Cassatie: ook een aandeelhouder mag oplichting persoonlijk nemen

Cassatie 25 januari 2017 bevestigt dat aandeelhouder een bestuurder kan aanspreken voor persoonlijke schade

Het faillissement dreigt voor een vennootschap. Om werkgelegenheid te redden is een overheid bereid om een grote investering te doen en aldus aandeelhouder te worden van de vennootschap. Een voorwaarde daarbij is dat de bestaande private aandeelhouders ook bijkomende inbreng doen. De vennootschap gaat later failliet. Het blijkt dan dat de private aandeelhouders hun inbreng op frauduleuze wijze uit de vennootschap hebben weggesluisd.

Heeft de overheid een schadevergoedingsaanspraak tegen de private aandeelhouders en de met hen verbonden bestuurders?

Er zijn hier twee radicaal verschillende verhalen mogelijk:

Verhaal 1: “De private aandeelhouders hebben activa uit de vennootschap weggehaald. De publieke aandeelhouder leidt hierdoor schade, maar dit is afgeleide schade. Enkel de vennootschap, en na faillissement de curator, kan hier vorderen. De aandeelhouder heeft voor afgeleide schade geen vorderingsrecht.”

Deze regel voor afgeleide schade heeft het Hof van Cassatie bevestigd in een arrest van 23 februari 2012 (TRV 2012, 319 noot J. Vananroye; zie eerder Cass. 17 juni 1864, Pas. 1865, I, 37 en Cass. 17 mei 1968, Pas. 1968, I, 1082): De vennootschap is gerechtigd om schadevergoeding te vorderen van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast. Voor deze schade aan het vennootschapsvermogen komt aan de aandeelhouders geen eigen vorderingsrecht toe.

Verhaal 2: “De private aandeelhouders hebben de overheid misleid door haar met valse beloften te bewegen tot een investering. Dit is geen afgeleide schade, omdat de schade van de overheid niet louter het gevolg is van de aantasting van het vennootschapsvermogen. Zonder de fout zou de publieke aandeelhouder immers helemaal niet hebben geïnvesteerd. Dit is persoonlijke of individuele schade waarvoor de aandeelhouder een eigen vorderingsrecht heeft.”

Het is evenzeer klassiek dat een aandeelhouder wel een zelfstandig vorderingsrecht heeft voor schade die niet louter bestaat in de waardevermindering van aandelen ten gevolge van schade aan het vennootschapsvermogen. Ook dit heeft het Hof van Cassatie reeds eerder bevestigd (Cass. 26 januari 1922, Pas. 1922, I, 143). Het arrest betreft het schoolvoorbeeld van een aandeelhouder die inschrijft op aandelen of ze koopt afgaande op foutieve informatie. De schade ontstaat rechtstreeks bij de koper of inschrijver, niet louter via hun claim op de vennootschap. De koper of inschrijver heeft dan ook een eigen vorderingsrecht.

*  *
*

Beide verhalen passen bij deze casus. De praktische inzet: niets of iets voor de bedrogen aandeelhouder.

Indien de schade afgeleid  is (verhaal 1) kan enkel de curator vorderen, zonder dat de aandeelhouder dit kan afdwingen. Zelfs indien de curator met succes een aansprakelijkheidsvordering instelt, dan is de kans buitengewoon klein dat er nog wat overblijft voor de aandeelhouders nadet alle schuldeisers zijn bevredigd. Bovendien moet de bedrogen publieke aandeelhouder het provenue delen met de bedriegende private aandeelhouders.

Indien de schade persoonlijk is (verhaal 2) kan de bedrogen publieke aandeelhouder in principe zijn ganse investering terugvorderen bij de personen die hem hebben misleid. Deze principiële “alles” is in de praktijk vaak slechts een “iets”. De eisende aandeelhouder zal immers ook aan het insolventierisico bij de aansprakelijke personen onderworpen zijn. Toch is de kans groot dat de eisende aandeelhouder meer overhoudt bij verhaal 2.

Het hof van beroep te Bergen koos voor verhaal 2. Het Hof van Cassatie volgt met een arrest van 25 januari 2017 (P.16.1021.F) hierin het hof van beroep. Het loutere feit dat de schade zich heeft gemanifesteerd door het faillissement betekent volgens het Hof, terecht, niet dat de schade louter via het vennootschapsvermogen ontstaat.

De criteria die het Hof van Cassatie hanteert hierbij zijn orthodox en elegant: afgeleide schade is “l’atteinte portée au patrimoine de cette société dont elle est devenue actionnaire” en individuele schade is “un préjudice qui trouve son origine dans une autre cause , à savoir les agissements culpeux des demandeurs“.

De feiten van de casus laten zich echter niet mooi in deze orthodoxe dichotomie duwen. Het leeghalen van de vennootschap begint immers pas ná de investering van de overheid. Dit wijst in de richting van afgeleide schade (verhaal 1). Belangrijk voor de oplossing is dat dit vrij snel gebeurde na die investering; dit wijst er dan weer op dat de frauduleuze bedoeling reeds voorop stond op het ogenblik van de investering door de publieke aandeelhouder. Dat is verhaal 2. De private aandeelhouders werden  veroordeeld voor oplichting (art. 496 Sw.). Dit veronderstelt de aanwending van bedrieglijke middelen gevolgd door een afgifte of levering van de zaak, welke de benadeelde zonder de aangewende bedrieglijke middelen niet zou hebben afgegeven of geleverd. Gegeven deze strafrechtelijke kwalificatie, is individuele schade een logische kwalificatie.

De lessen uit deze zaak: het onderscheid tussen afgeleide en persoonlijke schade van de aandeelhouder is in theorie glashelder; de weerbarstige feiten plooien zich echter niet altijd naar de heldere theorie. Voor de handige pleiter biedt dit mooie kansen tot storytelling.

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s