‘Belangeloosleid’ in de private stichting: “haas ik doop u vis”

Art. 27 V&S-Wet als voorbeeld van hoe non-profits niet geregeld moet worden

In de VZW wordt het winstuitkeringsverbod negatief bepaald: de vereniging mag geen “stoffelijke voordelen aan haar leden […] verschaffen” (art. 1 en 27 V&S-Wet). Voor een stichting kon deze negatieve omschrijving niet worden gecalqueerd: in een stichting zijn er immers geen leden.

Huidig art. 27 V&S-Wet lostte dit probleem op door uitkeringen toe te laten voor zover die kaderen in de verwezenlijking van het belangeloos doel. Het stichtingsvermogen moet worden “aangewend ter verwezenlijking van een bepaald belangeloos doel” (art. 27 al. 1 V&S-Wet).

“Belangeloos” werd bij de omschrijving van het doel echter erg werd uitgerekt opdat elke stichting, ook één die werd opgericht in het belang van de stichter zelf of van een kleine kring, eronder zou vallen. Het was immers de uitgesproken wens van de wetgever bij de invoering van de private stichting dat deze vorm zou kunnen dienen als vehikel voor een administratiekantoor bij de certificering van effecten.

Beide uitgangspunten zijn moeilijk te verzoenen. Een vereniging of stichting die optreedt als administratiekantoor heeft een duidelijk niet-ideëel doel. In de parlementaire voorbereiding werd getracht beide uitgangspunten te verzoenen door “het bewaren van het familiale karakter van een onderneming” als een belangeloos doel aan te merken (Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 1998-99, nr. 1854/1, 24).

De wetgever zelf heeft hierdoor het begrip “belangeloos” als verplichte wettelijke specialiteit van de stichtingsvorm nagenoeg inhoudsloos gemaakt (R. TAS, “De private stichting en de certificering van aandelen”, TRV 2004, 439, nr. 5 en 444, nr. 18. Vgl. H. DE WULF, “Economische activiteiten van private stichting en VZW: voorspelletjes versus de bestrijding van concurrentievervalsing”, TBH 2006, 450-451).

Dit is des te erger omdat “belangeloos” dus  óók de enige grens is die geldt voor uitkeringen door de stichting (aan anderen dan de stichter en bestuurders).

Tot wat heeft dit aanleiding gegeven in de praktijk? De lezer wordt uitgenodigd om op de website van de Bijlagen bij het Belgische Staatblad een kijkje te nemen naar enkele oprichtingsaktes van private stichtingen. Zelf bekeken we dit voor de periode van 1 oktober 2014 t.e.m. 31 maart 2015. Er werden 26 private stichtingen opgericht met de volgende kenmerken:

  • 14 stichtingen hebben een doelstelling die ideëel is, hetzij op duidelijke wijze, hetzij mits wat goede wil;[1]
  • 1 of 2 stichtingen zijn ten behoeve van een familielid met een fysieke beperking;[2]
  • 4 stichtingen zijn een adminstratiekantoor:[3] en
  • 5 stichtingen zijn duidelijk familie- of patrimoniumstichtingen in het kader van estate planning.[4] Daarbij wordt niet uitgesloten dat enkele stichtingen vermeld onder (i) ook het karakter van zo’n familie- of patrimoniumstichting hebben.

Bij die laatste verschijningsvorm van stichtingen zien we typisch een gemengd doel in de statuten. Er is een eerste reeks doelstellingen die duidelijk ideëel zijn, zoals bv. steun verlenen aan talentvolle individuele onderzoekers door het verstrekken van publicatietoelagen.[5] Daarnaast bestaat de doelstelling erin om door uitkeringen in het levensonderhoud te voorzien van met naam geïdentificeerde personen, zéér vermoedelijk descendenten van de stichter. Daarbij wordt zorg gedragen deze uitkeringen omstandig op te sommen, op dusdanige wijze dat nagenoeg elke mogelijk uitgave eronder kan vallen, zelfs bij een wat bovengemiddelde train de vie.

Typische voorbeelden zijn: huishoudelijke hulp ter beschikking stellen in de meest ruime zin van het woord, bv. de terbeschikkingstelling van een schoonmaker, van één of meerdere tuinmannen, van een dienster of butler, van een conciërge, van een klusjesman; het materiële onderhoud van woning en tuin; sociale activiteiten van de familieleden bevorderen door het bekostigen van bijvoorbeeld: bezoeken aan musea, groepsreizen en individuele reizen, lidmaatschap van verenigingen en kringen, familiefeesten, enz.; ter beschikking stelling van een woning, een personenwagen of enig ander vervoermiddel…

Bij het ideële karakter van die laatste reeks doelstellingen kunnen vragen worden gesteld. Het verwende kind komt in de werkelijkheid als stichtingsdoel duidelijker meer voor dan het gehandicapte kind dat in de doctrine als schoolvoorbeeld wordt opgevoerd.

Typisch wordt bovendien in de statuten van een familie- of patrimoniumstichting nog eens een zeer harde kwantitatieve maximumgrens gesteld aan het inkomen dat besteed kan worden aan de échte ideële doelstellingen. Kwestie van te verhinderen dat het stichtingsbestuur later wel eens op verkeerde ideeën zou kunnen komen.

Bij de invoering van de private stichting rond de eeuwwisseling werd er nauwelijks debat gevoerd over de mogelijkheid en wenselijkheid van zulke familiestichtingen of patrimoniumstichtingen. Wel was er daarna maatschappelijke commotie bij één zulke familiestichting, Fons Pereos (ondernemingsnummer 848.855.611), al had dit veel te maken met de persoon van de stichtster. De statuten van deze, intussen ontbonden, stichting lijken verder weinig af te wijken van de standaardstatuten voor een familiestichting.

Of zulke stichtingen binnen de huidige wettelijke specialiteit van de stichtingsvorm vallen, laat ik hier in het midden; het is ook niet altijd mogelijk om dit te beoordelen door de loutere lectuur van het doel, zonder te kijken naar de praxis van de stichting.

Wel lijkt het me duidelijk dat vele van de uitkeringen toegelaten door de statuten enkel als “belangeloos” kunnen worden gekwalificeerd, door dit begrip zijn gebruikelijke inhoud te ontnemen. Het is zoals de haas die vis wordt gedoopt om hem op een vastendag te kunnen opeten. Dit is erg, omdat “belangeloos” nu net de belangrijkste grens is die door de wet wordt gesteld aan uitkeringen door een private stichting.

En die grens is nu niet streng, niet duidelijk en nauwelijks afdwingbaar.

Deze post is gebaseerd op J. Vananroye, “Le bel excès: een voorstel voor hervorming van het recht voor VZW’s en stichtingen met minder regels en een strengere handhaving”, TRV 2015, 275 e.v.

Joeri Vananroye

[1] Zie de stichtingen met als ondernemingsnummers  607.978.182; 600.803.746; 598.817.622; 598.907.593; 589.934.303; 578.865.811; 568.549.068;  507.925.553; 507.752.438;  507.811.727; 505.981.197;  567.777.028; 564.782.696 en 563.734.009.

[2] Zie de stichtingen met als ondernemingsnummers 598.894.529 en 505.712.468 (al is het bij die laatste niet prima facie duidelijk).

[3] Zie de stichtingen met als ondernemingsnummers 600.938.457; 597.807.733; 505.775.024 en 567.833.743.

[4] Zie de stichtingen met als ondernemingsnummers 599.756.740; 506.947.734; 505.705.738;  567.952.420 en 564.919.090.

[5] Private stichtingen die wetenschappelijk onderzoek  willen ondersteunen, worden aangemoedigd contact op te nemen met het Corporate Finance Lab.

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

1 thought on “‘Belangeloosleid’ in de private stichting: “haas ik doop u vis””

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s