.

Continue reading “Intra-Group Financing and Enterprise Group Insolvency: Problems, Principles and Solutions”

Hoofdelijkheid bij groepsvennootschappen: zo de lusten, zo de lasten

Een volkomen rechtspersoon wordt er niet minder volkomen op louter doordat hij in een groepsstructuur zit. Een groepsvennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid is dan ook in de regel niet aansprakelijk voor de schulden van andere groepsvennootschappen. Kredietgevers beperken daarom typisch het insolventierisico door meerdere groepsvennootschappen samen te doen instaan voor de terugbetaling ervan. Dat kan bijvoorbeeld door die vennootschappen zich hoofdelijk te doen verbinden.

Dat was ook het geval in een zaak waarover de Nederlandse Hoge Raad zich recent heeft gebogen. Een Nederlandse B.V. verbindt zich hoofdelijk voor kredieten van haar zustervennootschap. Daarop gaat de B.V. failliet. De curator betaalt het krediet voor een groot stuk terug aan de bank. De rest van het krediet lost de (niet-failliete) zustervennootschap zelf af. De curator van de B.V. neemt vervolgens regres op de zustervennootschap. De boedel heeft immers, zo verdedigt de curator, meer aan de bank betaald dan de B.V. diende bij te dragen in de interne verhouding met haar zustervennootschap.

De vraag is dan: wat is die interne verhouding?

Continue reading “Hoofdelijkheid bij groepsvennootschappen: zo de lusten, zo de lasten”

Uitkeringen in moedervennootschappen: een apart verhaal

Een post door gastblogger Dr. Louis De Meulemeester (UGent)

“De mate waarin de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening van elkaar afwijken, en de invloed daarvan op de vermogensbescherming, is tot op heden een blinde vlek gebleven in de juridische literatuur”

Dr. Louis De Meulemeester

In vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid houden uitkeringen aan de aandeelhouders (bijvoorbeeld de betaling van dividenden) steeds bijzondere risico’s in voor de vennootschapsschuldeisers. Door het verrichten van uitkeringen zal immers het vennootschapsvermogen, en dus ook het onderpand voor schuldeisers, afnemen.

Om een evenwicht te bereiken tussen de belangen van de aandeelhouders en de vennootschapsschuldeisers, voorziet het vennootschapsrecht van oudsher in regels om uitkeringen te omkaderen. Voor vennootschappen van het NV-type bepaalt de nettoactieftest (art. 7:212 WVV) het maximale toegelaten uitkeerbare bedrag. Deze test komt samengevat neer op een boekhoudkundige rekensom waarbij het eventuele positieve verschil tussen het nettoactief en het niet-uitkeerbare vermogen van de vennootschap mag worden uitgekeerd aan de aandeelhouders.

In de BV is deze test in principe eenvoudiger, omdat volgens de balanstest enkel een positief boekhoudkundig vermogen moet overblijven na het verrichten van uitkeringen (art. 5:142 WVV). Bijkomend moet het bestuursorgaan volgens de liquiditeitstest echter een beoordeling maken over de invloed van een geplande uitkering op de liquiditeitspositie van de vennootschap (art. 5:143 WVV).

Probleemstelling in moedervennootschappen

De effectiviteit van de nettoactieftest als beschermingsmechanisme voor schuldeisers wordt in de Europese literatuur steeds meer bekritiseerd, in het bijzonder wegens de strikte band met de jaarrekening. Dit vormde dan ook een van de centrale drijfveren voor de Belgische wetgever bij de invoering van het WVV, waarbij de vermogensbescherming in de BV grondig werd aangepast.

Zoals verder uitvoerig zal blijken, krijgt de uitkeringsproblematiek (en de nettoactieftest in het bijzonder) een bijzondere dimensie in moedervennootschappen. De centrale nettoactieftest (resp. balanstest) wordt immers berekend op basis van de enkelvoudige jaarrekening van de moedervennootschap. Moedervennootschappen zijn in principe echter verplicht om ook een geconsolideerde jaarrekening op te stellen. In de geconsolideerde jaarrekening wordt abstractie gemaakt van de juridische onderverdeling van de vennootschapsgroep waarvan de moedervennootschap aan het hoofd staat. In de geconsolideerde jaarrekening worden immers het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de gehele groep opgenomen alsof het om één enkele vennootschap gaat (art. 3:123 KB WVV).

In het algemeen wordt aangenomen dat de enkelvoudige jaarrekening van moedervennootschappen niet het meest volledige beeld verschaft omtrent de werkelijke bedrijfseconomische toestand van de moedervennootschap (en de groep als zodanig), maar dat doorgaans enkel de geconsolideerde cijfers daarover uitsluitsel kunnen geven.[1] Vanuit een ruimer perspectief is het daarom opmerkelijk dat aan deze groepsdimensie voorbij wordt gegaan, zeker gezien het feitelijke en economische belang van de geconsolideerde jaarrekening voor de buitenwereld (en voor de moedervennootschap en -bestuur).

De mate waarin de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening van elkaar afwijken, en de invloed daarvan op de vermogensbescherming, is tot op heden echter een blinde vlek gebleven in de juridische literatuur, niettegenstaande anekdotisch soms wordt gewag gemaakt van duidelijke discrepanties inzake de financiële situatie zoals die blijkt uit de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening van de moedervennootschap.[2]

Continue reading “Uitkeringen in moedervennootschappen: een apart verhaal”

Insolventierisico voor schuldeisers in de vennootschapsgroep

Bestuurders moeten het eigen belang van de vennootschap als richtsnoer nemen. Dat geldt óók als die vennootschap deel uitmaakt van een groep. Het uitgangspunt blijft dat de leden van een vennootschapsgroep, gezien hun eigen rechtspersoonlijkheid, afzonderlijke winstcentra vormen: de groep gaat erop vooruit doordat elk van de delen erop vooruitgaat.[1]

De nadruk van het vennootschapsrecht op de juridische entiteit krijgt wel eens kritiek. Ontkent het immers niet de economische realiteit van het groepsverband, waarbij de groepsvennootschappen samen één grote onderneming vormen?

De doornen van de Rozenblum

Continue reading “Insolventierisico voor schuldeisers in de vennootschapsgroep”

Groepsfinanciering: bezint eer ge begint

Een post door gastblogger Louis De Meulemeester (UGent)

In het kader van het FNG-debacle raakte onlangs bekend dat een aantal obligatiehouders van de (gedeeltelijk) teloorgegane groep de oprichters en de moedervennootschap hebben gedagvaard, omdat zij meenden te zijn misleid omtrent de identiteit van de vennootschap waaraan zij krediet hadden verstrekt. In de Standaard van 25 mei stond te lezen dat “[de obligatiehouders] zeggen dat ze op verschillende manieren misleid werden, in de eerste plaats al bij de uitgifte. De naam FNG Groep liet vermoeden dat ze in de topholding investeerden en als onderliggende zekerheid alle bezittingen van FNG hadden. De realiteit was wel even anders. FNG Groep zat helemaal onderaan in de structuur. Het was een achterkleindochter van het beursgenoteerde FNG en omvatte dus maar een stukje van het FNG-imperium.” FNG bezat tal van mode- en schoenenmerken, zoals het inmiddels gefailleerde Brantano.

Zonder in detail op deze zaak in te gaan, is het interessant om naar aanleiding hiervan enkele bijzondere aspecten te duiden die optreden wanneer schuldeisers krediet verlenen aan een vennootschap die deel uitmaakt van een vennootschapsgroep. Aan kredietverlening aan een vennootschapsgroep zijn immers bijzondere valkuilen verbonden in vergelijking met de financiering van een individuele vennootschap.

Continue reading “Groepsfinanciering: bezint eer ge begint”

Waarom is er een bijzondere schuldeisersbescherming nodig bij rechtspersonen?

Studiemiddag Schuldeiser & Rechtspersoon | 15 oktober 2020 via livestream

Aandeelhouders van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid genieten van beperkte aansprakelijkheid. De vennootschap zelf kan uiteraard wel aansprakelijk gesteld worden zoals elk ander rechtssubject. Daardoor kan de verleiding bestaan om te denken dat het “niet-vennootschapsrecht” dan maar de bescherming van externe stakeholders volledig op zich moet nemen. Het milieurecht beschermt slachtoffers van verontreiniging, het arbeidsrecht werknemers, het consumentenrecht consumenten… Heeft het vennootschapsrecht daar nog wel een rol?

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen over het beheer van zijn vermogen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is nog altijd naar de formulering van art. 544 Code civil “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Tussen de activa en passiva van de rechtspersoon en die van de aandeelhouders staat de muur van de rechtspersoonstechniek, die niet-aansprakelijkheid en vermogensafscheiding met zich meebrengt. De leden hebben aldus volledige controle over het vermogen van de rechtspersoon, genieten bij een vennootschap van eventuele winst, maar dragen slechts beperkt de negatieve gevolgen van hun beheer: deze zijn beperkt tot het verlies in waarde van hun aandelen. Deze rechtspersoonstechniek vergroot daardoor aanzienlijk het risico op opportunistisch handelen ten nadele van schuldeisers.

Aansprakelijkheidsremedies botsen zowel bij natuurlijke als bij rechtspersonen op de grens van de insolvabiliteit. Het verschil is dat bij een rechtspersoon het risico veel groter is dat deze insolvabiliteit onderdeel is van een bewuste strategie.

Interne vermogenssplitsing en artificiële vermogenssplitsing: beperkte aansprakelijkheid op steroïden

Het rechtspersoonstypisch risico op opportunistisch gedrag verergert nog veel meer door de mogelijkheid van verdere vermogenssplitsing zoals bij een vennootschapsgroep waarbij een onderneming verspreid is over meerdere rechtspersonen. De insolvabiliteit van één onderdeel van de groep heeft brengt dan maar een beperkt verlies van ondernemingswaarde voor de aandeelhouders met zich.

Beperkte aansprakelijkheid wordt daardoor erg beperkt: bij insolvabiliteit van een onderdeel verliezen de aandeelhouder slechts een stuk van de ondernemingswaarde.

Helemaal mooi wordt het voor de aandeelhouders als er binnen een groep strategisch aan artificiële vermogenssplitsing werd gedaan. Zie daarover de bijdragen van A. Karapetian en F. Verstijlen, R. Squire en J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, Reports to to the Netherlands Association for Comparative and International Insolvency Law (2018). Te consultereren via http://www.naciil.org/activiteiten/nieuws/kopie-documents-nvriinaciil-annual-conference–members-meeting-15-november-2018/

Bepaalde goederen die essentieel zijn voor de going concern waarde van de onderneming worden dan ondergebracht in een entiteit die buiten de insolvabiliteit wordt gehouden. Een type voorbeeld zijn intellectuele eigendomsrecht van de groep. Bij de insolvabiliteit van de andere groepsvennootschappen maakt dit dat de insiders de enige realistische bieders zijn voor de ondernemingsgoederen, die ze daardoor aan een prikje kunnen verwerven.

Hierdoor neigt beperkte aansprakelijkheid naar de afwezigheid van aan aansprakelijkheid. Het faillissement van de onderneming belet immers niet dat de aandeelhouders nog een groot stuk van de ondernemingswaarde kunnen behouden.

Dit opportunistisch insolventierisico typisch voor entiteiten met beperkte aansprakelijkheid en afgescheiden vermogen, brengt met zich een nood aan een rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming.

Technieken van rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming komen uitgebreid aan bod in de studiemiddag via livestreaam aan de KU Leuven op 15 oktober 2020 over schuldeisersbescherming bij vennootschappen en andere rechtspersonen onder voorzitterschap van Professor Eric Dirix. Komen onder meer aan bod : dr. Lindemans over de pauliana, Professor Cools over de aanloop naar insolventie, Professor Wyckaert over bestuursaansprakelijkheid, Professor Tas over uitkeringen, Mr. Poesen over het IPR en Mr. Van Hoe over de vennootschapsgroep.

Inschrijven kan via deze link. Meer info vindt u hier.

Joeri Vananroye