‘De konijnen van de konijnenwarande’: schemerdieren in het insolventierecht

“Onroerend door bestemming” als bescherming van de going concern-waarde

Uit de aard roerende voorwerpen die de eigenaar van een erf voor de dienst en de exploitatie van dat erf daarop geplaatst heeft, zijn op grond van art. 524 BW onroerend door bestemming. Elke Belgische jurist herkent de naïef-poëtische opsomming uit dit artikel met de verwijzing naar de duiven van de duiventillen, de konijnen van de konijnenwaranden,  de vissen van de vijvers…. (Zie hier en hier voor een een korte geschiedenis van het konijn en zijn warande in onze gebieden).

De mestgeur rond dit artikel doet vergeten dat het idee achter “onroerende goederen door bestemming” hetzelfde is als de hoofddoelstelling van het moderne insolventierecht, nl. voorkomen dat door een uitwinning een landbouwonderneming of andere feitelijke algemeenheid versplintert met vernietiging van de going concern-waarde te gevolg. Bij het “common pool”-problem dachten de stellers van het BW duidelijk aan een echte vijver.

Daarbij mag niet worden uit het oog verloren worden dat er in het BW van 1804 nog geen sprake was bezitloos pand noch van collectieve insolventieprocedures. (Het is overigens bij de konijnen af  dat een begrip als ‘samenloop’ nog altijd niet systematisch in het BW is geïntegreerd).

De Page en Dekkers verantwoorden het bestaan van goederen onroerend door bestemming door “le besoin de maintenir le lien économique établi, sous des formes diverses, entre des biens de toute nature, meubles ou immeubles, afin d’augmenter leur rendement réciproque” (H. De Page en R. Dekkers, Traité, V, 614, nr. 652). Het concept onroerende goederen door bestemming roept hiermee de figuur van de feitelijke algemeenheid op ( S. Guinchard, L’affectation des biens en droit privé français, Parijs, LGDJ, 1976, 67 e.v.).

Doordat de roerende goederen het zakenrechtelijk statuut volgen van het onroerend goed van het erf waartoe ze zijn bestemd, wordt vermeden dat de roerende goederen en het onroerend goed apart moeten worden uitgewonnen, waardoor beide aan waarde zouden verliezen (J. Heenen, “Nantissement du fonds de commerce et immeubles par destination”, RCJB 1964, 26).

Het belangrijkste gevolg van dit concept is dan ook dat onroerende goederen door bestemming enkel door beslag op de onroerende hoofdzaak mee in beslag kunnen worden genomen (Cass. 15 februari 2007, RW 2007-2008, 906, noot V. Sagaert, “Onroerende goederen door bestemming en beslag”).

Hiermee verwant is dat de figuur het mogelijk maakt om de onderneming te gebruiken als onderpand bij het verlenen van een hypotheek. De landbouwer kan niet enkel de waarde van het onroerend goed tot onderpand van zijn schuldeiser bestemmen, maar ook (een stuk van) de waarde van de onderneming die met dat onroerend goed samenhangt.

Relevant in dit verband is dat bij onroerendmaking door bestemming traditioneel in de eerste plaats werd gedacht aan landbouwondernemingen, een onderneming met een burgerlijke aard waarvoor een collectieve insolventieprocedure onmogelijk was en wat het faillissement betreft nog altijd is tot aan de inwerkingtreding van Boek XX WER.

Voor een onderneming die bestaat in het stellen van handelsdaden is het minder urgent dat de onderneming als één verhaalsobject wordt beschouwd. Bij insolventie van de koopman is er immers de mogelijkheid van een collectief faillissementsbeslag op al de ondernemingsgoederen, die door één curator worden vereffend. De curator heeft daarbij de mogelijkheid om zo hoog mogelijke waarde te realiseren door feitelijke algemeenheden zoals de onderneming als één geheel te verkopen. Deze mogelijkheid bestaat in het uitdovende faillissementsrecht niet voor de niet-commerciële onderneming, zoals een landbouwbedrijf.

Boek XX WER stelt het insolventierecht open voor alle ondernemingen, ook landbouwondernemingen. Het nieuwe pandrecht veralgemeent bovendien de mogelijkheid van bezitloos pandrecht op een feitelijke algemeenheid. Beide ontwikkelingen laten toe een feitelijke algemeenheid als één geheel uit te winnen, zondevernietiging van waarde. Het is daarbij niet relevant of die goederen al dan niet onroerend door bestemming zijn.

Daarom knaagt deze vraag: is het misschien tijd om, niet zonder weemoed, afscheid te nemen van de konijnen in de konijnenwaranden?

Deze blogpost is gebaseerd op J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, Roularta, 2014, randnr. 80-84.

Joeri Vananroye

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s