Mag men de CV gebruiken voor de uitoefening van een vrij beroep? Uiteraard moet dit kunnen

Een post door gastblogger Hannes Hollebecq (Cera, dienstverlening coöperatief ondernemen)

Uit een en ander volgt dat de CV onder het WVV niet meer in aanmerking komt voor de uitoefening van een vrij beroep” … “Dit neemt niet weg dat beoefenaars van vrije beroepen onder omstandigheden, en in voorkomend geval naast hun professionele vennootschap, een cv kunnen oprichten die wel geïnspireerd is door het coöperatief gedachtengoed.”

Dat was het antwoord van de vice-premier en minister van justitie op een schriftelijke vraag van kamerlid G. Gilkinet op de vraag of onder het WVV de CV nog gebruikt kan worden voor de uitoefening van een vrij beroep.

Onbegrijpelijk. Voor ons toch.

Een visie die o.i. niet juist en net tegenstrijdig is met de Memorie van Toelichting (MvT). De argumentatie ‘uit een en ander’ overtuigt ons ook niet.

Ook al vormen antwoorden op parlementaire vragen uiteraard geen bindende bron van recht noch een authentieke interpretatie van de wet, toch maken we ons zorgen over dit antwoord. Als iedereen, en niet in het minst juristen en notarissen dit overnemen, fnuikt dit verschillende coöperatieve ondernemingen van beoefenaars van vrije beroepen en initiatieven daartoe.

Daarom halen we graag nog eens onze argumentatie aan. En deze gaat veel verder dan de strekking die ‘enkel art. 6:1 zou lezen en niet de MvT’. Integendeel, bepaalde elementen uit de MvT versterken dit net.

Voor alle duidelijkheid: wij onderschrijven uiteraard de motivatie dat de CV moet voorbehouden zijn voor coöperatieve ondernemingen: ‘ondernemingen op basis van het coöperatieve gedachtengoed’. Alsook en de steeds aangehaalde argumentatie dat vele beoefenaars van vrije beroepen in het verleden gekozen hebben voor de CV omwille van de juridische flexibiliteit zoals de soepele uittredingsregeling. Deze zullen nu kiezen voor een andere rechtsvorm zoals de BV.

Maar, het omgekeerde kan toch ook niet: hoe kan je per definitie een specifieke beroepsgroep of sector uitsluiten om coöperatief te ondernemen, d.i. te ondernemen volgens het coöperatief gedachtegoed? Waarom land- en tuinbouwers, verpleegkundigen, bouwvakkers en consultants wel en vrije beroepen niet? Neigt dit naar ongelijk behandelen?

De MvT en de wandelgangen stellen het heel duidelijk: de doelstelling van het WVV is net om de CV haar oorspronkelijke eigenheid terug te geven met “name het voeren van een onderneming op basis van het coöperatief gedachtengoed, zoals vervat in de coöperatieve beginselen verwoord door de International Co-operative Alliance (ICA)”.

Wel, deze per definitie uitsluiting van een bepaalde beroepsgroep staat o.i. net haaks op de ICA:

1.
Zowel in de MvT als in dit antwoord op de parlementaire vraag, wordt uitdrukkelijk gesteld dat het enkel niet kan voor ‘professionele vennootschappen’ van vrij beroepen. Voor andere activiteiten mogen vrije beroepers wel gebruik maken van de CV.
Deze visie is o.i. gedreven vanuit een van de zovele misvattingen over coöperatieve ondernemingen. Voor het grote publiek is dit wellicht niet gekend, maar er is niet ‘één coöperatief ondernemingsmodel’. Er is een enorme diversiteit: in sectoren, grootte, werking etc. Maar nog relevanter, wie zijn de vennoten? Zo zijn er 4 types van coöperaties: burger- en consumentencoöperaties, ondernemingencoöperaties, werkerscoöperaties en multistakeholdercoöperaties.

Een typologie die wij, de dienstverlening coöperatief ondernemen van Cera, al langer gebruiken omdat ze zo relevant is voor de werking van de coöperatie. Sinds 2018 is dit ook de officiële, statistische typologie die de ICA en ILO (International Labour Organization) gebruiken. ICA verwijst dan ook uitdrukkelijk naar ‘consumers, workers and producers’ als mogelijke leden van een coöperatie. We hanteren bewust: ‘werkers’ en niet ‘werknemers’. Dit betreft zowel zelfstandigen als werknemers, of een combinatie.
Het is net in de types werkers- en ondernemingencoöperaties dat onder meer zelfstandigen zich verenigen om hun professionele activiteiten uit te voeren.
Het is o.i. dus tegenstrijdig met de ICA om zo de CV uit te sluiten voor ‘professionele vennootschappen’ van vrije beroepers.

2.
CECOP, een van de sectorfederaties van de ICA (waarmee de wetgever wil aansluiten, cfr. supra), vernoemt expliciet ‘doctors and lawyers’ als een van hun leden/doelgroepen. Dus met deze uitsluiting voor vrije beroepen, sluit men helemaal niet aan bij visie van de ICA.

3
Er zijn vandaag enkele werkerscoöperaties van vrije beroepen die erkend zijn voor de Nationale Raad voor de Coöperatie. Dit getuigt dat zij heel bewust hebben gekozen voor de cv(ba), omdat zij net wilden coöperatief ondernemen, volgens het coöperatief gedachtegoed en de ICA-beginselen. De MvT stelt ook dat een bestaande NRC-erkende CVBA wordt vermoed te voldoen aan de definitie van art. 6:1 WVV.

4.
Er zijn vandaag enkele CVBA’s waarin diverse vrije beroepers hun beroep beoefenen en daarbij heel bewust hebben gekozen voor het coöperatieve ondernemingsmodel: de werkerscoöperatie. Enkele voorbeelden: Impact Advocaten, Bast Architects & Engineers (bast.coop, zelfs in hun extensie outen ze zich als coöperatie) etc. En niet in het minst Boekhoudkantoor Q-bus, waarin boekhouders hun beroep uitoefenen volgens het coöperatieve model. Dat doen zij al decennia zo. Een van de boekhouders-vennoten, Marc Bosschaert, is zelfs voorzitter van Coopkracht: het netwerk voor coöperaties in Vlaanderen (een netwerk met NRC-erkenning).

Op basis van bovenstaande argumentatie, stellen wij dat ook vrije beroepers die hun beroepsactiviteit willen uitoefenen via een coöperatieve onderneming – dus volgens het coöperatief gedachtegoed – , en die voldoet aan art. 6:1, de CV als vennootschapsvorm moeten – kunnen – kiezen.

En nog meer dan vroeger: er is immers een stijgende interesse naar ondernemingen in handen van de medewerkers: ‘werkerscoöperaties’ genaamd. Ook bepaalde vrije beroepers beginnen dit model te omarmen en kiezen heel bewust voor dit ondernemingsmodel.

Daarom baart dit parlementaire antwoord ons grote zorgen. Ook al ‘vormen antwoorden op parlementaire vragen uiteraard geen bindende bron van recht noch een authentieke interpretatie van de wet’. Als iedereen, en niet in het minst juristen en notarissen dit overnemen, fnuikt dit bovenstaande evoluties: de groei en versterking van coöperatieve ondernemingsmodellen, waaronder ook ondernemingen- en werkerscoöperaties van vrije beroepers. Evoluties met o.i. economische en maatschappelijke meerwaarde.

Bovenstaande argumentatie haalden we ook aan in ons artikel: De coöperatieve vennootschap: enkel voor de echte coöperaties. Een themanummer dat Lieve Jacobs en Hannes Hollebecq, adviseurs coöperatief ondernemen bij Cera, schreven voor ‘Accountancy en fiscaliteit’, een wekelijkse nieuwsbrief over fiscaliteit, accountancy en vennootschapsrecht van Larcier Business (nr 31 – 19 september 2019).

Daarin verduidelijken we het coöperatieve ondernemingsmodel, haar diversiteit, de 4 types, de interpretatie van de 7 ICA-principes (die elke coöperatie moet concretiseren binnen haar eigen coöperatieve ondernemingsmodel en context en dus niet in dwingende, algemeen geldende wetgeving mag omgezet worden), de CV in het WVV en haar unieke vennootschapsrechterlijke kenmerken.

Hannes Hollebecq
Cera
dienstverlening coöperatief ondernemen

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s