Collectieve en individuele schade in het faillissement na de invoering van Boek XX

Een nieuwe ‘afgeleide boedelvordering’ bij faillissementsaansprakelijkheid voor kennelijk grove fout

Een klassieke vraag in het faillissementsrecht is voor welke schade de curator dan wel individuele schuldeisers een vordering hebben. Dit leerstuk staat in België bekend als het onderscheid tussen ‘collectieve’ en ‘individuele’ schade. De vordering tot herstel van collectieve schade komt overeen met wat in Nederland de ‘Peeters/Gatzen’-vordering heet. Deze blogpost is een primer rond de regels inzake collectieve en individuele schade met bijzondere aandacht voor wat er wijzigt na de inwerkingtreding van Boek XX WER (voorzien op 1 mei 2018).

Boedelvorderingen voor ‘collectieve schade’ 

Ook alle aan de gefailleerde verschuldigde schadevergoedingen (bv. vergoedingen ten laste van bestuurders, zaakvoerders of kredietverstrekkers wegens professionele fouten) maken, als onlichamelijke goederen van de gefailleerde, deel uit van de boedel.

Daarnaast heeft de boedel aansprakelijkheidsvorderingen die de gefailleerde zelf niet zou hebben: boedelvorderingen (net zoals er boedelschulden zijn). Indien de boedel onrechtmatig wordt benadeeld heeft de boedel zelf hiervoor een boedelvordering. Doorgaans geldt dit voor handelingen die de gezamenlijke verhaalsrechten van de schuldeisers treffen en die ook het voorwerp uitmaken van de pauliaanse vordering. De gefailleerde die aan een paulianeuse handeling meewerkt, heeft zelf uiteraard geen vordering; de boedel echter wel omdat er sprake is van schade aan de boedel (Cass. 24 oktober 2002, RW 2002-03, 902 met concl. G. Dubrulle; Cass. 17 januari 2008 Pas. 2008, 130, TBH 2008, 321; 10 december 2008 Pas. 2008, 2907, concl. D. Vandermeersch; Cass. 4 februari 2011, RW 2011-12, 370, noot J. Vananroye).

Traditioneel wordt in beide gevallen (vordering die de gefailleerde zelf had en vordering die enkel de boedel heeft) gesproken van “vorderingen voor collectieve schade”. Beide types vorderingen strekken tot herstel van schade aan de boedel en komen na faillissement in beginsel enkel toe aan de curator als orgaan van de boedel.

Deze collectieve schade neemt in de regel de vorm aan van een daling van de nettowaarde van het boedelvermogen, doordat het boedelactief afneemt of het boedelpassief toeneemt. De boedel lijdt dus schade wanneer het vermogen van de gefailleerde in bedrijfseconomische zin verarmt. Na vereffening zal het saldo minder batig zijn (afname nettoactief) of zal het deficit vergroten (toename nettopassief). Dat kan doordat de activa van de boedel verminderen of doordat de schulden van de boedel toenemen. De schade is dus collectief wanneer de fout ertoe leidt dat de faillissementsboedel in economische termen “krimpt”: het overschot verkleint of het deficit vergroot.

Geen individuele vordering voor collectieve schade

Het feit dat schade collectief is, zoals hiervoor gedefinieerd, belet niet dat die schade ook tot individueel nadeel bij de schuldeisers kan leiden. Hun verhaalspositie zal immers verslechteren, doordat hun onderpand in waarde vermindert of doordat hun onderlinge rangorde wordt verstoord. Schuldeisers hebben voor dat nadeel, d.i. hun ‘aandeel’ in de collectieve schade, géén schadevergoedingsaanspraak tegen de verantwoordelijke derden. Enkel de boedel als onmiddellijke schadelijder heeft een rechtsvordering tot vergoeding van de schade.

Deze regel is verwant aan de regel dat aandeelhouders geen eigen vordering hebben voor het herstel van ‘afgeleide schade’. ‘Collectieve schade’ van de schuldeisers in de boedel is wat ‘afgeleide schade’ is voor aandeelhouders in de vennootschap.

Individuele vordering voor individuele schade

Collectieve schade staat in tegenstelling tot individuele schade, dit is schade die een of meer schuldeisers lijden anders dan door hun aandeel in de collectieve schade. Vgl. opnieuw met de persoonlijke schade van aandeelhouders. Deze individuele schade kunnen schuldeisers ook tijdens het faillissement zelf nog vorderen. Een typisch voorbeeld is een schuldeiser, die na faillissement een bestuurder aanspreekt omdat hij door hem werd misleid om met de vennootschap te contracteren.

Onderscheid tussen collectieve en individuele schade

Zoals gezegd betreft “collectieve schade” schade aan de boedel. Het is niet zomaar een bundeling van individuele schadevergoedingsvorderingen van schuldeisers. Dit heeft enkele gevolgen, waarover een abundante cassatie-rechtspraak bestaat:

  • Een boedelvordering kan bestaan tegen een schuldeiser in de boedel (‘Unac-arrest’: 12 februari 1981, Pas. 1981, I, 640, concl. R. Declercq, BRH 1981, 154).
  • Het feit dat alle schuldeisers gelijkaardige schade lijden is niet voldoende om van collectieve schade te spreken als er geen schade is op het niveau van de boedel, d.i. aan de gebundelde verhaalsrechten (Cass. 2 maart 1995, Pas. 1995, I, 250, concl. E. Liekendael, TBH 1995, 569). Dit is bv. het geval als alle schuldeisers worden misleid vanaf de oprichting van een vennootschap.
  • Omgekeerd is het niet vereist dat alle deelgenoten nadeel lijden, opdat de boedel een vordering zou hebben. Het volstaat dat de boedel schade lijdt. De verdeling van het provenu van die vordering gebeurt binnen de boedel, volgens de geldende rangorde. Dat bepaalde schuldeisers in de boedel niet zouden delen in het provenue (bv. omdat alles toekomt aan een bevoorrechte schuldeiser), doet niets af aan het bestaan van de boedelvordering zelf.
‘Afgeleide boedelvordering’ bij faillissementsaansprakelijkheid voor kennelijk grove fout

In het vennootschapsrecht bestaat met de minderheidsvordering een afgeleide vordering voor aandeelhouders tot onrechtstreekse vergoeding van hun afgeleide schade  Dit geeft een minderheidsaandeelhouder een actiemogelijkheid indien de meerderheid in de algemene vergadering geen vordering instelt.

Hetzelfde idee zit achter de in 2017 ingevoerde vorderingsmogelijkheid in art. XX. 225 §3 en §4 WER, die enkel geldt voor de faillissementsaansprakelijkheid voor kennelijke grove fout (en niet voor andere aansprakelijkheidsgronden, waar nochtans een schuldeiser ook geconfronteerd kan worden met collectieve schade die niet door de curator wordt benaarstigd).

Een benadeelde schuldeiser kan deze vordering alleen instellen indien de curator de vordering zelf niet instelt binnen een maand na hiertoe door de benadeelde schuldeiser te zijn aangemaand. De benadeelde schuldeiser stelt de curator daarvan in kennis. De curator kan tussenkomen in de door de schuldeiser ingesteld procedure. In dat geval komt de curator in de plaats van de schuldeiser (art. XX. 225 § 3 spreekt wat ongelukkig van “rechtsopvolger van de schuldeiser”).

De boedel dient de schuldeiser voor de door hem gemaakte uitgaven en kosten te vergoeden indien de curator tussenkomt. De schuldeiser heeft eveneens recht op vergoeding voor de gemaakte kosten indien de curator niet tussenkomt en de vordering voordeel oplevert aan de boedel.

Deze blogpost is een sterk gereduceerde versie van J. Vananroye, G. Lindemans en R. Verheyden , “Vorderingen tot reconstructie van de boedel: (bestuurs)aansprakelijkheid en actio pauliana” , in Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen IV. Antwerpen: Intersentia, 111-156. Deze gereduceerde versie verschijnt ook in de cursus Ondernemingsrecht die volgende maand bij Acco verschijnt. De nieuwe afgeleide boedelvordering werd in ontwerp eerder hier besproken. 

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

One thought on “Collectieve en individuele schade in het faillissement na de invoering van Boek XX”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s